Avontuurtjes

Part 8

Chapter 84,149 wordsPublic domain

Wanneer je uit de smalte van de steile glooiïng—tusschen de hooge tuinschuttingen van de groote huizen om den hoek—uit het straatje komt, zie je dadelijk altijd breed-uit het water en het water is altijd mooi en geeft een heerlijken, frisschen reuk van zich af. Aan de koperen glanzen op de plooien van het water, aan de diepe kleur van den toren, die rondom in de zon staat, zie je dadelijk, dat de dagen al korter worden, dat het nu al naar den avond gaat. Zoo dadelijk zal je de klok half zes hooren slaan en even daarna zal de boot om den hoek voorbij de zwemschool te voorschijn komen en zullen ze hem zien. Tusschen de glibberige ronde steenen van den schuinen hoogen wal bloeit nog het paarse kaarsjeskruid, met zijn slappe, zachte blaadjes, je vindt het nergens dan daar, je kunt het plukken als je met je buik over de steenen ligt, je hoofd hangt dan naar beneden en een ander houdt je bij je beenen vast... Gauw over de sluis, eer hij open gaat.... den hoek om, de laagte in, daar is de steiger, nu ruik je het water pas goed en telkens even komt uit de verte de houtlucht van de haven naar je toe, maar je moet het niet opzettelijk willen.... Kom je pardoes alsof je er moet zijn, met groote stappen den steiger opgeloopen, dan kan je je gemakkelijk verbeelden, dat je met de boot gaat, dat je uitgaat. Met de boot van zessen, hè? En vanavond met de boot van tienen terug! Och, waarom dan maar niet meteen met de laatste boot, met de boot van elven, als je het voor het zeggen hebt? O, het zal wel eens eenmaal werkelijk gebeuren, dat ze ’s avonds in donker over het water komen, in de verlichte boot! Als je je bukt, zie je door de naden tusschen de planken het water, zilver krioelt over zwart, je hoort het zachtjes smakken tegen de paaltjes aan. Zit daar aan den overkant niet juffrouw Krant boven den winkel voor het raam? Ze hebben ineens medelijden met oude juffrouw Krant. Sinds haar mans dood is ze alleen en dan nog bovendien woont ze het verst van de andere Joden af, er woont er geen een op dezen weg en de overigen allemaal dicht bij elkaar, bijna in een kring.... het is haast alsof ze er niet bij hoort, alsof ze buiten de kilte woont....

De boot! Rook kwam boven de verre boomen uit.... nu vaart hij den hoek om, en is nog onzichtbaar, nog even.... nog even.... en je ziet hem.... kijk.... dwars-uit komt hij naar het midden geschoten.... rakelings dat sleepbootje voorbij.... het gaf een schreeuw van angst. Hij vaart voor de zon uit en lijkt zwart, hij keert de voorsteven naar den steiger en lijkt ineens wel niemendal, zoo kort en smal, hij neemt een zwenk en wordt weer langer en breeder.... hij gaat daar nu dadelijk fluiten.... dan worden ze den steiger afgejaagd.... dan komen de hekken ervoor, de mannen houden ze al klaar en kijken wel al leelijk over hun witte pijpen, maar zeggen nog niets....

Zag je dat? Eerst kwam de rook uit de pijp en toen hoorde je het pas! Eraf.... eraf.... ja, hoor, we gaan al, we zijn al weg.... een man rolt zwarte vaten aan, het rommelt als donder, en twee kantelen groote witte kisten om en om, dat het stof uit de planken vliegt, pas zelf op je voeten, zulke mannen kijken niet uit.... Je ziet de menschen al aan het dek, je hoort de boot stampen en stoomen.... nu ineens niet meer.... nu moet de kapitein iets door de spreekbuis naar beneden geroepen hebben.... hij drijft zonder het minste geluid.... hij drijft zoetjes naar den steiger toe.... alles aan hem wordt elke seconde grooter en duidelijker.... hij doet nu geen moeite meer.... uit is de reis.... en een klein half uur mag hij rusten, wordt in dien tijd leeggehaald.... wordt weer volgeladen.... en is dan de boot van zessen geworden....!

Dag Vader.... dag Vader! Draagt Vader het koffertje zwaar? Och, hoe wil je dat nu zien! Al zat het ook vol met lood, kon je het nog aan Vader niet merken, zoo’n sterke man... De menschen gaan de loopplank over en komen tusschen de hekken door. Vader geeft zijn kaartje aan den oudsten man, gelukkig, al drie achter elkaar hebben het hunne aan den dikkop gegeven.... Dag Vader.... dag Vader! Wie mag Vaders koffertje dragen? Beurt om beurt, maar manvolk gaat vóór. Hij pakt het blij en gauw van Vader aan en achter Vader om vragen haar oogen en antwoorden de zijne.... ja, het is zwaar, het is kolossaal zwaar....! Dus.... dus.... dus....!! Maar ze mogen niets vragen, zelfs niets blijken laten. De dikke prop van vanmiddag zit er plotseling weer, alsof ze alles nog eens moet over-vragen, aan Vader.... Vader weet alles precies.... Vader heeft toch zelf het boek geschreven....

Ze zegt niets, kijkt enkel in de schuinte omhoog naar Vaders gezicht.... Dat is Vader, die een boek geschreven heeft.... die zich in den ouden tijd en in een verre stad heeft verplaatst... En denk eens aan Vaders verschillende beroepen.... o, wat is Vader knap!

Tot den grutter op den hoek mocht hij het koffertje dragen, daar blijven ze nu staan en hij geeft het haar over. Was het erg zwaar? Ja, als Vader het zelf vráágt.... ze krijgen allebei een kleur en schieten allebei in den lach.... Vader lacht ook.... en ze loopen verder. En of het zwaar is, het hangt aan haar hand.... heerlijk, zoo alle drie naar huis, naar Moeder te gaan, tusschen de vreemde menschen door.... En Vader weet toch niet precies wat zij weten, maar zij weten ook niet, wat Vader weet, dat zij weten....

Nu gaan ze de glooiïng in de smalte tusschen de tuinschuttingen af, nu zijn ze in de kalmte van hun straatje en bijna thuis. Doodstil ligt het water in de slootjes, aan weerszijden van het bruggetje, doodstil en groen en lijkt wel zoo dik als erwtensoep. Moeder staat op het stoepje en tuurt.... en tuurt.... maar ziet ze niet en zij zien Moeder allang, ze is ook een beetje kippig. Dag Moeder.... dag Moeder.... ha, nu wuifde ze eindelijk terug. Even naar Vader gekeken.... en dan met een pijnlijk gezicht, want zóó vreeselijk zwaar speelt ze nu maar dat het is, het koffertje een eindje de hoogte in. En of Moeder het begrijpt.... o, ze lacht.... ze lacht....

Nu hoef je niet te denken, dat Vader er dadelijk over begint, zoodra ze in huis zullen zijn. O neen.... bij Vader gaat alles zijn geregelde gang. Hoed en jas op de kapstok en Moeder krijgt een zoen. En dan is altijd de eerste vraag: „Brieven of Boodschappen?” Je hoort het Vader al vragen, als je er maar alleen aan denkt...

Heeft Vader het ditmaal gevraagd? Ze zou er op letten en heeft het toch niet gedaan. Vader heeft het koffertje op tafel gezet en ze staan erom heen.... en Moeder kijkt Vader aan en vraagt met haar oogen.... aan Vaders gezicht kun je niets zien.... het zou ineens evengoed naar als blij kunnen zijn, wat Vader te zeggen heeft.... alleen.... het koffertje was toch zoo zwaar! Ze zien Moeders gezicht duidelijk al angstiger worden, haar mond gaat open.... En....?

„Elf....” Wat klinkt dat stroef en droog.... ze kijken naar elkaar, ze kijken naar Vader, ze kijken naar Moeder.... hè, Moeder ziet heelemaal bleek....

„Elf stuivers....?” Moeder zegt het zoo zacht alsof ze het schier niet uitbrengen kan. Ja, het zou ook wel heel weinig wezen.

„Elf Gulden....” het klinkt weer precies even effen.... maar ze beseffen het opeens. Het is louter voor de grap, dat Vader zoo praat, dat Vader zoo doet! Want kijk maar naar Moeders gezicht! En ja, nu lacht Vader zelf ook, en zij ook. Ja, Moeder, wij wisten het al dadelijk, want voel ook eens even hoe zwaar dat koffertje is....

HET DUBBELTJE

Twee maal is ze nu de heele kermis rond geweest en heeft toch niet haar dubbeltje uitgegeven. Het steekt nog altijd diep in haar gesloten, vochtig heete hand, even heet en vochtig als haar hand, zoodat het erin lijkt versmolten, maar knijpt ze de vingers stijf dan voelt ze de karteltjes in haar vleesch. Er lokt zoo ontzaglijk veel dat ze zou kunnen koopen, ze durft niet het een boven het ander kiezen, nu ze voor het eerst van haar leven een heel dubbeltje bezit voor zich alleen, om in één middag op de kermis te besteden, precies zooals ze wil.

Vader kwam thuis en vertelde dat juffrouw Krant met haar zuster, bij haar te gast, een grooten rijtoer wil gaan maken, en een van hen twee mocht in het rijtuig mee.... haar broertje won het lot.... hij sprong dadelijk weg.... en zij bleef aan tafel, de vuisten onder het hoofd.... toen viel met een smakje het witte propje als uit de lucht voor haar neus, ze keek op en zag de kamer leeg, ze pelde gauw het propje uit en maakte een heel-nieuw, een fel-zilver dubbeltje los, dat lag zoo in eens bloot in haar hand.... dat kwam van juffrouw Krant, voor de eene, die afloten moest.... Ze is de deur uit en naar de kermis gedraafd en nooit leek de weg zoo lang en nooit sprongen de verlokkingen zoo uit elke kraam naar haar oogen toe.... en iederen keer was ze bijna besloten.... ging haar hand de hoogte in, knipten haar vingers open.... een paar maal had ze al bijna gewezen.... naar den langen rooden kersenstok.... naar het blauwe gazen builtje over zilveren en gouden knikkers spannend.... naar een grooten, nieuwerwetschen, glanzend-gekleurden, bont-gevlekten bal, die als kamfer ruikt en waar binnen-in de kleine korreltjes schuifelend dansen, als je ermee balt, naar het noga-blok in zijn wikkel als zilverig water.... maar telkens ritste er een duizel door haar heen en ze trok haar hand weer terug.... want ze dacht eraan dat ze niets meer zou kunnen koopen als ze eenmaal dat eene had gekocht. Soms had de koopman of de koopvrouw—ze steken hoog achter hun uitstallingen uit, en kijken scherp op de menschen neer!—met haar oogen al meegekeken, met haar hand al meegewezen, dan liep ze maar gauw weg en dorst er eigenlijk niet goed meer komen....

Ze heeft toen eerst, achter het Stadhuis, een heele poos voor de stoomcaroussel staan kijken, die is als een hoog en groot, een zacht-sidderend paleis van zeegroen en zilver, van hemelsblauw en rood en goud boven de andere spullen uit, je staat ervoor en voelt jezelf heel leelijk en heel klein.... het rommelt er alsof het dondert achter de golvende roode gordijnen.... die splijten zwierend uit elkaar en het rommelen komt luid naar buiten toe en je kijkt een gelige, rossige schemering in en je ziet woeste, groene leeuwen, angstwekkend groote bruine paarden, die stormen met koppen omhoog naar voren, die rennen door gelige en rossige schijnselen donderend op je af.... dan vallen de gordijnhelften weer dicht en je wordt van wat binnen gebeurt niets meer gewaar dan een dof gestommel, als rommelpotten in een donderbui.... tot je telkens opnieuw weer schrikt van dien angstwekkenden gil.... dien hoor je overal, ook ’s avonds laat in bed, zoolang de kermis duurt.... maar dichtbij is het vervaarlijk.... dan lijkt de wereld rondom één groote trillende gil.... die naar alle kanten gaat, die van alle kanten komt, en zelf sta je daar midden-in....

Ze mag niet in de stoom-caroussel en ze durft er ook niet in, maar voor haar dubbeltje had ze erin gekund! Daarom is ze dan ook kalm blijven staan, al zat die dame nog zoo kwaad naar haar te kijken, over haar toonbank van rood-en-goud, tusschen de flappende gordijnen in.... Een spiegel was vlak achter haar, zou ze eigenlijk weten, dat iedereen die langs gaat haar rug ziet, haar breeden boosaardigen rug? Ze heeft ook een breed, boosaardig gezicht.... maar de weg is vrij, wat dacht ze wel.... en telkens heeft ze haar dubbeltje geknepen.... Ten leste is ze weer weggegaan, naar de kramen op de Koemarkt terug en heeft toen eerst bijna een doosje kleurkrijt.... en daarna bijna een groot zacht stuk groen-en-rood suikerspek en eindelijk bijna een muziektol gekocht—, het was er zoo een, waarvan de toon verandert onder zachte klapjes van je vlakke hand—maar telkens op het laatste oogenblik roetste dat duizeltje door haar hoofd en ze heeft haar hand teruggetrokken.... Ze is er wel een beetje moe van geworden.... en wil nu maar liever gaan kijken, waar je niets koopen kunt...., het dubbeltje in het heete holletje van haar vuist geeft een rijk gevoel door haar heele lijf—, ze is blij dat ze het nog bezit, het is alsof ze veel gevaren veilig is voorbijgegaan. Koekhakken.... als ze maar mocht. Al blinkt het bijltje nog zoo scherp.... maar meisjes mogen niet.... jongens en boeren alleen.... en kijk je te lang, dan lachen ze je al uit, of jagen je weg.... de hakblokken maken met elkaar een zijstraatje, gezellig en niet druk, dwars tusschen de groote kramen door—, dat is de passage voor wie naar het postkantoor moeten, het is voorschrift, of je zou zeker maar voor elken brief de heele Koemarkt over moeten gaan! Boven op het witte blok legt de man het dunne vierkantje gele koek, dat klapt een geluidje als was het uit zeemleer gesneden en dan met meel dun overstrooid.... drie slagen zijn al het minste.... want rukken is valsch.... en bleef de laatste keep net eventjes maar onder den bovenrand, of hangen de helften nog met een koeken draadje aan elkaar.... dan moet die boer of die man betalen en dan lachen de anderen en schuifelen na het stilstaan en spuiten het bruin van hun pruim waar het vliegen wil....

Kijk je uit dit hakblokken-straatje naar links en naar rechts, dan zie je voorbij de openingen de menschen gaan—, één stroom in de schaduw, en één stroom in de zon.... Het is altijd dezelfde stroom en het zijn altijd andere menschen... de mannen hebben papieren roode rozen, de vrouwen kauwen onder het praten en slepen de kinderen met zich voort. De kleintjes zwaaien rateltjes, dofgeel, dofrood, dofgroen.... de blaas-toeters, dik-gezwollen, lijken den grooten uit de puilende monden gegroeid.... ze deinen zacht, er sprieten lichtfonteintjes uit, strakgespannen glanzen ze.... totdat zij ze leegloopen laten.... hooggillende slinken ze dan in een oogenblik en knakken neer en hangen als stomme frommels van de stokjes af—, het heerlijke van zoo’n toeter is wel, dat je altijd opnieuw kunt beginnen, zoo vaak je maar wil, dat je altijd weer dat strakke, felle glanzen van geel of rood of paars, die zilveren lichtfonteintjes, dat lange fluiten zelf te voorschijn roepen kunt. En wacht je wat, dan is het telkens weer als nieuw.... Links is de schiettent en rechts is Jut, je kunt ze hier allebei hooren. Het knallen komt van rechts en soms volgt dan gebrom, een roffel kort en dof, een neuzig muziekje, dat ophoudt, eer je het recht hebt gehoord.... links vallen de doffe dompen.... en het meet-ding vliegt omhoog langs de schuddende paal.... een zwak geknetter.... die kan het, die gaf kracht!.... daar komt het roetsend weer afgeslierd....

Ze kan bij allebei wel eens gaan kijken. Dik staan de menschen voor de schiettent opeen en praten zacht.... die jonge boer, met een blauwe roos op zijn zijden pet, die heeft al voor meer dan twee gulden verschoten en nog altijd legt hij kwartjes neer. En hij schiet zoo goed, zeggen ze. Hij-zelf zegt geen woord, kijkt niet op en niet om, staat er maar bij met een onverschilligen mond—, zoo doe je ook op school, als je geprezen wordt, alsof het je niet schelen kan. Nu vult de juffrouw opnieuw zijn geweer, met een draaimachientje, razend gauw, de kolf aan haar knie.... en ratelsnel praat ze in een taal, die niemand verstaat, naar een andere juffrouw, naar een donkeren jongen man tegen den muur en ze lachen alle drie, de juffrouwen hard, de man alleen met zijn gezicht, zonder geluid. De menschen buiten luisteren, al verstaan ze niets en wachten en kijken naar binnen, zij ook.... Elk ding daar binnen hangt nu onbeweeglijk stil in den schemer tusschen de grauwe wanden, en het strakke, roode achterdoek, de snoeren witte pijpen dalen, stelen omlaag, van de zoldering neer en gaan in bochten weer op aan draden zoo dun dat het is of ze losjes zweven.... de stijve soldaat over zijn trom, de orgelman langs zijn langen neus kijken elkaar strak-lachende aan, die zijn het moeilijkst te raken, de ronde, witte punten zitten in hun oog, daar middenin moet je je kogeltje mikken.... dan komt er een plotse roffel, een korte muziek.... ze hebben hun handen al klaar.... maar verroeren nog geen vin....

De juffrouw heeft het geweer gevuld en geeft het den boer en keert zich om en lacht achter haar hand tegen den donkeren jongen man, die houdt met een wijden gaap zijn eigen lachen in, zet zich op van den muur en gaat, zijn rug naar de menschen, meer naar achter staan....

Zie nu, hoe de jonge boer den kolf tusschen wang en schouder tilt, zie hoe hij rondkiest, wat hij mikken zal.... hij mikt den soldaat, maar schiet nog niet.... ernstig kijkt hij... zijn vinger kruipt langzaam, als uit eigen beweging, naar den trekker toe.... iedereen is stil.... de man in de tent geeft de meisjes een wenk, dat ze niet meer lachen mogen.... en stokstijf staan ze plotseling, de handen in de zakken van hun prachtige boezelaars, goud op rood geborduurd.... en de man kan toch onmogelijk hun vader zijn. Knap.... daar sloeg het kogeltje ergens tegenaan.... en even blijft het stil.... schoot hij nu ditmaal mis.... de man in de tent bukt zich om wat op te rapen.... en meteen.... ze schrikt ervan.... zoo plotseling als die soldaat daar aan het roffelen sloeg.... hij staat er heelemaal van te schudden.... en het lijkt wel of hij nu echter lacht, maar dat kan natuurlijk niet.... Het gulden mandje blinkt.... vol goud en zilver, vol rood en groen.... het laat een zwaaiend glansspoor in de schemering.... nu heeft hij al vier medaljes aan zijden strikjes op zijn jas.... hij doet wel weer alsof het hem niet kan schelen.... maar dat gelooft geen mensch, de jongens en mannen die geen geld hebben om te schieten, kijken jaloersch en vol ontzag....

De platte, stijve tronies van orgelman en trommel-soldaat hollen aan weerszijden met haar mee, de snoeren witte pijpen dansen voor haar uit in de blauwe lucht... en loopt zij hard, dan gaan ze ook harder...., en ze loopt hard, want ze wil nu maar voor haar dubbeltje den allergrootsten blaastoeter koopen, ze zal een gele nemen, die blinken in de zon, als strakgespannen goud.... ze zal den toeterman aan het eind van de kermis wel bij de zuurkraam vinden, daar staat hij meestal, met de ballonnen-vrouw en den molentjes-man.... het verlangen spant haar borst, ze loopt rechtdoor de kramen langs en kijkt er geen meer in, ze ruikt ze wel, de heele kermis ruikt naar koek en zand en verf en een paardestal.... Wat valt er nu ineens naast de poffertjeskraam te zien.... zooeven was daar niets, waar nu die heele klomp van menschen staat. Klank van zang kwam er bovenuit.... maar nu hoor je den draaimolen weer en het blazen en fluiten, het ratelen en toeteren, het lachen en roepen... Ze heeft zich al tusschen beenen en lijven naar voren gedrongen en staat in de eerste rij. Een ronde plek is midden-in leeggelaten, een stuk van de straat, maar ineens tot een pleintje gevormd.... een pleintje dat er nooit eerder was..... en midden op dat pleintje staan een man en een vrouw te zingen. Rondom de menschen met ernstige gezichten, monden vol aandacht en groot-open oogen als waren ze van de kermis ineens in de kerk geraakt.... Geen wonder! O, zingen hoor je genoeg als het kermis is, liedjes-mannen loopen overal rond en meiden zonder hoed met bruine gezichten en strooachtig haar, waaruit hun groote oorbellen bungelen.... ze breken telkens hun zangen af om met harde, rauwe stemmen centen te vragen.... ze duwen de menschen hun rammelende bakjes haast tegen den neus en loopen ze na en zwaaien hun bundels liedjesbladen, die je voor drie centen koopen kunt.... Maar dit is heel ander zingen en dit zijn heel andere menschen.... en hun lied is pas recht anders.... niet lawaaiig en rad en wild.... niet lijzig en saai.... treurig en teeder en langzaam is hun lied.... en zij zijn oud.... ze zingen twee-stemmig... ze zingen in het Duitsch! De man kijkt onder het zingen naar de menschen, nu den een en dan den ander kijkt hij aan, maar je ziet het alleen als je goed op hem let, want zijn hoofd beweegt hij niet, alleen zijn oogen, die kijken groot en donker diep uit zijn hoofd, onder zijn voorhoofd vandaan, waaraan de dikke wenkbrauwen hangen..., dik is ook zijn baard, zwart bij de ooren, tot grauw onder den mond.... hij leek op het eerste gezicht kwaad en norsch, maar al gauw zie je beter.... hij is niet kwaad en niet norsch, alleen maar ruig en donker en oud.... gelukkig voor die lange, bleeke vrouw, want hij is natuurlijk haar man. Waarom kijkt ze aanhoudend naar boven in het blauw, terwijl ze zingt.... hoe houden haar oogen dat uit—, de hare zouden dadelijk gaan tranen. Plotseling komt het antwoord tot haar in een fluistering: de vrouw is blind! Ze keert zich om en kijkt omhoog.... zou die dame ze dan kennen? Ze praat heel zacht om het zingen niet te storen maar achteruit schuifelend kan ze alles verstaan. Het zijn geen gewone kermismenschen.... ze zouden eenmaal rijk zijn geweest.... niemand weet wat er met ze is gebeurd.... maar jaren al reizen ze de kermissen af, en de heele wereld trekken ze door.... Hoe teeder en droevig klinkt toch dat lied.... je vergeet dat je op de kermis staat, je vergeet dat het kermis is.... en de menschen rondom vergeten het allemaal, je ziet het aan hun gezichten.... telkens is het anders, hun stemmen komen samen en gaan weer uiteen en zoeken elkaar weer en vlechten zich om elkaar en vloeien ineen.... donker en zwaar is zijn stem, maar de hare klaar en hoog, die ijlt smachtend als haar oogen naar boven toe, als vroeg ze iets dringend en vurig, maar zoo droevig tegelijk.... zeker weet ze wel al dat ze het toch niet krijgen zal, dat het toch niet gebeuren kan.... Bleek en heel mager haar gezicht onder den zwarten doek, ze is langer dan haar man en houdt de witte handen voor zich op haar rok ineengevouwen. Kijk je naar haar gezicht, dan smelt alles binnen in je tot heet en vochtig medelijden.... want ze is oud.... ze is bleek en blind.... ze heeft zeker geen huis.... maar kijk je naar haar witte, stille handen.... dat is nog erger.... dan scheurt er iets in je.... dan krampen de gloeiende tranen en dat wil ze toch niet, midden tusschen de menschen.... maar ze zou wel willen weten wat dat aan die handen wezen mag.... Hooguit zingt de blinde vrouw boven haar man die kleiner is, die lager zingt, ze zingt met haar oogen naar den hemel, ze zingt tegen den hemel op. O, wat mag ze toch wel zoo smachtend smeeken.... iets dat ze weet dat toch niet gebeuren zal.... kan geen mensch het haar geven.... kan niemand het voor haar doen? Haar man zal wel goed voor haar zorgen, ze is ouder dan hij en ze is blind.... hij leek alleen maar kwaad en norsch.... hij is het niet.... Ze krijgt ineens een kleur dat haar oogen gloeien.... zij keek naar hem, en hij keek naar haar.... en hij lachte.... maar nu kijkt hij van haar weg, en ze beeft ervan....

Het zingen is uit.... maar er blijft geen stilte, geen oogenblik.... de kermis is weer overal, van alle kanten golft het leven, de draaimolen belt dichtbij.... en uit de verte gilt de stoomcaroussel.... de schorre lootjesbaas schreeuwt: „maakt partij, jongelui, maakt partij....” Waar is het lied, dat zooeven nog klonk... waar voer het heen, het teedere, mooie lied van hun twee stemmen samengevlochten....? O gemeen, gemeen, nu lachende weg te sluipen, leelijke, wreede menschen, nu de oude man in zijn witte, bloote hoofd rondgaat met den grooten hoed. Eenzaam bleef de vrouw, midden op het pleintje, dat al haast geen pleintje meer is, eenzaam staat ze en wacht en beweegt zich niet, het bleeke, blinde gezicht naar den hemel en de droevige handen tegen haar rok. Menschen golven om haar heen, kijken nieuwsgierig, gaan voorbij.... al meer sluipen er weg.... waarom hebben ze nu weer zulke leelijke gezichten, waarom lachen ze als hun kinderen hard door hun toeters blazen naar de blinde vrouw.... hoe kwam alles zoo op slag te veranderen?