Avontuurtjes

Part 6

Chapter 64,339 wordsPublic domain

Maar kijk.... er is een groot, nieuw schip de haven binnengekomen.... het is er geen met hout.... het is er een met rijst. Het heeft nog niet gelost, het is er misschien nog geen uur, het ligt heelemaal midden in de zon. Ze houden Vader bij de hand terug.... er dobbert een heel klein schuitje naast die steile hemelhooge boot, er klauteren mannetjes naar omlaag, die komen naar den kant, die moeten ze eerst even zien, dat zullen Indische bruintjes zijn. Ze blijven wachtend staan, verwachtend kijken.... tusschen de balkenvlotten ligt het water stil, hoe vochtig geurt het versche hout, een zilte vreemde reuk, die bij de haven hoort en die aan donkere verre bosschen doet denken. Houtschepen komen altijd uit Noorwegen.... Het woord „Noorwegen” ruikt naar de balken, die aan vlotten in het water liggen. En ruik je nu koolzaad tegelijk, dat is zoo frisch en zoet, dat is van je zelf, dat hoort bij thuis, dat hoort bij den zomer en de vacantie, bij de neuriënde gouden draden, die hangen gespannen en loopen naar verten onder de blauwe lucht.... en kijk je dan, terwijl je de balken ruikt en het koolzaad ruikt, en het houtschip ziet en het water ziet, naar een groot, grijs Indisch schip, dat blinkt in de morgenzon en waarlangs in de schuinte mannetjes klein als muizen dalen.... dan vloeit alles in je door elkaar.... en er gaat een zweving binnen in je lijf.... de reuk van Noorwegen, door het hout.... je eigen koolzaad, je eigen water en wat je voelt, wanneer je aan „Indië” denkt.... heet, vreemd, ver, weken ver over zeeën weg. En toch is dat schip naar hier gekomen.... het is zelfs uit Achter-Indië gekomen.... en Achter-Indië klinkt, door dat „Achter” duizelingwekkend ver. En al de mannetjes zijn meegekomen en nu zijn ze hier, hier in de haven, met hun schip en nu dalen ze langs het licht en blinkend grijs van dat geweldig hooge schip, dat ligt nu vast als een huis, en kijk.... hoe grappig.... ze klauteren zoo vlug, het is als rollen ze langs een schuingelegde plank naar onderen, ze rollen één voor één het jolletje in.... en de jol is vol,... en nu komen ze. Hoor hun lachen over het water, hoor hun vreemde, drukke praten, dat is als ver gejoel.... kijk ze duiken uit het wazige in het zonnige, hun tanden zijn wit in hun bruine gezichten.... ze komen van zoo ver.... van uit zoo vreemde streken.... verre streken. „O volg mij dan ook naar verre streken, daar ginder naar, ja, naar het Moorenland.” Dat is een liedje van Moeder.... de jol is nu al heel dichtbij.... ze staan overeind.... er zijn er tien.... neen elf—neen twaalf.... ze wijzen over het water.... waar wijzen ze naar?.... naar den dijk—naar het bierhuis achter de boompjes.... ze hebben bruine gezichten, bloote voeten, en toch lachen ze als gewone menschen. Nu springen ze, al roepend en lachend, één voor één aan wal, over een breede strook van water en riet, ze wachten op elkaar, één blijft er in de jol en de jol roeit terug en ze gaan, met kleine, vlugge stapjes, die je bijna niet hoort, den kant uit, dien zij-zelf gekomen zijn. Wat zouden ze nu gaan doen? Allereerst, denkt Vader, zich een beetje vertreden....

Ze loopen verder en worden stil—, het wordt om ze heen ook weer stiller. De haven zijn ze nu voorbij, en een voor een de genummerde palen tot vier en twintig toe, die zijn voor schepen om aan te leggen, maar er leggen nooit schepen aan, ze lijken uit het lange gras gegroeid. Voorbij die palen liggen geen schepen meer, en ook geen balkenvlotten meer, het water is open, breed, kaal blauw. Hier heet het „polder-zeven” en de jongens komen er zwemmen, maar het mag niet, omdat het gevaarlijk is. Waar de palen ophouden, houdt ook de laan van jonge boompjes op, daar voorbij zie je ook geen huizen meer, en de spoordijk is een heel eind van den weg teruggeweken, de bloemen in het gras, die je kent en die je niet kent, ruiken zuiverder en sterker, tot hiertoe waait de houtreuk niet. Ze spreken niet meer.... met elken stap komt het nieuwe dichtbij.... licht stijgt de weg en wordt wat breeder en kromt zich rond en plotseling staan ze vlak voor het water, en boven het water, en aan hun voeten ligt de breede, leege pont, de kleine zandjes schitteren in de zon. Ze staan stil. Nu zijn ze, tot waar ze al eerder waren, maar verder kwamen ze nooit, hier hield het op, maar vandaag zullen ze overvaren en dan veel verder gaan. Je merkt ineens, hoe vroeg het in den morgen is. De veerman slaapt, hij is althans niet buiten, en geen geluid, zelfs geen gekraai van hanen.... Maar nu ze stilstaan, en zelfs geen geluid meer met hun kleeren en hun voeten maken, nu dringt ineens een fijn en hoog geschal hun ooren binnen. Het komt het water over, het zullen leeuwerikken zijn.... Ja, Vader? Ja.... boven den polder hangt de lucht vol leeuwerikken.... die je hoort.... maar niet ziet.... die je wel telkens meent te zien... Maar je kunt in dat blinkend ruim, in dat schitterend blauw zoo lang niet kijken of er springen overal zwarte pikkels rond, die houd je dan voor leeuwerikken....

De veerman komt, zijn klompen klossen, ze dalen achter hem naar de pont, ze houden Vader elk bij een hand en niemand zegt een woord. Dof dompen de planken. Nog sluit over den wal de opstaande rand.... en nog.... en nog.... nu splijten wal en pont vaneen en het water komt al breeder bloot.... ze gaan.... ze varen naar den overkant. Midden op het water nu.... overal rondom water nu.... dat springt met smakkende geluidjes tegen de kanten op, en parelt schuimend voor den breeden rand. De kabel spant.... je ziet hem trillen, en vochtig blinken in de zon..., met het vreemde houten ding in zijn hand haalt de veerman krom-gebogen den overkant naar zich toe. Zoo klein als de watergeluidjes lijken.... je hoort nu toch de leeuwerikken niet. De overkant komt naar ze toe, donker en hoog rijst de dijk in het naderkomen, je ziet aan de glooiïng de ronde keien glimmen.... De pont legt aan. Ze staan hoog op den dijk en kijken over het water terug.... ze staan nu zelf waar zoo vaak ze heengekeken hebben en ze kijken naar waar ze zoo vaak hebben gestaan. Het is er zonnig en leeg daar over het water, klein lijkt de groote bel, onder het dakje met de witte plakkaten.... verder weg zie je den toren, die merk je altijd het eerst.... dan den Roomschen toren.... vooraan de schepen.... het boomenlaantje.... vlak bij het veermanshuisje buigt zich de witte weg en keert naar huis.... Ze halen diep adem en kijken naar den anderen kant, den polder over.... naar de groote stad! Die hebben ze vaak van den anderen kant gezien, maar wat een onderscheid, zoodra je over het water bent gekomen. De stad lijkt grooter, lijkt al dichterbij.... dat komt, omdat hij nu bereikbaar is.... ze hebben er nu maar heen te loopen. Het is een lange weg, je ziet nog geen straten, je ziet nog geen huizen, je ziet één groote blauwe geslotenheid, met donkere spitsen er boven uit, maar ze gaan loopen, tot ze er zijn, ze zullen er loopende komen, ze willen niet langer blijven staan en dalen van den dijk den polder in.

Hoe zou het komen dat het zooveel stiller en warmer is? Ze loopen nu, zegt Vader, in een groote diepe kom, hier woei geen warmte over het water weg, hier broeit de hitte van gisteren nog! Ze gaan over het smalle witte pad, tusschen de velden, groen en laag en vlak en ver, ze gaan in zoetheid, in vreugde-licht en in fijne muziek, koolzaad, zon en leeuwerikken, ze gaan over het witte pad naar de groote stad, ver weg, tusschen het groen van de velden en het blauw van den hemel lijken speelgoedhekjes opgezet, maar het lijkt zoo alleen, het zijn lange rijen van kleine boomen, lanen die door nog verdere polders gaan.

Hoor, hoor, de trein....! Ja, zoover is de dijk niet weg, of je kunt hem nog wel flauwtjes hooren, en zoover is het water niet of je hoort misschien ook straks wel de boot. Ze loopen in de laagte in de groene, wijde kom vol zon tusschen den dijk van het water en den dijk van het spoor, ze loopen tusschen de boot en den trein, ze loopen op hun beenen tusschen de menschen die varen en die rijden naar de stad, ze lachen al die luie varkens uit! Vader denkt dat ze moe zullen worden, veel onderweg zullen willen rusten, maar dat zal Vader wel beter zien.

Ze loopen over den blinkend witten weg. Ze merkt ineens haar eigen loopen, het loopen wordt er anders door. Ze ziet zichzelf weer in den tuin van Brons, vanmorgen vroeg, de witte zon bescheen den gesloten gelen gevel, de wereld sliep.... daar was ze toen en nu is ze hier. Ze ziet den verren dag, toen Vader beloofde, wat ze nu bezig zijn te doen.... Hoe keken ze naar dezen dag, die was in de verte, nu kijkt ze naar dien anderen dag en nu is die in de verte.... het is juist als zooeven na het overvaren.... de dagen daartusschen bestaan niet meer.... de weg over het water wel, je zoudt terug kunnen gaan.... tusschen nu, nu ze doen waar ze toen over spraken, is een leegte, blauw, maar die je meten kunt. Haar heele lijf tot hoog in haar keel is vol van een wondergevoel, dat telkens komt en dan weer gaat. En toch is alles heel gewoon....

Ze weten aldoor niet, waar ze het best op letten zullen. Achter de lanen die hekjes lijken halen je oogen als ze langer kijken nog verdere lanen, die nog verdere hekjes lijken, uit het waas voor den dag, die verre en die dichtbije hekjes schuiven door elkander heen. Hoe zou dat eigenlijk komen, Vader?

Dat komt omdat het dichtbije veel gauwer van plaats verandert voor je oog! Kijk nu bijvoorbeeld die roode zuringsteel aan den kant van den weg.... nu gaan ze er heen.... en nu erlangs.... en nu er voorbij.... alles tezamen in één oogenblik. Maar hoe lang zie je al niet daar in de verte dat grazende paard op dezelfde plaats? Ja, en een mooi paard is het ook.... maar daar nu niet op letten....

Dus daarom schoven die boomen-hekjes zoo grappig door elkaar? Ja, en daardoor lijkt het of de maan met je meeloopt, aan den hemel ’s avonds....

Wat is het warm! Ze loopen aldoor in de zon, hun schoenen zijn grijs van het stof, dat ook over het gras en de bloemen aan de wegkant ligt. Moe zijn ze niet, maar o, als ze hier den waterkraan eens hadden! Ze zullen het Vader niet laten merken, er is toch geen water in de buurt.

Waarom blijft Vader nu staan, wat zoekt Vader ineens in zijn achterzakken? Er blinkt oranje in Vaders hand.... het is.... een sinaasappel, en Vader kijkt heel ernstig, bijna boos, maar dat is voor de grap, dat is Vaders verrassingen-gezicht! Ze keken elkaar aan, o, wat moesten ze allebei ineens lachen, o, wat voelden hun monden droog en vochtig tegelijk.... en in het even dat ze niet keken, zijn er nog twee voor den dag gekomen! Hoe vurig ze blinken onder het blauw. Toch niet waar.... dat elk een heele krijgt? Dat is voor het eerst in hun heele leven! Koel en zwaar rollen de sinaasappels in hun opgehouden handen, ze koelen lippen en wangen alvast, ze zullen dadelijk de heete dorst verslaan.

Maar hoe heeft Vader ze, zonder dat ze iets merkten, in den zak gestoken? En weet Moeder ervan? En is het opzet of toeval, dat Vader ze juist hier te voorschijn haalde, waar in de hoogte dat meidoornboschje staat? Nu moeten ze even zitten, ze loopend op te eten zou zonde zijn. Wat zie je toch dadelijk van zoo’n hoogtetje veel verder, veel dieper en wijder den groenen zonnigen polder in. De stad komt al wel dichter bij.... en is niet meer alleen het effen, verre blauw, donkerder en lichter plekken zijn losgebroken. Dat vooraan, dat hoog en zwart en ingekarteld is, dat is de gasfabriek.... torens beduiden kerken, pijpen fabrieken... die ronde, lange streep, als een groote donkere rug, dat zou het station wel kunnen zijn, misschien....

Stil Vader.... stil.... zeg nu niets meer.... maar luister... luister alleen! Er is klokkespel in de lucht.... zilveren klokkespel, heel fijn en heel ver... maar het is toch duidelijk.... hoort u het wel?.... Het is in de stad, het is een geluid van de stad, het is het eerste geluid van de stad, het komt uit de stad door de zon naar ze toe, van zóó ver.... O, nu is het, alsof ze er al zijn.... maar nu willen ze ook niet langer blijven zitten....

Hier stijgt de weg of gaan ineens de voeten zwaarder, of zou het beide zijn? Het wordt ook aldoor warmer, het is niet meer zoo vroeg. Meer en meer menschen kwamen ze tegen, paarden voor wagens draven door den polder, van overal af en overal heen.... en hengelaars duiden waar slooten zijn.... één sloeg er een blinkende visch omhoog.... de huisjes en hoevetjes hebben deuren en ramen wijd-open, de mannen werken rechtop in het land of liggen geknield in de groentetuintjes, het is de volle dag.

Maar ze weten nu wel waarop ze letten willen, er is nog maar één enkel ding.... de stad die aldoor nader komt, en aldoor meer geluid doet hooren, en aldoor wijder open gaat. Ze zullen hem bereiken, ze zullen hem binnentrekken.... ze naderen langs den witten weg, stappend naast Vader, elk aan een hand. Binnentrekken.... dat hoort bij veroveren, en ineens voelt ze het: zoo ga je naar een stad, die je veroveren wilt, ze gaan er naar op, want de weg stijgt nu merkbaar.... wat ligt het stof er mollig en dik, veel dikker dan straks, je voeten sloffen er onder weg en sliffen er in uit. Het is bijna gebeurd.... het is bijna gekomen.... en weer ijlt haar denken door het niet-zijn der vervlogen dagen naar die eene in April en weer is er het wonder-gevoel. Haar hart klopt zwaar, haar mond is droog, haar hand ligt koud in die van Vader—, je zou haast zeggen, ze is bang,—maar waarvoor zou ze bang moeten zijn? Wat geeft zoo’n stad een geluid van zich af—, het komt je een heel eind weegs tegemoet op den witten weg en haalt je naar zich toe en neemt je in zich op.... wat is zoo’n stad ook ontzaglijk en machtig groot, dit huizenblok leek van ver een losgeraakte kruimel, weggerold in het tuintjesgroen en zie nu eens wat een ramen, wat een deuren, wat een menschen wonen daar! Die kijken, als ze willen, allemaal den polder in.

Eerst was de stad een blauwe geslotenheid—ze stonden op den dijk, pas over het water—, toen bouwden zich vormen en kleuren barstten open—, zooeven was het geluid een zware, zwellende murmeling, die heeft zich nu ook verdeeld in wat je afzonderlijk kunt hooren, rommelen en dreunen van treinen, ratelen van wagens, bellen en roepen....

Het mulle pad houdt op, de straatweg doet hun stappen klinken, wat rust voor de voeten is dat, als werden ze eensklaps opgetild, van onderen heerlijk gesteund, ze waren op het punt om moe te worden, nu zouden ze nog uren kunnen gaan! Tusschen de losse blokken blinkt tuintjesgroen.... een herberg met een speeltuin, geiten, kippenhok.... nog altijd niet de echte stad, maar bijna toch.... in elk geval de zekerheid.... en eindelijk, het eerste bordje waar de naam op staat.... een korte, wijde straat.... een man die gele komkommers vent en schreeuwend het hoofd keert naar links en rechts, en opkijkt tegen de huizen aan, tot aan de hoogste ramen.... en vrouwen die naar buiten schieten, in bollen rok en schommelend jak... en dwars over straat naar de kar toe gaan, zes, zeven tegelijk, in een oogenblik.... en open deuren, waaruit kinderen hollen, hun moeders na, tot bij de kar... de stad! Ze hebben het bereikt, ze hebben het volbracht, ze zijn van hun eigen stad en huis te voet den langen weg gekomen, ze zijn de stad binnengetrokken, ze loopen nu in de stad, die ze eerder nooit dan met boot of spoor bereikten en dan hoe zelden nog! Ze hebben wel geweten dat je er heen loopen kon, maar nooit gedacht dat dit voor hen was weggelegd—, nu is het toch gebeurd, ze zijn te voet gekomen! Ze kijken links en rechts, naar de hooge huizen op, de open deuren in, langs de steile, gele trappen naar boven....

Hoe donker is het hier. De witte weg is in haar oog geprent, ze blijft hem zien en voelt hem ook, achter zich, als een blinkend kronkelen tusschen groen naar het blauwe water terug, als een lange staart aan haar voet. Als je omkijkt zie je nog groen en het helle licht hangt als een gordijn gespannen tusschen de laatste grijze, hooge huizen van de straat... Maar nu niet meer, ze sloegen een hoek om en zien nu niets dan huizen en zien de straten al voller en fleuriger worden. Het is de stad, en toch nog niet volkomen.... eerst moeten ze in de mooie straten zijn, de zachtbevloerde, en waar elk huis een winkel vol wonderen is, de straten, waar je gaat wanneer je aankomt met boot of spoor.... Zijn ze daar nu gauw? Ja, langs dien weg, die rond, mee met het water loopt, waar jonge, groene boomen staan en schepen rusten van het varen in de zon. Hoe mooi is alles wat ze zien, hoe vreemd is alles wat met ze gebeurt. Of is het niet vreemd dat ze nu loopen midden-in wat daar straks als een blauwe geslotenheid lag voor hun oogen en toen al meer en wijder voor ze open brak....?

Klokken spelen, klokken beieren in de zon, spitsen blinken, wijzerplaten spatten rood-goud vuur.... zooveel torens, zooveel klokken, zilverig zingend tegen elkaar in. En welke nu.... welke nu van alle zou de toren zijn, die ze het eerste geluid zond uit de stad, toen ze op het hoogtetje zaten en sinaasappels aten....? Het was als zilver.... maar allemaal zingen ze zilverig, slaan ze goud uit de lucht.... Ze zullen die ééne wel niet herkennen, ze zullen er wel niet achter komen.... Een steegje door.... en hun voeten voelen het zachtbevloerde, dat warm en mollig is.... daar loopen ze tusschen de winkels, nu zijn ze in de allerechtste stad. En ineens hebben ze het gevoel, als kwamen ze van den anderen kant, van den waterkant, met de boot van negenen aangekomen. Maar de boot van negenen gaat zelfs nog lang niet uit hun stadje weg....

DE VERLOREN WEDSTRIJD

Ze zitten op de houten stoep, die bont is van schaduw en zon, de straat is ook bont van schaduw en zon en de open doos met de gekleurde papiertjes tusschen hen in en het stijfselbergje op het schoteltje, waarin de kleurige snippers zitten gekleefd als in sneeuw, en zij-zelf, hun kleeren en hun handen, alles is bont van schaduw en zon. Onbewegelijk lijkt het bont patroon, maar zit je stil en kijk je scherp op je handen neer, dan zie je het zachtjes schommelen, zou er in een zoo grooten boom als de olm voor hun huis dan altijd beweging wezen? Grappig is het op je handen te letten wanneer je ze brengt naar de doos en naar de stijfsel toe, dan glijden de patronen erover heen, zonder dat je er iets van voelt. Al te lang erop letten moet je niet, dan kom je niet verder, ze hebben het druk, ze willen op het mooist hun tollen versieren, want vanmiddag is er wedstrijd in tollen op de koeienmarkt. Ze hebben er eerst de oude snippers afgekrabd, daar zaten er drie, vier lagen van tot een korst in elkaar gegroeid, ze hebben, bij wat ze nog hadden, gezameld wat ze maar bemachtigen konden, van moeder de stijfsel afgevleid en op den drempel, tusschen hen in, alles plezierig uitgestald en gezellig ingericht.

Het is nog altijd vacantie, de vacantie is nog zelfs niet tot den top gestegen. De vacantie zie je als een berg, met een top, ook de dag is een berg met een top, twaalfuur is de top van den dag,—op den vacantieberg klim je elken dag hooger, de top is precies op de helft—, zoolang je daar nog niet bent, zie je alleen de vacantie zelf, maar voorbij den top moet je wel kijken naar de school, of je wilt of niet. Elken dag zie je hem dan duidelijker, elken dag kom je er dichter bij. Ze zijn nog niet aan den top en denken nog niet aan de school. De dagen zijn glad en lang, de dikke brokken van het schoolgaan, die ook de rest in afgepaste eindjes sneden, zijn eruit genomen, de vrije tijd van elken dag vloeide met de vacantie-vrijheid ineen tot een overvloed van uren, waarin je je heerlijk-weelderig beweegt, waar je door heen glijdt, naar den avond toe en den anderen dag weer even zoo. Je moet er soms van zuchten, zoo prettig als je je voelt. Vandaag vooral, nu alles bont is van schaduw en zon, nu ze vanmiddag tollen-wedstrijd houden. Drie prijzen zijn er, van twee-en-een-half, van anderhalf en van een cent, ze hebben met hun tienen elk een halfje bijgelegd en Klaas, hij is de grootste, heeft ze ingewisseld, ze spraken af hoe lang de zweep, hoe lang het touw mocht wezen en dadelijk na het eten gaan ze weg! Maar hoe vind-je het, dat we juist vandaag toevallig gort met pruimen eten? Alle heerlijks loopt bij elkaar, het pruttelen en de reuk komt naar ze toe van achter in huis, waar Moeder staat te koken.

Bont van zon-en-schaduw is ook de open doos met de gekleurde strookjes. Rood in schaduw is eigenlijk een heel andere kleur dan rood in zon. Het rood is het mooist, zacht en glad, verblindend glanzig; wat zacht en glad is voelt ook altijd koel al is de heele wereld heet, ze hebben ook geel en groen dat zacht en glad is en verblindend glanzig, die snippers kregen ze van boekbinder Koets, hij gaf ze aan allen tezamen en Klaas heeft ze eerlijk verdeeld. De andere hebben ze zelf gezameld. Een zwarte rand om een wit biljet vandaan lijkt apart veel breeder en veel zwarter, die groene rondjes stonden als stippen op een oud plakkaat, dat hing naast de school op een muur, één boven een i en één aan het eind, het waren „leesteekens” nu zijn het groene rondjes, ze lijken wel zes keer zoo groot, en je ziet pas nu de mooie zware kleur. Wat werd ook dat rose blaadje eensklaps anders met de andere in de doos, in Vaders zakboek leek het vaal en dof.... maar het wonderlijkst is die bruine strook. Er lag een krant op het kastje, die vergeten werd, een krant van wel zes weken geleden. Een reep stak over den rand en alle dagen kwam de zon om den hoek van het raam, scheen op die reep en ging weer verder.... ze zagen ineens die krant, toen ze kleurpapier zamelden.... de rand was bruin verbrand, maar bleef toch in je weten een witte rand van een witte krant. Ze knipten hem af.... en nu is het ineens bruin papier.... dat de zon het maakte van wit.... wie het niet wist zou het nooit raden.... het is bruin papier, je moet het voor bruin gebruiken, leg het naast wit, het lijkt er niet meer op....

Hun doos is mooi, ze kan er niet genoeg van krijgen, als je hem zachtjes heen en weer beweegt, glijdt bont van zon en schaduw over rood en geel en blauw.... witte blinkingen dooven en leven weer op.... „Maak toch wat voort, je komt niet klaar....!”

Ja, ze zijn al zoo lang aan den gang, naar het moet altijd mooier wezen dan het worden wil en telkens moet wat zat weer afgepulkt, haar vingers staan van de stijfsel zoo stram dat het is of ze aan elk een duimelot en een vingerhoed draagt, één en den duim hielden ze allebei schoon of het zou in de doos een kleefboel worden. Nog weer eens allebei opnieuw beginnen en dan laten zitten wat zit? Ja, want het moet dicht bij etenstijd zijn. Haar hart klukt plotseling zachtjes op, ze heeft een prachtig plan, lange reepen van alle kleuren kruiswijs overeen geplakt, dat geeft vanzelf een ster! En jij? Groene en roode pikkels op glimmend wit, ook mooi! Vanmiddag zal ze kijken wat het mooiste staat....

Wat zitten er een pruimen in de gort vandaag, wat zijn ze zacht en bol en vochtig opgezwollen, je mag in elkaars bord de pruimen niet tellen, maar je ziet ineens hoeveel ieder heeft, dat is geen tellen. Je mag in Sjoel de mannen niet tellen—het is verboden, omdat er geschreven staat „Jacobs kroost zult gij niet tellen”—maar toch moet je weten of er tien voor Minjan zijn. Hoe doe je dat dan? Dat zie je, zegt Vader, in één oogopslag, dat mag, dat is geen tellen. Zoo zie je, hoeveel pruimen elk heeft, in één oogopslag, je telt ze niet. Zou moeder als ze deelt ze tellen of het ook met oog-opslagen doen? Meestal heeft elk er even veel. Je kunt van alles ermee doen. Je kunt ze allemaal tot het laatst bewaren, dan heb je straks volop genot, maar eerst een bordvol kale gort, je kunt ze, als Vader, dadelijk moezen en mengen door je gort, dan heb je nooit je kale gort, maar nooit volop genot, je kunt er een nemen bij elken derden hap, dan duurt het wachten niet zoo lang, dan heb je nasmaak, voorsmaak, smaak.... zoo doet ze zelf!