Avontuurtjes

Part 5

Chapter 54,176 wordsPublic domain

Ze kennen het Park en ze kennen het toch weer niet. Ze kennen het klein van een prentje, ze kennen het al lang, en wonderlijk.... wonderlijk.... nu is het alles zoo geworden en zien ze het in het groot en het echt, elk ding precies op zijn plaats, elk ding nieuw en bekend.... Drie banken in een boog staan boven-op het „heuveltje” en je kijkt neer in een dal van gras en op den bodem van dat dal bloeit een perk van de allermooiste rozen, een groene kom vol rozengeur is het dal.... en dal is ook een heel mooi woord: „Omhoog, omlaag, langs berg en dal ben ik in de hand des Heeren.”

Waar dient een muziektent eigenlijk voor, Vader? Ja, dat wil ze óók wel eens weten. Er zullen concerten in gegeven worden, er komen stoelen en lessenaars voor de muzikanten. Wat je nu hoort, zou je ook voor muziek kunnen houden, als je hier vreemd was en niet beter wist.... het lijkt op het zingen van een heel groote waterketel, maar muziek-achtiger, en het is de houtzagerij, die staat over de sloot en de sloot is zoo vlak achter het park dat het hek erover heen schijnt te liggen. Dan kon je zoo naar den anderen kant!

Licht-bruine balken liggen boven-op de sloot, zoodat je niet veel van den hemel erin ziet en daardoor ruikt het bijna net als aan de haven.... niet heelemaal.... land met koeien en bloemen heeft een eigen reuk. Al die balken worden tot planken gezaagd en wat er zoo zingt zijn de zagen, het zijn, zegt Vader, machinale zagen.... de planken zijn prachtig blank, hooge stapels liggen er onder de loodsen en overal staan de loodsen en de koeien loopen er tusschen in en er zijn bruine schuiten, maar er is enkel dat eene geluid.... ginds van een molen, die fel zwart en heel hoog lijkt tegen het groen en blauw wappert rechtop uit den kap een kleine vlag, die molen hoort van „Kees” en het land en de loodsen en de balken en de slooten, alles, tot den ronden spoordijk toe, maar die koeien hooren van boeren.

Ze hebben naar dat allemaal door het achterhek staan kijken en ernstig staan praten, maar nu moeten ze alles verder zien in het Park.

Wat hebben ze midden op dat grasveld tusschen heuveltje en paviljoen toch een klein, nietig boompje gezet. Vader lacht.... dat boompje is een bruine beuk en bruine beuken worden groot, eenmaal zal daar een hooge, dikke boom staan in het gras, met een zwaren stam en takken naar alle kanten en daar weer kleinere en kleinste twijgen aan en groote, sterke bladeren, die het gras eronder donker van schaduw zullen maken, wijd-rondom. En hoe lang zal dat duren, Vader? Ja.... hoelang....? Ze staan op het grindpad dat in een boog om het grasveld gaat, ze staan met hun voeten vlak voor het gras, niet erop natuurlijk, naast Vaders linkerschoen bloeien bijna op dezelfde plek een paardebloem en een madelief. Ja.... hoelang? Een dertig jaar, denkt Vader, zal dat duren.... dan zal dat boompje, ’t lijkt een dikke tak in het gras vandaag, een hooge boom geworden zijn, een dichte kroon van zware takken boven op een sterken stam!

Voeten schuifelen over het grind, achter ze langs, het Park is vol van menschen, je hoort en ziet ze overal, en toch is het alsof ze ineens alleen met Vader zijn en of er nu iets gebeurt.... Zou dat kunnen, Vader dat wijzelf dan ook hier stonden, met ons drieën, net als nu? Vader lacht erom.... dan zijn jullie veertig jaar en Vader over de tachtig.... Ze lachten ook.... en toch is het om te rillen zoo vreemd.... Zij beiden veertig.... groote menschen, oude menschen al.... want veertig is al oud.... Vader over de tachtig.... ouder dan nu de Opperrabbijn is.... met spierwit haar, met witten baard.... kan Vader zoo worden en is het dan Vader nog? En Moeder....? Dat is toch makkelijk uit te rekenen, Vader en moeder schelen precies tien jaar, dan is moeder dus over de zeventig.... Zoo zal het allemaal wezen, als dat boompje een groote boom geworden is. En natuurlijk gebeurt er in dien tijd nog veel, veel meer.... En wat dan, Vader, wat dan....? Daar kun je toch vooruit niets van weten. Ja, het gebeurt, je moet het wel gelooven, het zal met je-zelf en met de heele wereld gebeuren, vanzelf gebeuren. Het is altijd door gebeurd. Als je op een huis „1685” ziet staan, dan weet je toch ook dat al die jaren voorbij dat huis gegaan zijn, en dat huis staat er nog, het is oud.... maar eenmaal werd het gebouwd! Daar heb je nooit aan gedacht. Ze komen naar je toe, al die jaren.... en ze gaan door je heen.... en ze gaan weer van je af.... en eenmaal zullen ze veertig jaar zijn, en Moeder zeventig en Vader tachtig....

Waar neemt Vader ze nu ineens mee naar toe? En waar haasten zich alle menschen plotseling heen? In de muziektent zal een heer een redevoering houden! Gauw erbij, de meesten zijn er al. Je hoort nu plotseling geen voeten en geen stemmen meer, je hoort den wind die over de kleine blaadjes gaat, je hoort ineens de vogels, je hoort de muziek van de houtzagerij....

Vader zegt dat de heer heel mooi heeft gesproken. Zij hebben niet zoo heel goed geluisterd en niet zoo heel veel verstaan—; tusschen de lijven en beenen van groote menschen zag je grappige grindfiguren. Nu is het tijd om naar huis te gaan, door het andere hek, dan waardoor ze kwamen. Kijk, het boompje....! De teere blaadjes ritselen in den wind, glinsteren in de zon als waren ze dun met zilver bestreken of overstrooid. Is het niet net alsof ze iets met het boompje te maken hebben? Ze zullen groot en oud worden met het boompje gelijk.... En zullen ze dan over dertig jaar weer hier met Vader staan?

TE VOET NAAR DE GROOTE STAD

De zomerdag wil maar geen einde nemen, Hoe lang geleden lijkt de morgen nu—, als over een hoogen boog van uren zie je er naar terug.... Het loof bewoog, het licht bewoog.... luchtig lag goud gestrooid.... het loof werd stil, het licht werd hel, de hitte zwol, het was de volheid van het middaguur.... toen werd het witte licht weer goud, een gloeiend middaggoud, maar het loof bleef nog stil tot den avond toe.... toen ineens leefde het op, in lispeling en ritseling, in koele rillingen woei de hitte weg, er kwam weer ruimte om in te ademen.... en in het Westen had zich al het goud vergaard, alsof de zon versmeltend, in heete stroomen uit elkander liep, toen koelde het goud, het rood verschoot, het rose bleekte en eindelijk sloot zich de hemel dicht...., een blanke schemering bleef.... maar de nacht daagde op.... zijn zwart doordrong het blank, het scheen nu langzaam, dan weer gauw te gaan.... het leek soms al avond en soms nog schemering, tot de sterren de hemel uit sprongen. Maar nog wil de dag geen einde nemen, het licht werd hem ontroofd, hij leeft in stemmen en geluiden verder. De koele avondwind die in het donker lispend waart, is de laatste adem van den zomerdag. Hij gaat heel hoog, hij vangt de verre stemmen, hij gaart de verre geluiden, hij brengt ze bij de menschen, die met open oogen wakker liggen in hun bed. Zij ligt met open oogen wakker in haar bed, want ze kan niet slapen. Het kleine raam, hoog in den muur, was toen ze in bed kwam, schemerblauw, toen werd het inktig en nu is het zwart, zonder sterren zwart, want het raampje kijkt niet naar den hemel, het kijkt bij de buren in de steeg. Hun voordeur is aan de straat, hun zijdeur is in de steeg, daar zitten ze buiten met stoelen en stoven, ze praten, hun stemmen zijn donker en dommelig. Wijd open staat het raampje, het is hoog in den muur, toch voelt ze den wind, als een koelen, lichten adem, telkens even over haar voorhoofd heen. Hij voert als gewikkeld in ruischingen van boomen, dichtbije en verre, het zoete loeien van een koe in nachtelijke wei, wie weet vanwaar.... hij voert een nauwelijks hoorbaar blaffen, van bij een duister huis, ergens heel ver in het veld, door kleine zwarte opening bij haar de bedstee in, het valt met zachte bonzen op haar borst, het kruipt om haar keel, alsof ze huilen wou.... en de groote gedachte, die haar wakker houdt, drukt het naar onderen, maar niet uit haar weg: Morgen is de dag! Morgen is de dag, omdat het morgen drie maanden is geleden, dat Vader het heeft beloofd. Toen was het April.... April is pril: prille jeugd! Pril is kil, kil is kaal, kleine blaadjes, weinig schaduw tegen de zon, weinig schut tegen den wind, weinig vastheid in het weer: Aprilleke zoet, geeft soms nog wel een witten hoed. Laat er maar sneeuw vallen in April, de crocusjes zijn al voorbij, de hyacinthen in bloei, de tulpen op komst. Tienmaal liever wind en moddersneeuw in April, dan „lekker vriezend weer” in Januari....

Dien dag zijn ze op de wandeling verder dan ooit gekomen.... en hebben van den dijk af over het water de torens van de groote stad gezien.... en hebben een heelen tijd ernaar gekeken en over allerlei gepraat en hebben voor het eerst van hun leven erover gesproken of je daarheen te voet zou kunnen komen en hebben het, thuiskomend, vader gevraagd en of Vader dan, als het kon, o alsjeblieft.... alsjeblieft.... met hen een keer zou willen wandelen naar de groote stad. En boos, verdrietig zijn ze de kamer uitgeloopen, om wat vader zei: vandaag over drie maanden gaan we te voet naar de groote stad. Want klonk „over drie maanden” niet precies als „nooit” of, zooals Vader zegt, wanneer hij plagen wil: „in drieën”, dat is, nu niet, dan niet, nooit niet....?

Het klonk hetzelfde, maar het beteekende niet hetzelfde. Een week ging om en op de wandeling zeiden ze het elkaar: die week was de eerste week van de drie maanden geweest, en ze begrepen het ineens, het zou duren.... duren.... duren.... drie maanden eindelooze tijd, maar eenmaal zou het voorbijgaan.... En nu.... het ging voorbij.... alle voorjaarsbloemen kwamen en stierven... seringen en meidoorns knopten, loken open, hun geur was overal, maar is nu nergens meer, ze welkten weer weg, vielen weer af, nu komen ze in lang, lang, lang niet meer terug.... leeuwenbekken en winde volgden doovenetel en speenkruid in het gras onder de dijken, waar ze wandelden.... elke week, en elke week was één.... totdat ze dagen tellen konden, die sprongen langs ze weg, een voor een, als de minuten op de klok bij het station en morgen is de dag. Met Vader gaan ze morgen te voet naar de stad, ze gaan al vroeg, want warm zal het stellig zijn en de weg leidt door polders waar geen boomen groeien.... daarom heeft Moeder ze tijdig naar bed gestuurd.... en Vader en Moeder zijn ook zelf eerder dan anders gegaan.... en de wind die het donkere huis binnenschuifelt en naar geluiden zoekt om met de andere te vergaren, vangt geen geluid meer op bij hen, maar zij kan niet slapen, omdat het morgen de dag is, en omdat ze aldoor denken moet aan het voorbijgaan van die drie maanden en ook het ruischend zuchten van de boomen houdt haar wakker en ook de stemmen in de steeg.

Maar de buren lijken nu eindelijk te gaan slapen.... je hoort ze opstaan.... het kluw van dommelige, doffe stemmen is losgeraakt.... sommige wandelen het steegje uit, die zijn het eerste weg, de andere gaan het huis in.... en trekken wel dieper, maar blijven toch hoorbaar.... stoelen stommelen.... die worden nu op hun plaats geschoven.... de lamp laten ze zeker maar uit.... elk vindt wel weg in zijn eigen huis al is het donker.... nu hoor je enkel nog maar mompelen.... zoo gaat het ook, wanneer de trein al verder en verder gaat.... dat slinken van geluid.... en zoo slinkt ook een zomerwolk, onder je kijken, zoo smelt hij gaandeweg in het blauw.... een verre trein is soms precies een mug dichtbij.... maar als je het weet, hoor je het verschil, dan lijkt het niets meer op een mug.... en bonzen dichtbij lijkt soms op blaffen veraf.... totdat je het weet.... dan lijkt het niemendal....

Ze slaat de oogen op.... zon! Een nieuwe dag, die over de wereld kwam. Ze zit overeind en uit de roezigheid springt het besef als uit het voorspel de melodie, vandaag! Er kraait een haan, een ander antwoordt, die veel verder is: vandaag! Het is vandaag! Weer kraait een haan en ineens bemerkt ze, hoe stil het nog overigens is, enkel de hanen kraaien, al meer, een wijde boog van helder haangekraai, rondom haar heen, rondom het huis, maar verder geen geluid. Hoe laat mag het zijn? Ze is er al uit en al bij den klok en zóó vlug, dat ze omkijkt naar haar verwoelde bed: hoe kwam ze zoo gauw eruit? Half vier. Haar voorhoofd voelt ze kleverig-klam, het huis bewaarde de hitte van gisteren, gauw wasschen, gauw naar buiten. Als je onderwijl aan wat anders denkt, ben je klaar eer je het weet, nu duurt het lang.... Ze slapen nog allemaal, de afspraak was half vijf elkaar te wekken.... Ze sluipt op haar teenen, wrikt de grendels, voorzichtig, hun kokertjes in.... het huis is open.... O.... is zóó de morgenstond....? Zoo stil en licht.... zoo zonnig en koel.... de vogels zijn nog zelfs niet wakker.... de wind is nog niet op zijn post. Ze gaat het stoepje af.... wandelt het straatje op.... hun huis voorbij.... de gele gordijnen hangen neer.... en de deur staat open.... overal hangen de gordijnen neer, overal zijn de deuren dicht. Daar, boven de huizen van het overpad.... daar staat de zon, de jonge zon, de jonge zon in het blauw.... de lucht heeft smaak.... de lucht is drinken.... Weer kraait een haan.... veel andere geven antwoord.... elkeen heeft toch zijn eigen stem.... die zooeven begon, komt nu achter aan, en telkens meer lijken wakker te worden.... sommige kraaien kort en schor, andere met uithalen als wapperden linten en wimpels in bogen door het gouden blauw. Zij is de eerste in huis die wakker is, de eerste van het pad, de eerste mensch in het heele stadje.... als ze eens de eenige wakkere op de heele wereld was.... de eenige mensch die dit nu allemaal ziet.... en proeft en ruikt.... Wat een gedachte, dat alle dagen, terwijl iedereen slaapt, ditzelfde buiten de huizen gebeurt.... wat de menschen vroeg-in-den-morgen noemen, is goed-beschouwd al laat op den dag! Nu loopt ze weer terug.... voetje voor voetje.... ze kan haar geluk niet op.... ze kwam uit een schaduwbaan in de zon en moet nu even blijven staan.... rondkijken.... diep ademen..... een groene boomkroon vlak bij.... daar was zooeven nog alles stil.... daar roert het zich nu, diep in het gebladerte.... een vogel tjirpt.... de eerste.... de eenige, die met haar wakker is! Nu gaat ze weer hun eigen huis voorbij, en de zon valt op de houten stoep, maar heeft den drempel nog niet beklommen.... het gangetje loopt als een schemerige koker naar achter toe.... ze slapen.... ze gaat den anderen kant nu op.... gelukkig dat de varkensslagerij gesloten is, dat je vieze grauwe en zwarte worsten niet ziet.... vlak daarnaast woont Brons, hij is een vriendelijke, oude weduwnaar, en aan zijn lange dochters is alles rood, rood haar, roode wimpers, roode wenkbrauwen.... maar nu slapen ze.... ze blijft staan luisteren vlak onder het raam, de zon schijnt tegen haar en tegen de gele plankengevel aan.... is er wel iets zoo stil als een huis waar alle menschen slapen? Ja, misschien een huis waar heel geen menschen wonen, maar daar luister je dan ook niet. De witte roosjes geuren, die groeien in den overtuin, zij alleen van alle buren hebben een overtuin.... ze zou er nu best even in kunnen gaan.... Nog geen vier uur in den morgen.... geen tuin die nu al op bezoek van menschen rekent.... ze moet er zelf om lachen.... Alles is vochtig, alles blinkt maar niets beweegt.... het is precies een groote tuin in het klein, zooveel perkjes en smalle slingerpaadjes.... waar komt toch al dat blinkend nat vandaan? De schutting is van buiten bruin maar je ziet er niets van aan den binnenkant, het is een behangsel.... het is een versiering.... nu begrijp je ineens dat de heele buurt die witte roosjes ruikt.... het zijn er honderden, misschien wel duizenden. En hoe anders weer is hun sterk en glimmend groen dan het teere grijs waartusschen vlak aan haar voeten de kleine witte anjers staan.... Zoo sneeuwig-teer de fijn-gekartelde blaadjes en ’t roode streepenboogje over elk vormt juist in het rond een kring.... de dauw is saamgezonken tot een klaren bollen drop, die lijkt gezwollen uit het hart, ja, water gaat naar de laagste plaats, tenminste als het kan.... de rozenblaadjes houden het vast, de blaadjes en de roosjes flonkeren.... er schieten overal kleurtjes uit.... dat doet de zon.... „de zon drinkt dauw”.... je komt dat wel in het leesboek tegen, je denkt dan aan echt drinken niet.... maar waarom zou een mensch geen dauw kunnen drinken.... Haar heele gezicht is al nat, voordat haar lippen een roosje vatten.... voorzichtig, als je stoot valt alles langs je kin eruit.... ze is haar handen, op haar rug, geheel vergeten.... je moet ook uit een roos niet als uit een kopje drinken.... haar lippen tuiten tastend.... nu is het gelukt, nu haalde ze voorzichtig.... nu kwam het in haar mond.... dauw uit een witte roos.... daar kan toch water uit den kraan niet bij halen.... haar heele mond is koel van den dauw, is zoet van den geur, tot in haar keel.

Hoe toch die kleine bloemetjes wel zouden heeten, als schelpjes gebogen en zoo wonder teer gekleurd? Wat hebben ze bij Brons veel verschillende bloemen.... hun heele tuin is één bloemennest, blinkend van nat. Nu heeft ze dauw gedronken.... juist als de zon.... ze is ook opgestaan bijna gelijk met de zon. Ze stond over de bloempjes die als schelpjes zijn gebogen en richt zich nu plotseling op.... een doffe klap.... of was ’t een schot?.... een zachte galm zong door de lucht.... wat mag dat zijn? Het blijft nog even stil.... en ze hoort nu ineens van allen kant de ontwaakte vogels joelen.... wat mag het zijn geweest....? Daar ratelt ineens een kar over de straatsteenen van het overpad.... dat is de kar van de bakkerij.... die werd daareven dichtgeslagen. Hoe alles nu opeens veranderd is! De straat ontwaakt, de wereld ontwaakt.... ze is niet langer meer alleen... Het is de dag, een zomerdag als gisteren was, het lijkt als had de zon een andere kleur.... een anderen klank het haangekraai.... Een ongeduld neemt haar in bezit.... en jaagt haar op.... een ongeduld en een verlangen.... gauw naar huis.... zien of de anderen wakker zijn, het is de dag van de groote tocht....

De straatdeur staat nog open, zooals ze hem liet, de zon is over den drempel gekropen, een eindweegs het gangetje in.... ze loopt op de teenen. Achter de beschotten gaat stommelen en mompelen om.... die komen nu pas uit hun bed, die hebben den dag niet gezien, zooals geen mensch hem ziet, die hebben geen dauw gedronken....!

Half vijf.... er gaan er twee met hun hengels voorbij, die ze niet kennen.... er ratelt weer een kar, nu verder weg.... de hanen houden met kraaien niet op, ze schijnen van moe-worden niet te weten.... maar hoe anders is alles dan het daareven was. Was het zoo heel anders of vertelt ze maar wat? Dat zal hij zelf wel merken als hij ooit om half vier buitenkomt! Brood zonder trek naar binnen te werken.... dat is een kurk te willen duwen in een te nauwe hals.... maar de groote menschen begrijpen van veel dingen het onmogelijke niet....

De wereld die zij voor de anderen zag bestaat niet meer.... maar dit is ook een heerlijke wereld, waarin ze nu buitenkomen, dit heet „heel vroeg” voor ieder die niet beter weet. De zon is hooger gekomen en stort warmte af en alles zuigt zich met die warmte vol en geeft dan zelf weer warmte af. Ze hebben afscheid genomen en lieten Moeder op de stoep.... ze gaan.... ze zijn op weg.... En een diepe adem rijst uit haar op, vliet in eene rilling weg, ze keert als door een blauwe ruimte over een groote leegte terug naar dien dag in April, toen ze thuiskwamen en Vader beloofde... zooals een vogel voorbijroeft door de lucht, zoo ijlt ze vliegensvlug weer naar dien dag en keert zich om en komt weerom, en nu is nu....

Slapende huizen en slapende tuintjes, in hun eigen straatje nog geen mensch die roert.... maar verderop, een man in blauwe boezeroen, in het groene bleekje naast zijn huis waar geen zon nog kwam, over den breeden, grauwen regenbak zóó ver gebogen, dat zijn galgen spannen over zijn rug.... de aker plompt klukkend af in het donker diep.... ze zijn er al weer langs.... een vrouw in muts en jak.... die schuift haar gordijntje open en een lichtje komt bloot.... op een groen hek, in de zon, boven goudsbloemkronen, zit een jongen nog zonder hes, hij timmert, de hamer zwijgt, zoolang zij langs hem gaan. Dit is allemaal wel anders dan anders, maar het is niet nieuw, het nieuwe hebben ze nog allemaal tegoed. Over de brug en op den dijk, daar is ineens de geur van het land, van koolzaad en koeien, van zon die dauw gedronken heeft, een slapend schaduwstraatje buigt de laagte in, aan ’t eind is water, zon en groen. Halt voor den trein.... de lange, starre boomen dalen traag en talmend neer, ze strijken langs het hemelblauw, ze maaien langs het huisjesdak, ze rinkelen in het nederkomen.... het waarschuwklokje zingt, bij de zon en bij den zomer hoort dat geluid, en de wachteres met rood-en-zwarten hoed, met rood-en-zwarten schoudermantel komt haar huisje uit, ze staat naast de klok en leunt op haar vlag en ze kijkt den trein tegemoet. De vrouw alleen staat binnen en zij drieën alleen staan buiten. Ver weg aan den eenen kant zie je de brug, luchtig en hoog in de zon, veel minder ver aan den anderen kant zie je het station, laag en donkergrauw in schaduw, menschjes wippen nog gauw even over en je hoort daar ook de waarschuwklok, veel doffer.... Vader zegt, dat die klokken met elkaar onder den grond verbonden zijn.... Het is wonderlijk, maar ze kunnen toch niet luisteren.... een uit de verte aankomende trein, die daar dadelijk langs je heen zal gaan.... dan kan je aan niets denken.

Wat is hij al dicht-bij, je kijkt precies tegen zijn buik en die groeit terwijl je kijkt, die dijt in het vierkant uit, omdat de trein al nader komt.... Denk nu eens even dat je midden op die rails stond vastgebonden.... hè, het schokt door je heen.... maar neen, je staat veilig, naast Vader, achter de boomen, die gesloten zijn, je wil toch wel Vaders hand een beetje stijver knijpen.... Denk nu eens even dat de trein van de rails afsprong, ineens, dat noemen ze dirreljeeren, het is een woord van verschrikking vol, een woord om benauwd van te droomen.

Onder de seinpaal en de bocht vloog hij al door, even was hij weg, nu zie je hem ineens veel grooter en heelemaal in de zon, een woest, trotsch, sterk dier, dat aangerend komt de kop omhoog, de buik vooruit.... hoor het donderen, het rammelen, al het geweld.... hij komt.... hij is er nog niet.... is er nog niet.... is er nog niet.... Je zegt dat al harder, in je zelf en je moet er van slikken, zoo klopt je hart.... hij is er.... hij ging vlak langs je oogen, maar boven je oogen bliksemend en zwart en rukte de rammelende wagens voort en alles trilt en beeft.... je kijkt hem na en ziet in ’t rookend stof een vierkant dat duizel-snel verkrimpt.... ze hebben toch gauw zijn naam gelezen: hij heet „Pygmalion.” Naar wie of wat zou die locomotief zoo heeten? Ze vragen het elkaar en Vader in het verder gaan. Er zijn er met namen van dieren: Schorpioen, Muis, Egel—, er zijn er met namen van admiraals: Olivier van Noort, Michiel de Ruijter, het staat in gouden letters op elke zij, en gouden randen zijn erom.... maar wat zou „Pygmalion” wezen? Zou het mensch zijn, Vader, of een dier? Een dier, denkt Vader, een „mythologisch” dier, een dier uit de fabelwereld.

De vogel Rok, de visch die Leviathan heet, die rondom de aarde ligt, met zijn staart in den bek.... het dier Pygmalion.... Ze ziet het ineens, het loopt op lage pooten, veel meer dan vier en heeft een snavel die lang, maar niet puntig is! Wat weet Vader toch veel—, zou er eigenlijk wel iets zijn dat Vader niet weet?