Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 14
[Kabritjes of Rheën.] Kabritjes of Rheën, deze werden by de Borgers en Planters opgevoet als ander tam Vee, zijn niet groter als een gemene Bok; haar vlees is heel lekker, en zy bletteren als Schapen.
[Hazen.] De Hazen zijn hier ook wel te hebben, maar van een ander slag en maakzel; de rug is bruin vermengt met witte stippen, de poten en ooren kort, zulks dat zy in ’t geheel geen gelijkenisse na andere hebben; de smaak is zeer delicaat en niet wild, zijnde het vlees heel en al als Kalfs-vlees.
[Konijnen.] Konijnen, deze zijn zo aangenaam niet als de Vaderlandsche, hoewel deze nog zo blank zijn, ’t vlees veel droger, derhalven niet zo smakelijk. De kop alleen gelijkt iets na de Vaderlandsche Konijnen, zo men ’er egter de ooren af uitzondert, dewelke even als de poten heel kort zijn, ’t hair is doorgaans grauw.
[Krocodillen.] Krocodillen zijn niet heel groot, en ook ziet men ze zelden.
[Quotoes.] Quotoes, deze is swart en eenige manier als de Apen, dog wat groter met een lange steert, waar mede zy zig van d’ eene Boom na d’ andere swengt; zy hebben een rood bakkes, het hair over ’t voor-hoofd hangende ziende uit als een oud grimmig gedrogt.
[Cuscary.] Cuscary, deze is mede swart en kleinder, al om geschapen in gelijkheid van de Leeuw.
[Bos-dier Hayi.] Het Bos-dier Hayi, deze is zo groot als een Hond, heeft mede een aangezigt als een Meer-kat, ook een hangende buik ligt grauw, een zeer lange steert, wonderlijke plompe voeten als een Beer, lange klauwen, en schoon het zeer wild is zo werd het dog ligtelijk getempt, als het gevangen is; wegens de lange klauwen spelen de Indianen daar niet mede; dit Dier heeft men nog in de Bosschen, nog in de Huizen, ooit zien eten.
[Marmazet.] Marmazet, deze is een klein aardig Diertje van een gele en groene koleur, veel kleinder als een Aap, nogtans beheerst het alle de andere Boom-danssende Aperige gezellen, op hare rug, rijdende, springende de dienaars van deze Marmazet van d’ eene Boom op d’ andere, haar daar-en-boven de spoor gevende met haar in de ooren te bijten, zo dat zy zelfs niet konnen afgesmeten worden, om dat zy zeer vast houden.
[Tatu.] Tatu, deze is een span hoog en anderhalve span lang, en over al, tot zelf aan de buik, gewapend met schilden op malkanderen sluitende met leden, als of het een Harnas ware; heeft een lange spitze mond, een lange steert, onthoud zig by de Steen-klippen; zijn spijze is eenig klein Gedierte als Mieren, en diergelijke Aard-diertjen, nogtans hebben de zelve goed en vast vlees.
[Serwoy, ook wel Cerigons.] Serwoy, ook wel Cerigons, deze is wit, swart en grauw, gelijkende een Kat, heeft ook een steert. Werpende gemeenlijk zes Jongen, heeft een buidel met een snee of opening in de buik een halve span lang, en inwendig des splits heeft het nog een vel, dan de buik is hem niet open, en inwendig in de splits heeft het de tepels, en waar het heen gaat draagt het de Jongen inwendig in de splits, daar de zelve toe in en uit komen tot zy gaan konnen.
[Coaty.] Coaty, deze is van de grote als een Haas, heeft een aangezigt als een Meer-kat, een hangende buik, kleine spitze ooren, een kleine kop, en de mond is van d’ oogen af langer als een voet, na voren spits, byna over al even dik; het heeft een enge bek, zo dat men kwalijk een kleine vinger daar kan in steken; als het gevangen word trekt het alle vier voeten by malkanderen, en men kan die met geen middel opbrengen.
[Pag of Pague.] Pag of Pague, is mede een wild Dier, tamelijk hoog, hebbende eene wonderlijke gestalte van hoofd, een zeer schoon vel met witte as-grauwe en swarte vlakken. Als men het in Europa hadde zoude het veel in waardy zijn, maar word weinig gevangen.
[Tovous.] Tovous, deze is een Otter gelijkende, as-grauw van koleur en spriklig bond, zijn voeten lang, redelijk dik, dog onaangenaam in ’t gezigt; houdende zig in de grond in vlietende wateren, doende geen Menschen schade; deze zijn boven alle zeer mals en aangenaam van vlees.
[Lootsmannen.] Lootsmannen, deze is klein dog in alles de Apen gelijkende, hebbende lange nette baarden onder de kin, waar door zy vertonen een zekere zoort van deftigheid.
[Bakkers.] Bakkers, worden zo genaamt, om dat zy de voorste poten zo bewegen als iemant die Deeg kneet.
[Janovare.] Janovare, zijnde een knije hoog en zo veerdig als een Wind-hond, heeft onder de keel haire in een bos, zien in gedaante als een Vos; de Wilden vrezen het bezonder; levende van de roof als de Leeuw, zy moeten het in ’t leger-stee overvallen om met de Pijl te schieten, anders konnen zy het niet bekomen.
[Kaboutermannen.] Kaboutermannen, een zoorte van Aapjes, hebbende mogelijk die naam gekregen van hare veerdige sprongen door de Geboomte, dan ziet men die hier dan wederom daar, en dat met zulk een geswindigheid dat men daar het oog nauwlijks op kan houden.
[Doodshoofjes.] Doodshoofjes, ook Aapjes, zeer zoete en aangename beesjes, zy zitten gemeenlijk op grote Apen, welke zy als zy honger hebben zo lang bijten tot dat zy haar op een vrugt-dragende Boom brengen, daar zy t’ eten konnen bekomen.
[Leguanen.] Leguanen, deze zoort zijnder ook zeer veel, wegens de koleur en maakzel de Hagedissen gelijk, zijnde buiten de steert wel anderhalf voet lang. Zy leggen gemeenlijk in de dartig Eijeren daar maar een vlies om zit, die, om te nuttigen, in alle gebruik zeer goed zijn.
[Meer-katten.] Meer-katten, deze hebben een lange baard, als de Zee-gebokken, daar van eenige rood zijn, springende met aardige posturen op de Bomen.
[Sagovin.] Nog een zoorte van Meer-katten, Sagovin genaamt, deze is rood en zo groot als een Eekhoorn, heeft anders een mond, borst, hals (en andere leden) als een Leeuw, is bemind om zijn schoonte; ’t is zo teer en swak dat het het dijnen van de Schepen niet kan uitstaan; zijn in haar zelfs hoogmoedig, zo dat als men het in ’t minste benadeelt en vertoornt, zo zoude het sterven.
[Hagedissen.] De Hagedissen zijn hier overvloedig veel, en groen van koleur; konnen mede onder de viervoetige Dieren gerekend werden: Wanneer ze Menschen vernemen, daar zullen ze snel voor weg lopen; zijnde een teken van bangheid.
[Schildpadden.] Schildpadden, hoewel ze meest in ’t water haar verblijf hebben, zijn mede verzien met vier voeten, en daarom hier ook by-gevoegd. Veel werden ze hier niet gezien, maar die gevangen werden zijn al vry groot; ’t vlees is heel lekker en smaakt even gelijk als ’t Kalfs-vlees.
X. HOOFT-DEEL.
Veelderlei zoorte van Diertjes, zo Ongedierte als andere.
[Water-Slangen van twintig voeten lang.] Men vind hier Water-Slangen, of anders Lagartos, die twintig voeten lang zijn, de dikte na advenant; ’t is ook waar dat by deze beesten zo veel gevaar niet te verwagten is als men wel meend, dan als zy geen honger hebben geenzins zo bits niet zijn als men ’er van kalt. Komende by wijlen ook op ’t Land, wat zy tot haar voedzel betrappen, ’t geschied met een zeer grote vaardigheid, men heeft geen exempel dat de Menschen daar van aangevogten worden, konnen door de grote ook ligtelijk gezien worden, houdende haar verblijf meest in de oever. Vullende zijne gretige balg met Visschen en borre kikkende Vorschen. Wanneer de Poel uit droogt, plijtende de grond van hitte, dan springt deze Slang op ’t droge Veld, en hare rode blikken op slaande, glipt verwoed van dorst en razende van hitte vervarelijk over de Akkers henen; dan zoude het my niet lusten onder de blauwen Hemel te slapen, nogte in de schoot van ’t gras te leggen; wanneer ze d’ oude huit afgesloopt hebben wederglimt en jeugdig word, of hare Jongen en Eijers in het nest latende, met hare drie puntige tong tegens de Zon aanleid en flikkerd.
[Andere van vijf-en-twintig voeten.] Hier te Lande wierd eens een geweldige grote Slang gevonden, die wel vijf-en-twintig voeten lang was en middel matig Mans dikte; de koleur meest swart met geel gesprenkeld. Deze Slang wierd dan van een Christen geschoten, daar zig d’ Indianen over verwonderden, om dat zy bekenden nooit een zo grote gezien te hebben. Deze hadde grote schade voortijds gedaan in ’t swemmen dier Menschen, haar onder ’t water getrokken en gegeten; wordende deze wrekige Slang, in weer-wraak van d’ Indianen, wederom gegeten.
[Een kleinder slag dog zeer venijnig.] Daar is een andere en kleinder slag in menigte, daar men zig wel voor hoeden mag dat zy u niet verrassen, wijl daar eenige zo sterk venijnig onder zijn dat haar niets te boven gaat; als men daar droevige ervarentheid van gehad heeft, dat niet alleen Menschen die van haar zijn beschadigt geweest korten tijd daar na gestorven, maar dat het vlees van de beenen, der gener die zy gebeten hadden, afgevallen is met stukken binnen vier-en-twintig uuren.
Vele nogtans die estimeren deze slingerende Dieren om de glinsterende aangenaamheid, nemen haar de angel of om ’t kwaad voor te komen, latende haar dan zelfs over al hene kruipen; in ’t bezonder de weepsche Jufferen, dertelende in Min-zieke lusten tusschen de Venus heuvelen van Cupidos verstandeloze dwalingen, tot aan de meer-poel van dier onzinnigheid, als of de aanschouwer een behoeder van ’t onwetende kwaad voorwerp, en navolger tot herstelling dier gevoelige en aanleidende prikkelingen zijn moeste, zig egter wapenende met een zinneloos gedult tegen zijne driften. Hier volgen veel veranderinge der Slangen in zoorten; als
De Pijl-Slang. De Bloem-Slang. De groene Oog-Slang. De kleine Mieren-Slang. De Slaap-Slang. De groene Oog-Slang met twe witte strepen. De Klip-Slang. De Stink-Slang. De Ratel-Slang. De slegte Oog-Slang. De Buffel-Slang. De Slang met witte en swarte vlakken. De donker bruine Stink-Slang. De Indiaansche Slang zonder vergift. De Honds-Slang. De Slang met gele en yzer verwige vlekken. De Rivier-Slang met verscheide Arabische Characteren. De grijze Stink-Slang, men kan egter de Slange met stank van Galben verdrijven.
Men heeft gezien kleine Slangen nieuwlijks uit den dop der Eijeren gekomen, waar in zy geteeld waren, zijnde pas een duim lang, dewelke na dat men die hadde bewaart in een Kasse overdekt met papier op dat zy door geen opening uit en kosten, dog vol van kleine spelde gaatjes op dat de lugt daar vry in kost; zo zijn zy zo zeer gegroeid in agt of tien Maanden dat het ongelooflijk is. Wijl dag en nagt even lang zijnde, de lugt allervolst is van balsemtique ondelen, dewelke haar ook het meeste voedzel toebrengt; als zijnde in de lugt een verborgene voedzel voor ’t leven. Hebbende deze kleine Slangetjes niet anders als alleenlijk de lugt die haar voeden, en niettemin, met deze fijne spijze wierden zy in minder dan een Jaar langer als een voet en dik na advenant. Van daar is ’t dat de Natuurkundige zeggen, Cest in ære occultus vitæ cibus.
[Vijper-Slangen.] De Vijper-Slangen werden alleenig uit de lugt gevoed; gelijk men zulks ook in andere Serpentjes ondervonden heeft. En de Manucodiates met de Hay alleen hare voedzel uit de lugt zouden trekken; en te gelijk heeft men een groot Serpent aangemerkt, dat hy ten eenemaal blind was, na dat hy, zo men vermoede in ’t Hutje daar hy in was, zijn oude huit niet konde afleggen. Men derf nogtans in d’ Astomi, of Volkeren zonder mond, van Plinius niet geloven, dat die by de ademinge des lugts en de reuk zouden leven: Ook dat de Chamæleoen by de wind leeft; en de Menschen van Olyinpiodorus alleen by de Zon en lugt zouden leven, gelijk ons zommige gaarn willen wijs maken. ’t Is eene andere reden der Menschen, en een andere reden de bloedeloze Dieren, in natuur en eigen geschapentheid.
[Vledermuizen.] Vledermuizen, schadelijke Creaturen voor Menschen en Beesten, want zy trekken beide gaar het bloed af, en dat zo behendig dat men het niet en voelt als door de smerte. Zy zijn van grote als Duiven, dog een groot nadeel voor de Varkens, om dat de zelve haar de tepels afbijten.
[Kreuten of Padden.] Kreuten of Padden, het verschrikzel van ’t Vrouwlijk geslagt, makende ’s avonds, na dat ’er een regen gevallen is, zulk een barbarische toon, dat haar Artem Musicam, hoe ongelijk die ook is, gelijkt wel gekerm en gesteen van zieke Menschen.
[Kakkerlakken.] De grootste Kakkerlakken hebben de lengte van een duim, zy zijn bruin en plat van lijf, derhalven bekwaam om door te eten in Kisten en Kasten te komen, en doen veel schade aan Linnen en Wollen; als mede aan Parkement en omslagen van Boeken. De Schepen die na ’t Vaderland gaan hebben ’er ook grote over last van, want zy komen zomtijds by menigte uit de Bosschen, en verhouden haar in alle hoeken en gaten. Zy komen eerst met den avond te voorschijn, hebbende vleugelen gelijk een zoort van Torren.
[Muskita.] Muskita, een zoort van Muggen, daar van men onaangenaam word, aangetast, als of zy in hare dunne magere huit eenige oncen bloed wilde verbergen; hebbende lange diefze prikkels, met deze kwanten heeft men de meeste aanvegting, als wanneer men eerst in ’t Land komt.
[Makers, Moepieren en Vliegen.] Makers, Moepieren en Vliegen, die, als zy ’s avonds swerven in de Bosschen, een ligt van zig geven als of men Keersjes van verren ziet.
[Petattes-luizen.] Petattes-luizen, deze onthouden haar in ’t gras, en lopen de Perzonen die ’er door gaan by de beenen op, gaan of kruipen tusschen vel en vlees, ’t geen een grote jeukte door de leden veroorzaakt; men kan ze schier door de kleinte niet zien.
[Grote schade die de Hout-luizen doen.] Hout-luizen, deze zijn by grote menigte in de grond onder de floeren van de Huizen, en leven van ’t hout t’ eten. ’t Is het schadelijkste Gedierte van ’t gansche Land, want als ’t gebeurt dat ’et veel Regend, en het water de grond over al door nat gemaakt heeft, dan komen ze uit de grond opzetten, lopen by de stijlen en wanden van de Huizen op, en eten over al het hout waar haar loop is hol; zomtijds gebeurt het ook wel datze in een Kist of Kast komen, en eten al het goed dat ’er in mogte wezen binnen eenige uuren te schande, ja zo dat ’er niet een heel stuk weer uitkomt; want ze lopen niet by 10. of 20. maar by honderden, en gaan al gedurig heen en weder gelijk de Mieren; haar grote komt met de Zurinaamsche Mieren over-een, maar zy zijn wat dikker van gat. ’t Is gebeurt dat zeker Gouverneur op een nagt, van deze Hout-luizen, voor vier duizend Guldens aan goederen op-gegeten wierd; door dien hy eerst in Zuriname was gekomen, en het middel dat ’er voor gedaan word had hy zo ten eersten niet by der hand. De Kisten en Kasten moeten op hoge voeten staan, en die weer in Lodene of Kopere Bekkens met water gevuld, indien ze dan by voornoemde Bekkens op lopen zo verdrinken ze; dit is wel ’t bekwaamste middel dat ’er voor gedaan kan werden. Zommige nemen ook wel Teer of Terpentijn, en besmeren daar mede de voeten, alwaar het goed opstaat, zo lang het nat blijft is het goed, maar door de grote warmte droogt het zeer gauw en daar moet gedurig op-gepast werden.
[De Mieren.] De Mieren zijn hier ook in grote menigte, en vallen veel groter als in Europa; ze lopen by de Bomen op, wanneer ze spijs gebrek hebben, en eten al de bladeren van de zelve af, ’t geen konstig van haar gedaan werd, want boven op haar hoofd is een scherpte even als een Scheer, waar mede zy stukken uit de bladeren knippen als een halve lid van een vinger groot, en dat dragen ze op ’t hoofd na hare nesten; als d’ eene Boom kaal is dan gaan ze weer na een ander. Door de grote menigte, die ze uitmaken, en het gedurig heen en weder lopen, werd het gras zo vertreden en vernield, als of ’er het zelve nooit geweest was.
[Malebonsse.] Malebonsse, een zoort van grote Bijen die geen Honig geven, deze hebben haar verblijf in de Huizen, en gewapend met venijnige angels.
[Bijen.] Bijen die Honig winnen, daar men een verblijfplaats voor moet zoeken dat die voor de wind beschut zijn, om haar aas dies te beter t’ Huis te brengen. Men moet ontrent de volle Korven geen gespikkelde of glibberige Hagedissen leggen, want deze vangen de Bijen met de bek om hare Jongen daar lekkerlijk mede te aazen. Dezen Bijen-Honig is heel helder en klaar, trekkende na het groen, gesloten zijnde in beurskens (even als der oude Kooplieden stok-beurssen die een hand-vatzel hadden, en daar veel beurskens aan vast zijn,) daar deze Honig met een vlies of vel om zat, zijnde een zuivere vogtigheid. Wanneer men nu deze beurskens op brak, kwam de Honig alleen uit het zelve lopen en niet uit de andere, als elk gesepareert zijnde. Doende het eene naar het andere open, en stortende de Honig daar uit in een Kalebasje, zijnde het zelve een zeer uitnemende aangenaam zoet.
Dies te neffens vind men ook zo wit als Sneeuw, klaar en mede van een goede smaak, maar grof gekorrent tegens de vorige, zijnde als een zeer kostelijke Balssem. Deze Bijen zijn stroo geel van verwe, klein en lang; vallende niemant in eeniger mate lastig, zelfs niet op de plaats om deze Honig te bekomen. d’ Indianen gebruiken deze zoort tot genezinge (in compositie) van wonden.
[Mantes of Sprinkhanen.] Mantes of Sprinkhanen, hebben een lange hals gelijk de Kamelen, een glad lighaam nauwelijks een vinger lang aan beide einden spits toe lopende, midden op de rug gaat in de lengte eene merkelijke streep, met ter zijden afgaande kleine streepjes, gelijk d’ aderen in de Boom-bladeren; ’t hoofd maakt een drie hoek, op ’t zelve steken twe hoorntjes uit; d’ oogen staan uitgepuild, zijnde donker swart; de beenen zijn zes in getal, twe staan ’er boven by aan de hals zo lang als een vinger met drie gevrigten, en aan d’ einden bezet met kleine subtijle tandekens of spitzen; de twe paar andere zijn bleek groen, gelijk een paar armen van haar t’ zamen gelegt, en opwaarts gehouden werden, gelijk twe Menschelijk t’ zaam gevoegde en na den Hemel verhevene handen.
[Spinnekoppen.] Spinnekoppen, groot en kleine in getal, daar zijn ’er welke in ’t geheel meerder plaats besloegen als de palm van een hand, ’t lighaam alleen heeft de grote van een Rijksdaalder. Men vind egter niet dat zy Menschen schade doen. Eenige Negers in passant een ziende eten die voor hare lust, welk bancquet men niet hoort dat haar iemant ontsnoept.
[Schorpionen.] Schorpionen, deze zijn swart, gelijkende wel een Kreeft, schuilende meest in droog Hout of Koorn. Haar vergiftige prikkel is de steert, werdende het Genees-middel genomen van het Schepzel zelven. Nog vind men deze na-volgende zoorten:
De Indiaansche Mol. De Hamerling. De Indiaansche Kat met een Beere mond. De Indiaansche Hemp-haan. De Muis. De Zee-Rot. De Vijper, Tricoleur genaamt. De Indiaansche Sallamander, Gecco genaamt. De Indiaansche Zijde-worm. Veel grote Ruspen in zoorten. De Indiaansche Egel. De rode Eekhoorn. De grote Indiaansche Miere-eter of Duivel. Vele goude en andere zoorten van Torren. De witte Indiaansche Egel. De Zurie-Kat. De Zee-Kat met een schild.
XI. HOOFT-DEEL.
Van d’ aanmerkelijkste Vogelen, en andere Gedierten, zo talrijk als het Land de zelve op geeft.
Alle de werken Gods zijn heerlijk; hy heeft haar alle gemaakt met wijsheid; het aard-rijk is vol van zijne goederen: maar men moet bekennen dat onder alle de Schepzelen, die niet boven het gevoelig leven hebben, de Vogelen, veel luider als eenige andere, d’ on-uitputtelijke rijkdommen van zijne goedheid en van zijne voorzienigheid verkondigen: En ook dat het voor ons behoorlijk is, door de zoete gelijk-luidentheid van haren zang, door de beweeglijkheid van hare vlugt, door de levendige verwen en door alle de pragt van hare vederen, te loven en te verheerlijken die Oppermogende Majesteit, die haar zo voordelig heeft op-gepronkt, en verzierd met zo vele zeldzame volmaaktheden.
[Uwara Piranga.] Uware Piranga, zo groot als een Henne, heeft een lange nebbe, de beenen als een Reiger, dog in alles niet wel zo lang; heeft zijn voedzel aan ’t strand der Zee, nestelende op de Klippen. Deze verandert de koleur zijner vederen wel drie verscheide malen.
[Jacoutin, Jucoupen en Jacouonasson.] Jacoutin, Jucoupen en Jacouonasson, deze zijn van grote gelijk Kraaijen, en hebben swarte en ook asgrauwe veren, smaken uittermaten wel.
[Mouton.] Mouton, een zeer kostelijke Vogel, zijnde zo groot als een Pauw; hare vederen hebben de koleur als de voorgaande, men kan ze ook zelden bekomen.
[Jambour-mire, Pegassou en Piracuroba.] Jambour-mire, zo groot als een Veld-hoen.
Pegassou, deze is zo groot als een Duif.
Piracuroba, mede in grote als de Duif, en alle deze drie zoorten goed om t’ eten.
[Arat-vogel.] Arat-vogel, wiens snavel en klauwen krom zijn, de veren boven al uit-muntende schoon, alzo dat men oordeelt geen schoonder bekend te zijn; zo dat de Scheppinge Gods hier ten hoogsten is te zien; zijnde anderhalf voet lang, deels hoog purpere en rode veren, deels Hemels-blauw voor ’t geheel. Als deze Vogel in de Zon is, daar hy zig gaarne houd, zo kan men hem niet genoeg aanzien.
[Canide.] Canide, heeft iets slegter vederen, dog die aan de hals zijn glimmen als goud, aan ’t lijf en de steert schijnt hoog Hemels-blauw met goud, in aanzien als een opstaande pool van Fluweel; van deze Vogel zingen de Indianen mede in hare Liederen. Nestelende meest op de toppen der Bomen, ontrent de Dorpen meerder als in de Bosschen. Daar uit komt het dat de Indianen ’s Jaars drie en vier malen deze Vogels plukken, makende uit deze veren Zijde, die ook hare lighamen wonderlijk daar mede verzieren.
[Toucau.] Toucau, is de aldervoornaamste Vogel onder alle de andere, deze is mede zo groot als een Duif, en heeft een steert als een Raaf, uitgenomen de borst die is Safferaan koleur, en heeft een bleek rode halsband van Natuur. Dit zelve gebruiken de Landaard mede tot zieraad als zy Danssen, noemende de zelve Dans-veren; de nebbe van deze Vogel is groter als de voorgaande, diergelijke weet men niet dat meer bekend is.
[Swarte Minog.] Swarte Minog, deze hangen hare nesten aan de uiterste eindens van de takken der Bomen, uit vreze van de diefze Apen, dewelke de zelve anders vernielen zoude.
[Marganas of Papegaay.] Marganas of Papegaay, deze zijn zo gemeen als de Duiven, daarom worden die niet geagt, zijnde het vlees hard en zeer dorre.
[Ponau.] Ponau, is zo groot en van koleur als de Tortel-duif, de borst rood.
[Quampiam.] Quampiam, deze is zo groot als een Krams-vogel, heeft ook rode karmosijn veren.
[Gonambucho.] Gonambucho, daar over is mede iets verwonderens, zijnde niet groter als een Leuwerik, zingende ook lieflijk en helder als een Nagtegaal, heeft witte glimmende veren; zittende gaarne op de opperste toppen van de Turksche Tarwe of Milie.
[Ajourons.] Ajourons of Papegaay, de kop is rood, geel en violet, de vleugels aan ’t einde purper, de steert heel lang, anders zijn die aan het lijf groen; deze komen weinig in Europa. Zy zijn zeer opmerkende dat zy niet alleen de spraak verstaan, maar leren zingen en danssen, doende wat men haar gebied; zijnde ook van de Indianen bezonder geagt, en beswaarlijk van haar te bekomen.
[Tovis.] Tovis, mede een Papegaay, deze is zo lang als een Snip, heeft een lange steert met Safferaan verwige veren, anders is hy in ’t geheel groen over ’t lijf.
[Bijen-vogel.] Bijen-vogel, twederlei groot en kleine, in schoonte bezonder aangenaam, wezende niet magtiger als een grote Torre of Hommel; deze zig in de Bosschen hier en daar omdraaijende, vertoont zulk een menigte van schoonste levende koleuren, dat het onmogelijk is om ’er genoeg van te schrijven, halende hare voedzel van de Bloemen.