Avontuurtjes

Part 9

Chapter 93,880 wordsPublic domain

Nu is hij de meesten al langs geweest.... nu komt hij naar haar, hij ziet haar, hij lacht! O, ze wil alles goedmaken, ze wil alles geven.... al haar leden beven.... haar heete hand gaat open en het dubbeltje valt in den hoed.... stralend ligt het op de bruine korst van halfjes en van centen.... ze keek den man niet aan, maar hoorde toch zijn stem in een zacht gebrom dat ze niet verstond.... toen tilde een golf haar in de hoogte over de menschen heen en eer ze haar hand aan haar jurk had drooggewreven, waren ze allemaal weg....

Natuurlijk is ze er heengeloopen, dat kan anders niet zijn.... maar ze was vervuld.... en daarom lijkt het zonderling, dat ze nu ineens aan den anderen kant van de kermis, voor de galanterie-kraam staat. Ze zag het nog niet eens, maar merkte plotseling dat ze midden in een rozige zeeplucht stond. Er knetterde iets vlak bij haar oor en twee kleine jongens dansen van den lach, omdat ze zoo schrok. Nu ja, ze stond in gedachten, zoo bang is ze anders niet uitgevallen. De dunne kruitdamp prikkelt haar neus, maar niet onbehaaglijk. De eene jongen laat den ander zijn schietgeweertje zien. Het is nieuw, het heeft een dubbeltje gekost, met een doosje kruit op den koop toe.... Een dubbeltje, dat had zij dus zooeven ook kunnen koopen, dat had zij dus nu ook kunnen hebben.... met een doosje kruitjes erbij.... en ze heeft het zelfs niet gezien. Zou er een kraam van zijn of zou een man ze loopende verkoopen?....

Het beste is, nu maar naar huis te gaan, wellicht is haar broertje teruggekomen, zoodat ze van den rijtoer hoort. Door een zijweg ben je gauw van de kermis af en op het Spreeuwenpad en daar moet je de kermis wel vergeten, zoo stil staat er het licht tegen de kleine groene huisjes aan, zoo vredig ligt het in de tuintjes en over de muurtjes fluweelig bruin en oud. Een zoete, frissche wind is opgestoken, hij komt van het open straat-eind haar uit het groen tegemoet en ze loopt er vol tegen in met haar gloeiende gezicht, de oogen gesloten dat hij de heete leden streelen mag, haar ooren vult hij met zacht geruisch. Bij elken stap blijft verder de kermis achter, de geluiden sluiten zich samen tot een al-verflauwend gejoel, eerst het toeteren en roepen, dan het schieten, eindelijk het klaarklankig gebel gaan stil-aan onder en verloren.

Hier waar een raam vooruitspringt voorbij de deur, in dit van zon verzadigd hoekje wil ze even tegen den muur gaan staan, naar den wind haar gezicht gekeerd, de oogen verzonken in het gloeiend goud van een perkje aan den overkant.... een zoetheid doorvloeit haar om al die stilte, om het licht en den wind, maar ze kan nergens aan denken.... ze voelt zich tot overmaat toe vervuld van wat ze niet begrijpt en ook niet te begrijpen zoekt.... ze sluit de oogen, het goud neemt ze achter de leden mee.... ze opent ze weer, en rondom is de volheid van het lachende licht. Er schimmert wel hier en daar een gezicht achter een donker-blikkerend raam, maar over straat gaan geen menschen.... de kippen maken zoete, kleine geluidjes, het lijkt dat ze half slapen en toch zijn ze dan juist klaar wakker en vol aandacht voor wat ze zoeken in den grond.... Al doffer de kermis, als of hij onder je in mistige diepten verzinkt, nu je zelf niet verder gaat....

Aan alle dingen is iets te begrijpen, ook aan het licht en aan den wind.... alleen maar.... zij begrijpt het niet.... ze weet ook niet waarom ze hier is blijven staan.... Uit het effen, diepe kermisgemurmel schiet in pijlen en flitsen geluid.... ze hoort het beter dan daareven en toch luistert ze er niet naar. Ze luistert naar niets.... nog even staat ze en voelt zich dan weer anders worden.... gedachten aan gewone dingen duiken op en gaan open.... niet langer week en deinende-wijd, maar vast en klein-zichzelf is ze nu weer, ze denkt aan huis en wil erheen, ze wil van den rijtoer hooren en wat ze onderweg in het rijtuig hebben gehad.

Ze gaat weer in het licht, tegen den wind, ze gaat een paar stappen en blijft staan.... haar adem stokt halfweg en kruipt weer in haar borst terug en spant haar borst en duwt haar keel naar boven.... haar oogen staren in de kleine, ronde blikkering, midden op een gelen klinker, aan haar voeten, open onder de zon, maar ze bukt zich niet om het op te rapen. Het blikkeren doet het grooter schijnen, en onder haar kijken lijkt het in zilveren glanzing uiteen te vloeien.... Ze kreeg het niet dadelijk beet toen ze zich ten leste bukte, stijf stonden haar vingers en grepen opzij.... maar nu heeft ze het, het ligt op haar open hand en ze kan het van dichtbij bekijken.... Er is geen wereld meer om haar heen.... niets dan een leegte vol ontzaglijk suizen en zij daarin met zichzelf, met niets dan met zichzelf heel alleen.... Het kan toch onmogelijk hetzelfde dubbeltje wezen? Dat ligt in den hoed van den ouden man en hij ging een anderen weg uit met zijn blinde vrouw en hier kwam niemand dan zij-zelf.... O neen, het is hetzelfde dubbeltje niet, het hare was nieuwer, fel-nieuw, met waaiertjes van strakken glans, zooals een hooge hoed ze heeft, en karteltjes zoo scherp dat ze nepen. Het is een ander dubbeltje.... er is een wonder gebeurd.... ze gaf haar dubbeltje weg.... en dit lag aan haar voeten en keek stralend naar haar op.... Er is om haar.... met haar een wonder gebeurd.... ze wordt heelemaal gloeiend.... ze wordt heelemaal ijl... ze wordt heelemaal bang.... Het is hier plotseling zoo uittermate stil.... als er nu eens iets ontzaglijks te gebeuren stond.... als er nu eens een teeken geschiedde.... zooals er in de Tora staan..., teekenen tot belooning, teekenen tot straf, teekenen voor den twijfel, teekenen voor het gemor, teekenen die als vermaningen van een almachtig en altijd-gespannen gadeslaan de daden der menschen volgen als op den voet.... gestalten boven de toppen der bergen, schaduwen uit de dalen, schijnselen aan den nachtelijken hemel.... flitsen in het blauw.... waarboven.... waarboven.... Het stolpt hoog over haar hoofd, ze zou er om niets ter wereld in opzien durven.... Waar is het Oog, dat haar gadeslaat? Ze beweegt even het hoofd, haar oorschelp schept den wind, het ritselt, het fluistert en fluit vlak bij haar, in haar, en haar hart springt bonzende op.

De wereld is weer om haar en is met haar, strak van spanning; donkere ramen, lichtbekleede muurtjes, grauwe putten.... ze wachten met haar in een wonderbaarlijke verwachting, ze staan als verzonken, als met adem ingehouden, wetende zich in dezelfde aanwezigheid, wetende zich gadegeslagen door hetzelfde dat haar gadeslaat.... Ze staat verstard, binnen-in sidderend, wachtend een geluid, een geluid, een flits.... een aanraking, het is haar als ligt ze bloot en open, tot in haar diepste onverborgen.... de verwachting stijgt.... en dan niet meer, blijft suizelend op zijn hoogste hoogte en begint geleidelijk weg te vloeien.... Er gebeurt niets.... er is licht en wind en kirrende kippen. Er is alleen het dubbeltje. Het zal... toch wel.... een gewoon dubbeltje zijn? Ze opent bevend haar hand.... het ligt in haar hand.... er is niets bijzonders aan.... het koningshoofd met de gladde wang tusschen de jaartalhelften.... de cijfers aan den ommekant.... ze houdt het tegen de lippen, ze houdt het onder haar neus.... het ruikt gewoon, het voelt gewoon, het is gewoon. En plotseling breidt zich zwellend een verblijding in haar uit, heelemaal door haar heen, tot in haar hoofd, haar voeten, haar vingertoppen.... ze bezit weer een dubbeltje.... ze is weer rijk.... de dag is voorbij.... maar morgen zal ze naar de kermis gaan en zich een schietgeweertje koopen.

VISITES-MAKEN

Ze loopen, met Vader, over de Koe-markt naar Sjoel, in den vroegen morgen, ze loopen in de stilte door een licht dat al geen schemering, maar ook geen zon nog is, het is het laatste van de schemering luchtig gemengd door het eerste van de zon, als het grauwe grutte door het witte tarwemeel, wanneer Moeder pannekoeken bakt. De torenklok meldt kwart voor zes, nu klimt daar dadelijk de zon boven den rand van de aarde uit en laat zich zien en ziet ook zelf weer alles ruim rondom zich na den nacht terug. De goud-grijze schemer scheert van laag uit langs de steenen, de straat lijkt, leeg, wel eens zoo breed, de huizen staan met oogen toe, de wind is weer het eerste op en speelt alleen en danst in het rond en krijgt je in het oog en neemt je te pakken bij je hoofd en schijnt je hoofd met aaien in het ruime, koele boven je te teekenen, zoodat je het klein en rond voelt staan op je lijf....

Als had het geregend, zoo glimmen de stammen, zoo druipt het uit de boomen, elk rijst gelijk de kaars uit kandelaar, uit het midden van een ronde vochte plek, den jongen wind is dat te zwaar, hij krijgt er nauwelijks beweging in, het loof ritselt zwak, het roert zich telkens even, en sneller hoor je dan als zaten ze elkaar achterna, de droppels ploffen. Bij den tuin van kweeker Doets, daar zou je op regen willen zweren, het bosch van hooge dalia-struiken ligt als een natte warrel binnen tegen het hek dooreen gezegen, tot boven in staan de bonte en roode en witte bekertjes vol dauw.... Het tokkelt op de harde, natte bladeren, het tokkelt overal in den tuin, het tokkelt helder en gesmoord, het tokkelt dichtbij en ver.... het kleinst geluid ligt in de stilte bloot, je hoorde een hark, maar zag den tuinman niet, de hark hield op, nu kijkt hij zeker uit een hoek verbaasd wat zoo vroeg in den morgen menschen doen op straat, hun allerbeste kleeren aan.

Met open deuren wacht daarginds de Sjoel en door het leege licht zie je de menschen als zwarte figuren komen.... er is nu haast geen grijs meer in het goud, alleen een blonde, tintelende mist. En werklui staan van den overkant te kijken.

Dit is het lichte herfstbegin.... de zomer glipte weg.... de kermis is de grens.... de scheiding ligt er middenin, zooals een scheiding tusschen landen in rivieren ligt.... worden de kramen opgebouwd, dan sta je nog in den zomer vóór de grens, worden de kramen neergesloopt, dan sta je in den herfst, over de grens.... je denkt er niet aan, zoolang de kermis duurt. En daarvóór komt het heelemaal niet in je op.

Maar nu ineens.... zoo ga je naar den winter toe. Ver, ver.... aan het einde van een langen dagenweg, daar zie je hem en hij kijkt om een hoek.... nog lang niet.... maar je gaat er nu toch heen....

Hier is het geweest! Hier stond het allemaal bijeen, hier drong de volte, dagen lang, van hier uit zwol rumoer dat tot de verste paadjes reikte.... nu klinken hun stappen in de stilte op, want er is niets dan de wind en de natte ritselingen en eenzaam wandelen hun voeten voort.... en alles voer als droom voorbij je oogen....

De dag bloeit buiten in een gouden murmeling, een kalme, weeksche dag.... Welig en fluweelig als een abrikoos is het licht, hardheid van geluiden, scherpten van daklijnen smelt het tot mollige rondheden af. De klok slaat elf, ze hooren het en zien het aan, nu ze uit de Sjoel naar buiten komen. Uren stond er de kilte, klam als kelderlucht in kaarsen-schemer om ze heen, verstramde hun gebeente, kroop als pijn bij hun leden op, nu dragen ze hun lijven den zonneschijn in, ze zuigen de warmte, ze drinken de warmte, ze baden zich in het fluweelig licht en Vader wrijft zich de handen om deze mooie Rousj-Hasjono.

Vader blijft bij Moeder, die ook al niet Sjoel-kwam, niet ziek, maar een tikje sukkelig is Moeder en zij moeten, uit Vader en Moeders naam, drie visites gaan maken, ze moeten bij Elie Heilbron, bij juffrouw Krant, bij mijnheer en mevrouw Israëls nog-vele-jaren gaan wenschen. Ze willen eerst naar Heilbron gaan, het is er altijd op Jomtouf gezellig, vol visite, er wordt gelachen, want er zijn geen kleine kinderen, er wordt aldoor gegeten, je krijgt er veel. Het kan eraf, Heilbron is rijk, de deftigste menschen van den Breeden-weg koopen bij hem hun vleesch, en hij woont er ook zelf, tusschen de mooie huizen. Alweer later, de dag is gevorderd tot bij twaalf uur als ze in de zon het huis uit komen. Is het niet, wanneer je je hoofd rechtop draagt tegen een luwen wind, of je er duidelijker de rondheid van voelt? Ze vergat dat vanmorgen te vragen, toen ze met Vader over de Koemarkt liepen naar Sjoel. Ja—, maar het is zoo. En heb jij dat ook, als je iemand strak aankijkt in het voorbijgaan, alsof je dat gezicht van die ander met je meeneemt, terwijl je verder gaat? Neen, je ziet het vlak voor je uit! Neen, je draagt het wel degelijk mee aan je eigen hoofd!

Zouden ze boterkoek bij Heilbron krijgen? Ruik je de meloen uit den open winkel van Komein? Kijk.... de kleur van die peren is als het licht van dezen dag.... en over de druiven, als een stijve greep stuiters zoo dik, en dicht bijeen, ligt de dauw van vanmorgen. Bij Doets stonden om elf uur de dalia’s alweer recht overeind, de bonte en roode en witte kokertjes tusschen het groen warm en zacht fluweelig, als had geen water ze ooit aangeraakt, met bijen in-en-uit, de harde bladeren droog-glanzend in de zon.... wat vond jij mooier? ’s Morgens vroeg.... ja.... ik ook!

Heb jij ooit Heilbron op Sjabbos of Jomtouf hooren vloeken? Neen, hij vloekt alleen door de week, maar dan ook verschrikkelijk. Ja, er is geen mensch in de kille die zoo vloekt, maar ook geen mensch die zoo veel voor anderen doet. Hij heeft ook een vriendelijk-lachend gezicht en een breeden mond en het kale van zijn hoofd is net zoo rood als zijn heele verdere gezicht, dat zie je bij niemand dan bij hem, zoo’n roode maan in een uitstaanden krans van glinsterend dun wit haar. Neen, geen maan, want een maan is plat.... eerder een halve roode kaas.... Neen, geen halve.... dat loopt te hoog en wat voor gek gezicht zou dat zijn!

Ze hebben hem geen van beiden ooit echt hooren vloeken, want in den winkel en in de kamer doet hij het niet op het ergst, maar in de werkplaats tegen zijn zonen en zijn knechts.... en bij het minste foutje dat ze maken, scheldt hij ze voor frotter haurik.... voor gammer.... voor asjmedoi.... voor gotspeponum.... voor verschwartste nar.... Hij is voor niemand bang en laat zich van niemand wat zeggen, „Jullie kunt me allemaal....!” De rest zeg je niet na. Hij balt zijn vuisten naar den hemel, als hij recht kwaad wordt en schudt met zijn lijf.... „oei.... oei.... oei.... mijne sonniem....” zoo roept hij ramp en plaag over zijn vijanden af en het mooie is.... hij heeft ze niet... want niemand neemt Elie Heilbron zijn vloeken kwalijk.... want wat geeft hij niet weg. Toen Vader ziek was, weet je wel? Biefstuk en zwezerik en van het krachtigste dat maar voor soep bestaat. Toen Vader later kwam betalen, was hij den opschrijf kwijt en toen Vader zei dat Vader het zelf zich nog best herinnerde, is hij maar weer gaan vloeken. Zou hij tegen Abraham durven vloeken? Waarom niet, het is toch zeker ook zijn eigen kind, net zoo goed als Ies en Barend, net zoo goed als Roos en Schoon? Ja, het is zijn eigen zoon, maar Abraham is ook een heer en heeft boven een eigen studeerkamer en is ontzaglijk knap.... in wiskunde.... in Hoogere Wiskunde zelfs.... wat dat is kun je niet weten en niet begrijpen.... en hij is meestal niet thuis, en is hij al thuis, dan zie je hem nog niet, hij blijft op zijn kamer, ook als er visite is.... neen, dat begrijp je verkeerd, juist als er visite is.... hij heeft al snorren ook, en ze hebben hem nooit gesproken, enkel even gezien, als de glasdeur open stond, terwijl ze in den winkel waren, maar hen zag hij niet. Hij gaat nooit door den winkel, altijd door het tuinpoortje het huis in en weer weg. Ies en Barend helpen in de slagerij, en Ies probeert zijn Vader na te vloeken, maar zijn vader wil het van hem niet hebben. Tegen Roos en Schoon vloekt hij ook, maar niet zoo bar, omdat het meisjes zijn. Tegen zijn vrouw vloekt hij nooit, zij vindt het toch al erg genoeg, en heeft het hem lang genoeg probeeren af te leeren....

Kan iets zoo wonderlijk zijn, als plotseling van de zonnige straat in den donkeren winkel achter de neergelaten jaloezieën te belanden? Buiten was een vreedzaam murmelen in gouden licht, een reuk van bloemen, natte bladeren en fruit, een zoete koelte om je hoofd.... en hier ineens die diepe, stille schemering.... een lucht van zeep, die toch niet heel en al den vleesch-reuk bande, een kilte van vochtigheid, want alles is gisteren deugdelijk geboend en nog niet heelemaal gedroogd. Nu ze zoo even hebben gestaan, rijzen de dingen die ze kennen tot leven uit den schemer op, klaar straalt het blinkende wit der servetten, die luchtig gespreid de hakblokken tot Sabbath-tafels maken... van open beesten, van vleesch en worst geen spoor en nergens ook een mes te zien.... met de haken, en de riemen, de bijlen en slijpsteenen zijn ze onzichtbaar weggestopt.... een vochtigheid welt uit den schoonen vloer.... als verborgen water blikkeren de ramen zilver en zwart tusschen de witte latten van de jaloezieën door. Je zou zeggen.... het is hier nu nog stiller en reiner dan op Sjabbos en alles dat aan het daagsche werk herinnert, nog verder weggeborgen, in nog volkomener vermomming.... in nog dieper afzondering staan de dingen omdat de Jomtof twee volle dagen duurt.... en je verbaast je bijna dat ze den koe-kop boven de binnendeur daar gelaten hebben.... die brak het laatste uit de schemering.... met zijn bolle, wilde, witte oogen, onder vreesaanjagende rimpels, met zijn norschen woesten snoet. Je moet er onder door om in de kamer te komen.

De trage klepel klopte vier of vijf geluiden uit den belle-wand, de stalen veer schommelt nog zachtjes na, maar er is geen mensch gekomen.... ze hebben het achter niet gehoord.... ze schreeuwen en lachen zelf zoo hard. Hier, midden in dit vierkant schemerige stilte, sta je tusschen twee luide, lichte levens in, het murmelend vreedzame buiten in hel gouden licht, en de jolige Jomtof-pret achter de deur, die naar een smal gangetje en verder naar de kamer voert. Kijk je tusschen de latten door, dan zie je alles wat buiten gebeurt, je ziet de menschen langs de ramen gaan, ze strijken hun stemmen, hun lijven voorbij den rand en hebben geen flauw idee dat hun ooren en oogen zoo vlak-bij ze zijn, midden in de straat rijden karren, trekken glanzende paarden in kalmen draf de blinkende rijtuigen voort.... en aan den overkant zie je den kleinen snoepwinkel als voor het eerst, omdat hij anders inspringend naar achter tusschen twee rijke huizen voor het oog schier verloren gaat. Nu bekijk je hem als een afzonderlijk ding en ziet de witte krullen opgaan naar den groenen top en ziet het raam en al het lekkers dat er achter ligt en door de open deur de vrouw achter de toonbank staan. Ze hebben nooit eerder het winkeltje zoo duidelijk opgemerkt en zoo aandachtig bekeken dan nu ze, naast elkaar gebukt, uit den schemer door de witte jaloezieën turen. Maar is het niet vreemd, als je goed beschouwt, dat zulke groote dingen als heele huizen door zulke kleine spleetjes kruipen? Keek je ooit naar een boom of een wolk door het gaatje dat blijft als je je hand knijpt tot een vuist, maar niet heelemaal dicht, een gaatje als een speldeprik, een gaatje dat je zelfs niet ziet, als je je vuist bekijkt. Neen, zeg maar zelf.... lijkt het niet van buiten of onze vuisten stijf gesloten zijn? Dat is dus nog heel wat kleiner dan de reet van de jaloezie. Buk je nu naar het raam.... de vuist in het eene oog.... en het andere oog dicht.... je ziet den snoepwinkel tot het bovenraampje toe, je ziet het links en rechts tot aan de regenpijpen.... tot en met de regenpijpen.... Begrijp jij eigenlijk hoe zulke groote dingen door zulke kleine gaatjes je oog kunnen binnen kruipen? Neen.... het is een groot wonder.... en wat moet je eigenlijk zeggen, dat de dingen kleiner lijken of dat ze wezenlijk kleiner worden in de verte? Weet je dat je ook door een speldeprik zooveel kunt zien? Een rood stuk dak.... een groenen boom.... een halven hemel! Ja.... en hoe groot is heelemaal je eigen oog, als je nagaat.... en de grootste dingen komen erin! Ze komen erin.... en toch zie je, ook weer met jezelfde oogen, dat ze groot zijn.... He, je moet er je voorhoofd van afvegen.... van het bukken en de verwondering.

Stt.... gewoon doen—daar komt nog meer visite aan... het zijn mijnheer en juffrouw Geleerd—, Rebecca Koltof heet zij van zichzelf.... stug en zuur is mijnheer Geleerd en gierig is hij ook.... heeft makkelijk hier om lekkeren boterkoek te loopen, bij hen valt nooit iets dan droge biscuit te halen. Wie zou nu dadelijk van achter komen, Roos of Schoon? Wie vind jij liever, Roos of Schoon? Ze zijn allebei lief en ze zijn allebei dik.

„Zoo, jullie hier ook?” „Ja, wij zijn in plaats van Vader en Moeder gekomen!” „En sta jullie hier allang?” Ze kijken elkander aan. „Neen, pas....” Boven hun hoofden klepelt de bel, aan den schuddenden ijzeren band... ze staan nu met den rug naar het raam en ineens klinkt het lachen en praten van achter veel harder, net als wanneer je onder het zingen met je vingers in je ooren zat en dan ze plotseling eruit wegneemt.... de dikke Roos komt vlug het gangetje door, ze praat in de open deur en lacht nog achterom en iemand uit de kamer roept haar in een dikke wolk van lachen antwoord na.... ze gaat natuurlijk het eerst naar de groote menschen toe, ze wenschen elkander nog-veel-jaren, nu komt ze ook naar hen en zij wenschen ook nog veel jaren.... onder den koe-kop door komen ze het nauwe gangetje in en Roos sluit de deur en leeg en eenzaam blijft de winkel achter. Een Jomtof-walm door het heele huis van kippensoep en fruit en warme taart.... mergtaart misschien, ze hebben toch het merg maar voor het nemen!

Ze zitten in de kamer vol menschen die lachen en praten aan het raam, ze luisteren en kijken naar buiten, over het water, dat is als een breede, een blauw-gouden glanzende baan, waarover geen roering, geen rimpeling gaat onder de blauw-gouden lucht. Stille, bonte boomen in de tuinen aan den overkant, de groen-en-witte schuitjes lijken van papier, voorzichtig boven-op gelegd. Er bloeit een rand van dalia’s op het achter erf, over den waterkant, want juffrouw Heilbron houdt van bloemen, ze staan omhoog en naar de zon geheven, hel fonkelend rood lijkt tegen het blauwe water aan te rusten.