Avontuurtjes

Part 7

Chapter 74,000 wordsPublic domain

De afspraak is bij het hek van Hart, drie staan er al, als ze zelf de koemarkt overkomen, ze hebben lekker veel gegeten en de wedstrijd begint zoo-meteen. Elk heeft zijn tol in zijn zak en zijn zweep in zijn hand, nu staan ze met vijf en kijken door de spijlen. Er is geen zon in den tuin bij Hart, in het schaduw-gras gloeien de roode geraniums, vlak achter het hek en als je naar ze kijkt, lijken ze terug te kijken. Eens hebben hier gele tulpen gestaan, die zwierden stijf en statig voorbij de spijlen, want het woei, en ze gaven een zwakken, zoeten reuk.... de hemel was bewolkt, ze zijn weg.... ze zijn dood.... de roode geraniums komen na de tulpen, dan is alles vervuld, dan is de zomer vol.... lang geleden is de lente, lang geleden is die dag, dat de hemel bewolkt was, dat het zachtjes drupte en zoetjes woei en dat ze hier stond en naar de zwierende gele tulpen keek en hun vreemde, zoete lucht in haar keel voelde komen met het regenvocht....

Maar daar is Klaas, met de prijzen. Hij haalt ze uit zijn zak en laat ze zien.... hij heeft ze stijf in zilverpapier gepakt, leeuwen en letters dringen er door, het lijken zilveren munten, gulden, halve gulden, kwartje, dubbeltje! Ze gaan tollen om zilveren prijzen.... ze kan het goed.... ze zal misschien de gulden winnen. Een rilling doorvaart haar, ze kijkt niet meer in den tuin, wat beginnen gaat lijkt haar ineens veel grooter, veel echter.... ze zullen om zilveren prijzen tollen.

Haar vingers beven en worden plotseling kil; nu ze het touwtje in de gleuf wilde winden, glijdt het er tweemaal in groote, open krullen weer uit, maar met winden moeten ze op elkaar wachten, pas als elk met zijn duim zijn tol tegen den zweep houdt gedrukt, telt Klaas tot drie, dan wordt er niet meer gewacht, dan gaat het om het langste voor een prijs! Ze kan het goed en is weer kalm, haar vingers droog en bijna warm, ze staat al klaar, het eene been vooruit. Andere kinderen, groote jongens, volwassen menschen zelfs blijven staan kijken, het wordt een kring om ze heen, een wijde kring, want ze moeten de ruimte hebben, zachtjes achteruit loopend, verwijden ze den kring. Ze kwamen allemaal klaar.... en stonden heel stil.... en Klaas telde tot drie, toen hoorde je niets.... en toen ineens hoorde je de tollen vallen en de zweepen petsen, vlug, vlug, de eerste oogenblikken zoo vlug als je kunt, om ze op gang te krijgen. Hebben ze eenmaal vaart in, dan is kalmte de zaak, en flink te durven slaan, niet bang zijn dat je hem uitslaan zult, van je zweep sekuur zijn en raak te klappen, daar komt het op aan. Hij springt wel op van den grond, maar komt op zijn pootjes terecht en draait weer door en draait al harder, tot hij kaarsrecht over de steenen vliegt. Sla zoo hard je maar kunt, sla lenig en stevig, houd hem in je buurt, dat hij niet uitgaat eer je bij hem bent, blijf erop ranselen, zoolang er nog leven in is, het is gebeurd dat een tol weer prachtig kwam te staan, terwijl hij al waggelde als een dronkeman, al schuin hing over zijn eenen kant.... Rietje is af.... pèts.... Kees is af, Meindert is af.... ze staan in den kring tusschen de menschen en de kinderen, hun zweepen in de hand, en ze kijken met spijtige gezichten, voor hen zijn de zilveren prijzen niet... Ai, wat een sprong... achteruit daar alsjeblieft, we hebben de ruimte noodig.... wat is het heerlijk, je tol te laten springen waar hij wil, en hem toch baas te blijven, hem op een afstand in het oog te houden, hem te beheerschen met je zweep. Heb je durf, dan laat je hem draaien zonder hem aan te raken tot hij wankelt en geeft hem dan met éénen zweep zijn volle vaart terug; zij heeft dien durf, ze doet dat nu al voor den tweeden keer, en terwijl ze stilstaat, hoort ze haar hart. Scherp in het oog houden en nu weer slaan, geen seconde te laat, geen seconde te vroeg. Christientje is af.... ze sloeg eenmaal ernaast, ze sloeg tweemaal ernaast, ze raakte den kluts kwijt en het hout van de zweep schuurde over de steenen.... toen sloeg ze wildweg, en raakte niet meer, geen enkele maal, de tol begon te slingeren, de tol begon te waggelen, al dichter naar den grond, maar bleef nog draaien, zoolang de rand niet aan de steenen raakte, ging eindelijk over stag, rolde opzij en lag als dood.... Christientje is af. Arie is af.... zij allebei zijn er nog bij.... al grooter wordt hun kans op een zilveren prijs; ze gaan langs elkaar en lachen tegen elkaar, hun tollen staan allebei even mooi, ze springen gezweept omhoog, komen luchtigjes neer op de punt en huppelen rechtop verder, ze hebben een vaart in, één lenigen slag nu en dan is genoeg, je zorgt alleen met groote stappen bij te blijven. Heerlijk gaat het, heerlijk heersch je over je tol. Je kunt best eens even blijven staan, je zweep laten zakken, je voorhoofd afvegen.... maar hem geen seconde uit je oog laten gaan. Een vreemde jongen keek naar haar, wees met zijn hoofd naar haar tol, of ze hem niet vergeet.... ze lacht.... geen nood.... ze heeft hem vast met haar oogen, zoo, even een lenig klapje met de zweep, en daar huppelt hij weer, en ze huppelt nu zelf ook, de tol achterna, zoo heerlijk als dat gaat.

Vijf draaien er nog, ze zijn er alle twee bij, o als ze eens allebei met een prijs gingen strijken.... zij de eerste en hij de tweede.... of andersom,... bijna blijft het gelijk, maar liefst toch zou ze zelf de eerste winnen.... De steenen zijn bont van schaduw en zon, de tollen vliegen er doorheen, erin en eruit, in de zon, in de schaduw, in de zon.... Zoo was vanmorgen hun stoep en de straat, zoo zaten ze in het bonte van schaduw en zon hun tollen te versieren.... ze bewoog de doos door schaduw en zon en het bonte verschoof over de kleurtjes heen.... het schoof over de groene rondjes en over de bruine strook.... ze versierden de tollen.... zij had een ster van alle kleuren.... ai, bijna vergat ze te slaan, nu was de wenk van den vreemden jongen niet overbodig.... Vlak voor haar voeten draait de tol.... maar waar is de ster van alle kleuren.... er is er geen.... er is niets dan een draaiend vlak van wit.... de heele ster van kleuren is wit.... is niets dan wit.... is effen wit! En zijn tol, de spikkels rood en groen op blinkend wit.... waar is hij.... waar is hij? Ook wit, ook niets dan wit.... dan effen wit. Waarom is haar ster van kleuren, waarom zijn zijn roode-en-groene spikkels wit, waardoor werden ze wit.... waar bleven de kleuren.... waar gingen ze heen.... waarom gaan de kleuren weg.... waarom heeft ze er nooit eerder opgelet....? „Heé, je tol.... je tol....” Dat riep de vreemde jongen uit den kring, ze springt een slag om, zoo vlug dat ze duizelt.... toch te laat. Ze sloeg, maar de zweep tikte tegen de steenen, het touwtje kronkelde machteloos en slap.... er sprong geen kracht uit om haar tol tot leven op te zweepen.... hij trilt, hij schommelt, hij waggelt, hij valt.... en zie, in het al langzamer waggelen breken de kleuren weer voor den dag en het wit is weg.... en nu hij stil ligt blinkt de ster in alle kleuren. Af.... ze is af.... ze moet naar den kant, ze krijgt geen zilveren prijs. Ze raapt haar tol van den grond en gaat bij Christientje staan. Even denkt ze dat het eigenlijk niet mag gelden, omdat ze haar tol vergat doordat ze aan wat anders dacht.... maar de anderen zullen het toch niet willen, omdat je zoo wel aan den gang blijven kunt. En goed-beschouwd, eerlijk is eerlijk.... had ze dan maar niet aan de ster en de spikkels gedacht! Al dien tijd dat ze tolde kwam het niet in haar op.... toen ineens.... en het is toch ook wonderlijk, want waar gingen de kleuren heen, want waar kwam dat wit ineens vandaan....? Ze kijkt naar de tol in haar hand.... geen snippertje wit zit erop.... en toen hij draaide was er niets dan wit.... en die nu nog draaien zijn ook wit, de eene blanker wit, de andere grijziger wit, maar van de heldere kleuren zie je niets. Wonderlijk is het wel.... nog wonderlijker is het, dat ze er vandaag pas voor het eerst op heeft gelet. Maar jammer.... Want de zilveren prijs is ze kwijt!

VADERS BOEK

Is Vader niet thuis? Komt Vader niet aan tafel? Neen.... Vader is naar de groote Stad. Dat gebeurt wel meer, maar vandaag is er een bijzondere reden voor; ze zien het, ze voelen het.... Is het prettig of naar? Moeder hoeft al niets meer te zeggen, ze kennen moeders gezicht al zoo lang. Zij kijken elkaar aan en moeten dan ineens hardop lachen: als je over iets verbaasd bent, of over iets nadenkt, trek je altijd zoo’n mal-suffe snoet, dat zie je niet van jezelf, maar wel van een ander, nu zagen ze het van elkaar, precies op hetzelfde oogenblik.

Om een prettige reden dus is Vader naar de stad. Er liggen in de verte veel prettige dingen: kijk je over de dagen naar het eind van de maand, dan zie je de kermis, kijk je achter langs de kermis om dan zie je een groote week verder, „Rousj Hasjono”, maar dat lijkt veel verder, want ertusschen ligt de scheiding tusschen zomer en herfst, altijd, al valt het nog zoo vroeg. Vader zal toch niet nu al om vijgen en dadels en rozijnen en amandelen te koopen naar de stad zijn gegaan? Neen, Moeders gezicht blijft naar lachen staan. Weer denken.... Maar heeft het dan.... en ze opperen het aarzelend, want ze begrijpen zelf niet hoe het zou zijn.... heeft het dan misschien iets te maken met wat de laatste maanden in huis is gebeurd en wat ze niet weten mochten? Avond-aan-avond zat Vader alleen in de voorkamer, van dadelijk na broodeten, tot donker toe.... ze mochten niet binnenkomen, niet storen.... maar toch hebben ze, buiten spelend, menigmaal door het raam gezien hoe Vader bij de tafel zat en altijd door op groote vellen schreef.... en een paar keer hebben ze Moeder zien binnenkomen en naar Vader gaan en over Vaders schouder in de papieren kijken, dan praatte Vader achterom naar Moeder op.... Ook hebben ze Vader eens de papieren weg zien bergen, ze gingen in een groot, glad bruin pak.... maar sinds een week, heeft Vader niet meer ’s avonds in de voorkamer gezeten en op de vellen papier geschreven. Is dat niet allemaal zoo, Moeder....? Ja, dat is allemaal zoo en het heeft er óók mee te maken dat Vader vandaag naar de stad is gegaan, dat voelen ze, dat zien ze aan Moeders gezicht. Maar hoe....? Wat is het....? Hoe zit het aan elkaar....?

Vader heeft.... Wat zei Moeder daar nu? Heeft Vader een Boek geschreven? Een echt boek, een boek dat je lezen kunt? Op die groote, witte vellen papier....? Ja, en verleden week was het af.... en toen heeft Vader het in het bruine papier gepakt.... en naar de stad gestuurd.... En vanmorgen kwam er een brief, juist toen zij naar school waren, en Vader is met de boot van tienen weggegaan en komt vanmiddag met de boot van halfzes terug....

O, wat willen ze nu ineens veel vragen, hun borst zit plotseling vol vragen, een dikke prop van vragen, maar juist als wanneer je soms allemaal het eerst de smalle deur in dringen wilt van ’t Joodsche school—je duwt elkaar opzij, en niemand komt erin.... en zoo ook nu.... omdat ze alles tegelijk zouden willen vragen, vragen ze niets.... staan stokstijf stil en kijken elkaar aan.

Vader heeft een Boek geschreven.... Dat Vader ontzaglijk knap is, dat wisten ze wel—zou Vader anders vier beroepen kunnen hebben?—maar een Boek, een Boek.... En wat voor boek, Moeder—? En komt het hier in huis en mogen we het lezen....? Ja, elke week komt er een stuk van in huis, in het „Joodsche Familieblad”, want het is een feuilleton.... O, een feuilleton.... En staat er dan ook telkens „Wordt Vervolgd” onder? Ja, en Vader zal de feuilletons uitknippen en dan hebben ze het heele boek, Hoe heet het boek? Staat Vaders naam erop? En mogen de andere menschen het weten? Ze vragen beurt om beurt en voelen toch dat ze het rechte nog niet vragen.... want de prop blijft precies even dik in hun borst. Weet Moeder wat er in staat? Heeft Moeder het gelezen?

Ja, en het is prachtig, Moeder heeft erom gehuild. Is het dan zoo droevig? Neen, maar het is „aangrijpend.” En hoe heet het, Moeder, hoe heet het? Zoo, nu wordt gaandeweg de prop iets minder dik en benauwend.... hoe heet het toch, Moeder? Moeder weet eigenlijk niet of ze dat wel zeggen mag, of ze er zelfs wel zooveel van vertellen mag. Ach toe, alsjeblieft, laat Moeder het toch maar doen. Hun harten trillen, het wordt ineens stil in de kamer.... Vaders boek heet „Christenhaat en Jodenwraak.” O, en Moeder, och toe alsjeblieft, waar is het over? Het is.... och, neen, onmogelijk, dat Moeder dat allemaal zoo maar vertellen kan. Iets dan tenminste, een klein beetje toch maar.... Nu dan.... de hoofdzaak is dit, dat er een trotsch, voornaam heer, een Christen-heer in voorkomt, en die wil niet dat zijn zoon met de dochter van Rebbe Salomon ben Adazja trouwt.... Maar dat mag toch ook niet, dat zou toch precies zoo zijn, als de zoon van Mol, en dat wou Vader toen zelf niet hebben! Ja, maar Alonzo had Jood willen worden en zelfs Rabbijn, en hij las in den Talmud alle avonden met Rebbe Salomon, maar Rebbe Salomon las den Talmud tot diep in den nacht. Dan was de heele wereld stil.... en zoo heeft hij de roovers verstaan, die fluisterden in de donkere straat, achter zijn woning, hij heeft gehoord dat ze den Vader van Alonzo willen overvallen en plunderen en vermoorden... en... die vader van Alonzo.... was zijn verbitterde vijand.... die had Rebbe Salomon bij het Gerecht aangeklaagd.... en zijn leven was in gevaar en ook van zijn vrouw, en Rebecca zou haar verdere dagen in een klooster moeten slijten.... en Rebbe Salomon wist dat allemaal... want Alonzo had hem ervoor gewaarschuwd.... en hij.... hij is uit zijn huis geslopen.... en op straat gegaan.... waar de roovers liepen.... naar het huis.... en heeft den Edelman gewekt.... het was juist bijtijds.... want de roovers waren al in aantocht, langs een korteren weg.... en ze hebben de roovers gevangen genomen en die zijn toen allemaal.... Ja, naar Alonzo? Mocht hij daarna Jood worden? Mocht hij met Rebecca trouwen? Werden Rebbe Salomon en de Edelman later goede vrienden? Ja, alles kwam in orde maar de trotsche Moeder kon het niet verkroppen.... en ze stierf weldra van woede en spijt. Net goed! En staat dat allemaal in Vaders boek? Nog veel meer, dat moeder zoo gauw niet kon vertellen, dat Moeder ook zoo precies niet meer weet. En is het echt gebeurd? Ja, heel lang geleden, in den ouden tijd. Hoe kan dat nu, daar kan Vader dan toch niet bij zijn geweest! Natuurlijk niet—, maar Vader heeft zich in den ouden tijd verplaatst. O, kan dat, kan iemand zichzelf verplaatsen? Dus het is heel lang geleden? Dan dragen de menschen ook zeker gewaden in plaats van kleeren? Ja, prachtige gewaden draagt vooral de Edelman en hij woont in een paleis-achtig huis, met een plat dak en een tuin waar granaatappelen en dadelpalmen bloeien.... Maar, Moeder, waar is dat dan allemaal? In Spanje.... in een stad die Zaragossa heet.... O, hoe mooi, hoe prachtig klinkt dat.... Zaragossa! Heeft Vader zich dan ook naar die stad verplaatst?

Ze zijn weer stil en slikken, en ademen diep.... de prop zit er nog, als moesten ze met vragen nog bijna beginnen en toch zit hun hoofd al vol van alles wat moeder ze heeft verteld. Er is wel even een zoete zinking.... Staat dat nu allemaal op die groote vellen, Moeder, in het bruine pak? En wat gebeurt er dan verder, hoe wordt dat dan een feuilleton in het „Joodsch Familieblad.”? Vader heeft het toch immers naar den Uitgever gestuurd! Een úítgever.... Is dat ook al een apart beroep? En kun je dan nog wat anders uitgeven dan geld? Hè, waarom zou dat nu zoo moeilijk om uit te leggen zijn? Laat Moeder het maar eens probeeren, ze zullen goed luisteren en best alles begrijpen.... Wat is een uitgever? Dat is de mijnheer, waar de krant van hoort.... De Uitgever van het Joodsch Familieblad heet mijnheer.... Moeder kan ineens op den naam niet komen.... Wacht maar even, wacht maar even.... waar is de krant van verleden week.... het staat er altijd bovenop.... kijk.... hier: „Rosenstein en Van Gelder”, het zijn er wel twee, Moeder! Neen, dat is de Firma. Hè...? Toch maar weer niet vragen, liever doen of ze alles begrijpen wat Moeder zegt. De Firma, juist! Stil, moeder weet het al, de uitgever heet mijnheer Wittelsthal, en diezelfde mijnheer Wittelsthal....

Daar gaat de bel.... dat zal de eierenboer zijn en moeder moet naar hem toe, dat duurt, met uitzoeken en rekenen en tellen, meestal een heele poos! De klok slaat, het is half twee en gelukkig Woensdagmiddag. Denk eens even, dat we nu naar school moesten.... we zouden toch onmogelijk kunnen opletten.... we zouden toch zeker aldoor aan Vaders Boek moeten denken.... en aan Zaragossa.... en aan den edelen Rabbijn Salomon ben Adazja.... Dat Vader zoo iets bedenken kon en dat het een feuilleton wordt, zoo’n echt, met „Wordt Vervolgd” eronder.... Vader is ontzaglijk knap, dat wisten ze.... laatst heeft Vader ook iets geschreven, dat in de krant moest komen, het was geen verhaal, het was een „stuk” tegen een Professor, het was over de besnijdenis, en die Professor had er wat op te zeggen gehad. Ze hebben overal wat op te zeggen, en ze weten, zegt Vader, niets ervan af, misschien geen vijf-en-twintig van de zes-honderd-en-dertien ge- en verboden kennen ze, ze weten van voren niet dat ze van achteren leven, ze doen het maar om weer eens iets te kunnen aanmerken! Voor het stuk over de besnijdenis hebben ze elk een stuiver van Vader gehad, voor het overschrijven.... om de beurt een bladzij..... op hun mooist,.... er waren een boel vreemde en moeilijke woorden in, soms stond een woord er heelemaal niet, daar was enkel de ruimte voor open gelaten.... „Als je goed nagaat, heeft Vader nu vijf beroepen....” Vijf...? Ja, vijf! Want ten eerste is Vader sjoumer van het Rabbinaat... voor de boeren die de koosjere kaas moeten maken. Daar gaat Vader rond, en hij komt op onverwachte tijden, om te zien of ze geen wrongel voor de kaas gebruiken.... want wrongel is uit een kalvermaag.... en je mag natuurlijk geen vleesch met melk vermengen. Daarom is treifene kaas dan ook treife.... Nu hoef je niet te vragen, hoe de Opperrabbijn Vader vertrouwt, zonder Vader aten de menschen in de stad, aten zij-zelf misschien treifene kaas! Ten tweede is Vader Vertegenwoordiger, in het opkamertje achter den winkel van Zadok Krant, die nu dood is. Daar staan de kisten met de mooie en gewone tefilles en magsouriem [1], de doozen met dure en goedkoope talleisiem [2], met fijne en daagsche „arbang-kanfous” [3], de pakjes witte en gekleurde hafdolo-kaarsen [4] die de menschen elkaar cadeau willen geven, en die ze dan bij Vader komen uitzoeken.... Vader is geen winkelier, Vader is vertegenwoordiger...., en het is Vaders tweede beroep en daardoor heeft Vader ook zijn derde beroep gekregen. Want sinds Zadok Krant is gestorven, houdt Vader voor de oude juffrouw „de boeken bij.” Die boeken hebben niets te maken met boeken die je schrijft, je ziet ze liggen op de toonbanken in de winkels, ze zijn heel dik, met figuren op sneê, met roode en blauwe lijnen, met verschrikkelijk veel cijfers. Zulke boeken worden niet geschreven, maar „bijgehouden” en dat doet Vader voor juffrouw Krant, dat is Vaders derde beroep.

Ten vierde is Vader nog Secretaris. Soms moeten ze met brieven naar den rijken mijnheer Israëls en antwoord wachten. In het open hokje, dat Vader liet, schrijft hij dan: „I. Israëls, Voorzitter.” Maar Vader schrijft veel mooier! Zoodat Vader vier beroepen had en er nu vijf heeft!

Daar is moeder met de schaal vol eieren. Nu weten ze al wat er vóór alles gebeurt: ze moeten moeder helpen uitrekenen of moeder ditmaal eens den eierenboer of dat de eierenboer Moeder weer beet heeft gehad. Nooit hooren ze Vader zoo lachen, als om moeder met den eierenboer en Vader zegt, dat de boer altijd moeder bedot, maar Moeder houdt vol dat ze even vaak hem bedot. Voor de laatste twee centen van de gulden het kleinste ei uit de mand op den koop toe, en dan nog weer even gauw drie kleine voor twee groote ruilen.... zoo goochelen ze met elkaar.... en erg goed rekenen kan Moeder niet, dat hebben ze al vaak genoeg gemerkt!

Nu kun je toch zien, hoe Moeder ook aan niets dan aan Vaders boek kan denken, ze gaat zonder meer de eieren naar de keuken brengen. Moeder, is het schrijven van een boek eigenlijk een Beroep? Met de schaal in de hand staat Moeder stil.... Waarom vragen ze dat? Omdat ze willen weten of Vader nu vijf beroepen heeft, inplaats van vier? Vier? Alles wat de mensch doet, noem je nog geen beroep, Sjoumer zijn is een ambt.... het is zelfs bijna een bediening! En een boek schrijven is.... nu, een „beroep” is het in elk geval niet. Dus Vader krijgt er dan ook geen geld voor? O ja, dat wel, dat hoopt Moeder tenminste heel erg, het zou zelfs verschrikkelijk zijn, als Vader er geen geld voor kreeg, Vader krijgt er stellig geld voor.

Veel geld, moeder, en heeft Vader dat vanavond in zijn zak, als Vader thuis komt?

Moeder komt halfweg terug, zet de schaal op tafel en blijft er bij staan.... Dat is nu juist precies de groote vraag.... of Vader geld meebrengt en hoeveel. Er moet eerst nog iets afgerekend worden. En met wien dan wel? Met mijnheer Wittelsthal, want hij is dezelfde van wien ook de magsouriem en de talleisiem hooren.... Wat nu.... en hooren die dan soms niet van Vader? Neen, want dan was Vader winkelier, maar omdat de kisten, de pakken en de doozen in het opkamertje achter de winkel van Krant van mijnheer Wittelsthal hooren, daarom is Vader vertegenwoordiger. Maar wie krijgt dan het geld, mijnheer Wittelsthal en Vader niet? Mijnheer Wittelsthal krijgt het meeste, maar Vader krijgt „commissie”—, zoo heet dat. Vader ontvangt eerst het geld van de menschen.... Ja, natuurlijk.... en dan stuurt Vader het dadelijk aan mijnheer Wittelsthal. Waarom trekt moeder nu zoo’n vreemd gezicht, als weet ze zelf niet of ze lachen of bedroefd kijken zal? Gaat het dan zoo niet? Meestentijds wel.... maar een enkelen keer laat Vader het eerst wat oploopen.... want dat sturen bij kleine beetjes is dikwijls te lastig.... daarvoor heeft Vader ook niet altijd tijd, met Vaders vele beroepen.... en zoo heeft Vader nu juist den laatsten tijd gedaan en het was zelfs nogal hoog opgeloopen.... en daarom weet Moeder niet of Vader nog wel iets mee naar huis krijgt van het geld voor het Boek, als alles uitgerekend en afgerekend is! En daarom wou Moeder maar dat het alvast half zes was.... Hè ja, zij ook! Mogen ze Vader van de boot gaan halen? Ja.... en als Vaders koffertje zwaar is, dan kunnen ze gerust gelooven dat Vader nog wel geld in zijn zak heeft ook.... Maar niet dadelijk laten merken, dat Moeder ze al zoo veel van alles heeft verteld....