Avontuurtjes

Part 4

Chapter 44,308 wordsPublic domain

Ze gaat den weg langs het huis, aan den smallen schaduwkant, die even hoog is als de sloot en vlak erbij en daardoor altijd vochtig, en is dan meteen in de kweekerij, daar vindt ze meestal Kleij, met zijn ouden en zijn jongen knecht, want Kleij is zoo vlijtig als een man uit een boek, hij werkt den heelen dag. De tuin ligt in de zon en ziet er heerlijk uit, er is een breed middenpad en aan weerszijden groene vakken, achterin kassen en dan weer bloote vakken tot de heg toe, die geen echte heg is, omdat hij niet leeft, maar een vlechtwerk van taaie takken, waar doorheen je de dwarssloot blinken ziet. Aan den anderen kant daarvan is het land met de koeien en op de glooiïng zie je nauwelijks gras, zoo wemelt het daar van blinkende boterbloem en groote madelieven. Ze weet precies waar de soepgroente staat en loopt er rechtstreeks heen, langs de jonge sla, waarvan de blaadjes tegelijk zoo teeder zijn en zoo stevig staan.... langs de donkerder en grover spinazie, langs het fijne wortelloof, dat zoo lekker ruikt.... de tuinboonen bloeien ook al, maar aan dien bloesem is geen geur.... Warm en droog voelt het vastgetreden pad, na den vochten modder van daareven, het waait van wijd-uit om haar heen, tuingeur en weidereuk en ze rilt in de zon van de heerlijkheid. Waar Kleij mag zijn.... ze ziet hem nog niet, blijft staan en kijkt eens om.... er zitten menschen in de veranda aan den achterkant van het huis, boven het kleine bloementuintje, er is visite, misschien iemand jarig? Ze kijkt gauw weer voor zich uit, want Kleij komt langs het pad, haar achter-op. Ja, er is stellig iemand jarig, want hij heeft zijn gewone broek niet aan, ook niet zijn Zondagsche, maar evenmin zijn daagsche. Zelden ziet ze hem hooger dan zijn horlogeketting, bijna nooit kijkt ze hem aan, ze is een beetje bang voor hem.... Prrt.... daar vloog een zwaluw boven haar hoofd, het land in, zie hoe hij glanst.... en je hoort hem nog ver, want o, het is zoo stil.... hier ben je ook heelemaal buiten, midden-in het land. Wat zou het nu heerlijk zijn, als Kleij eens wat zei, of als je eens wat vragen dorst, zoodat je te weten kwam, waarom de peterselie juist hier staat en de spinazie juist daar, en waaraan je ziet of de worteltjes groot genoeg zijn.... maar hij zegt nooit een woord.... en nu ook, nu hoor je alleen zijn mes, dat door de gladde steeltjes roeft, terwijl zijn groote, roode hand de blaadjes bij elkaar gevangen houdt.... die bewegen daardoor nog in het mandje, alsof ze leven, tot ze weer los en uit elkaar gesprongen zijn. Nu de selderie.... je ruikt onmiddellijk het verschil.... en ze denkt ineens aan thuis en aan de soep.... Er tjirpen overal vogels, die je niet ziet....

Achter Kleij loopt ze nu het tuinpad weer over en naar het huis, dat donker lijkt, zoo uit de zon gezien, kijk, een mooiere jas dan anders heeft hij ook aan! Ze gaf een gulden, want Moeder had geen ander geld, en ze moet nu wachten, terwijl hij wisselen gaat. Er zitten drie juffrouwen en een heer in de veranda, en op de tafel staan glazen.... en advocaat.... en limonade.... en koekjes.... schuimpjes, wit en rose, hoog boven het trommeltje uit.... Kleij zei vlug een paar woorden, terwijl hij de veranda door naar binnen ging en ze kijken naar haar, ze merkt het wel, al doet ze alsof ze niet kijkt naar hen. Ze ziet alles.... in de limonade drijven week-rose propjes.... het is eigengemaakte frambozen-limonade.... wat treft ze het.... o, wat treft ze het! En schuimpjes.... haar mond wordt vochtig.... zou ze er twee krijgen of maar een.... zou ze een rood kiezen of een wit.... zouden ze haar een vol glas of een half van de limonade geven? Moeder schenkt ook wel eens de glazen halfvol als ze met veel ineens komen invallen, op sjabbosmiddag, anders is er te kort....

Wat heerlijk dat Moeder geen kleingeld had.... en als Kleij nu maar niet te gauw met het wisselen klaar is, want al doet ze alsof ze enkel naar de viooltjes kijkt, ze ziet heel goed, dat nog geen van de drie juffrouwen haar handen uit haar schoot genomen heeft.... wat wachten ze lang met presenteeren! „Kom eens even hier, jij.” Ha, eindelijk—en nu is ook meteen dat kijken en fluisteren gedaan.... ze is de trapjes al op, tot vlak bij den heer, of eigenlijk is het maar een heerachtige man, die haar riep en ze ziet nu nog beter de limonade, en de schuimpjes boven het trommeltje uit. En elk heeft er nog naast zijn glas op het schoteltje liggen ook!

„Kom je hier elke week....?” Ze knikt: „ja, meneer!” „Dan weet je zeker ook wel wat de naam van dit huis beteekent?” En of, en daarvoor hoefde ze niet hier te komen, dat heeft ze wel geleerd op het Joodsche School. „Eben Haëzer,” „Steen der Hulpe.” De vrouw het dichtstbij trekt een mond en kijkt naar die naast haar zit, en die haalt de schouders op. Ze krijgt een gloeiende kleur. Zou het fout zijn? En ze weet zeker dat het goed is! Ze hebben het nog maar kort geleden geleerd, bij de geschiedenis van Samuel. Nu praat de man: „Eben Haëzer”, „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen,”—en de vrouwen knikken, alsof hij het weet en zij een stommerik is! „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen”.... goed en wel, dat dachten ze erbij, of misschien zeiden ze het erbij, maar dat beteekent het niet. „Eben” is steen en „Eben Haëzer” is „Steen-der-Hulpe.” Ze zegt het niet, ze denkt het alleen, ze hoort maar half wat de man nu verder tegen haar zegt, ze moet aldoor naar de limonade kijken en naar de koekjes en naar de handen van de juffrouwen, maar die blijven in haar schoot. Ha..., daar gaat eindelijk een paarse arm—er is een paarse, een bruine, en een groene juffrouw—naar de tafel toe, maar ach.... de arm gaat niet naar een der leege glazen, en ook niet naar de flesch, en ook niet naar het trommeltje, maar naar haar eigen glas.... en ze neemt het op en ze drinkt er een héél klein slokje uit en zet het weer neer en de paarse arm gaat weer terug naar de paarse schoot en de gele hand ligt weer stil over de andere gele hand.... De man, die haar overhoord heeft, wenkt nu met zijn hand: ze moet de trapjes weer af, ze keert zich om en haar rug wordt ineens gloeiend warm, omdat ze voelt dat ze zoo kijken.

Ze moet haar mandje neerzetten en haar twee handen ophouden, onder de eene van Kleij; onder den zwaren stroom van heete centen en halfstuivers breken ze bijna van elkaar.... gauw haar rok in de hoogte, in haar onderzak ermee.... hij is niet erg schoon.... ze hebben twee maal dropwater gemaakt van de week.... en juist vandaag draagt ze hem voor ’t laatst, eer hij in de wasch gaat. Ze wil nu heelemaal niet meer opkijken naar de menschen in de veranda en gaat maar gauw en zonder groeten weg, gauw den tuin uit, gauw het huis langs.... ze voelt een branden overal in zich van teleurstelling en schaamte en akeligheid.... hoe had ze kunnen denken, dat ze haar niets, niets-niemendal zouden geven....! Iemand die er bij staat, laten toe-kijken.... waar werd het ooit vertoond? Hoe krijg je het in je hoofd.... je zoudt het niet gelooven, als je het las in een boek.... nu ja, je leest wel erger, maar dan van slechte menschen, van wat je „misdadigers” noemt....

Ze holde het schrikding zonder erg voorbij en is het Roomsche pad al op.... schaamte en teleurstelling trekken uit haar weg.... maar het andere blijft.... de verbazing dat zulke dingen bestaan, dat er werkelijk menschen leven in de wereld, geen „misdadigers,” maar gewone menschen, nette menschen, welgestelde menschen, menschen met mooie kleeren en broches en horloges.... die bij een volle tafel zitten en een ander laten toe-zien, heelemaal laten toe-zien. Ze zal er een eed op moeten doen, eer ze haar thuis gelooven, maar het is eigenlijk te akelig om er met anderen over te praten....

HET NIEUWE PARK

In alle huizen aan den eenen kant van de straat staan de dakraampjes open als een lange rij van gapende monden en steken lange, dunne tongen, de vlaggestokken uit. De allerlangsten duwen het rood van de vlaggen het boomengroen binnen, het fonkelt tusschen de bladeren en lijkt er nog vuriger door. De vlaggen hangen zonder plooi of kreuk, omdat ze zoo zwaar en vol van den regen zijn, die na het onweer vallen bleef, den heelen nacht door, dat was een klaaglijk zingen en suizen in de duisternis. Het leek of de dag bederven moest, maar met den vroegen morgenstond ontwaakte een machtige wind, hij duwde alvast in het Oosten wat wolken opzij, en maakte ruim baan voor de zon. Die kwam in het open gat voor den dag en plotseling leefde de heele wereld van schittering in licht, en rilde van zilver, van goud en van groen, het leek of de regen ervan schrok, zoo wonderlijk ineenen, met een schok, hield hij op en het werd zoo gek-stil, je hoorde elken verdwaalden droppel vallen. Maar de wind bleef aan het werk, geweldige opruiming hield hij aan den hemel, hij bezemde zoo gauw, je kon niet zien waar de wolken bleven, al maar meer zuiver donker blauw kwam open en bloot, en op school mochten ze zingen zoo hard ze wilden „Ho-jo, Ho-jo, de wind steekt op....!” en half-overeind staan in de banken en elkaar de groote wolken wijzen die in een vaart hals-over-kop naar beneden kwamen tuimelen, zóó als de wind ze op de hielen zat, en dat gebeurde allemaal in het reken-uur, maar het is ook geen gewone dag vandaag....

Het Park wordt geopend, vandaag voor het eerst, om drie uur vanmiddag en iedereen mag er dan in, want het hoort van iedereen, omdat mijnheer Westerling het aan iedereen gegeven heeft. En gelukkig beleeft hij nu ook zelf, dat het geopend wordt. Hij is heel oud en beloofde het al toen hij zijn gouden bruiloft vierde, lang geleden in Januari. Hij is de oudste en de rijkste mijnheer Westerling en iedereen noemt hem Kees. In de groote eerepoort tegenover zijn huis, met de hooge bordessen en de ruiter-beelden staat het zoo-maar „Leve Kees.” En dat mag! En zoo vreemd doen nu soms de groote menschen! De armste mannen op straat noem je nog behoorlijk bij hun achternaam, die maar een beetje fatsoenlijk is, heet al mijnheer, althans in zijn Zondagsche jas en de rijke heeren Westerling hoor je bij hun voornaam noemen. Iedereen doet het, het mag, ze weten het zelf heel goed, zegt Vader, en worden er niet kwaad om! Ze heeten Kees, Geert-Jan en Siem, zelfs geen mooie of deftige namen hebben ze en zijn toch heel voornaam en wonen in de allermooiste huizen, de haven hoort van ze, en al het hout hoort van ze en als je eens even probeert te denken dat ze er heelemaal niet zouden zijn, dat er geen Westerlingen aan den Breeden-weg zouden wonen, dan voel je pas hoe onmogelijk dat is....

Er is ook een oude dame, de zuster van Kees, Geert-Jan en Siem, die noemen ze maar gewoonweg Ma, dat is een ouderwetsche afkorting voor Marie, maar de meiden uit den polder willen niet eens meer zoo heeten, je moet Marie of Mie tegen ze zeggen! Kees is de oudste, Geert-Jan de deftigste—een mooie heer met groote snorren en prachtige witte boorden om!—Siem de vriendelijkste en „Ma” de vroolijkste, ze is een „oude vrijster,” ze woont in een laag, lang huis waar een zilveren visch zwemt in zilver water, boven de deur, „De zilveren Zeelt” en heeft een équipage, Kees en Geert-Jan hebben elk twee équipages, één met twee paarden en een met één, Siem heeft er een, net als Ma,—ze heeft een stem als een man en lacht en praat heel luid over straat en laat haar hoed, een groote zwarte, met paarse bloemen en zwarte linten, aan haar arm bungelen, niemand draagt zoo’n hoed en niemand die zoo doet—de menschen zeggen dat ze in den tuin op klompen loopt!—maar niemand lacht haar uit, niemand zou daaraan denken.

In alle straten bijna hangen vlaggen, ze strijken uit de dakramen langs de huizen neer, uit lage huizen reiken ze tot vlak boven den grond, breed-uit hangen ze tusschen het huis en den boom ervoor en ze maken meteen van zoo’n boom een prachtige, groene versiering, het lijkt ineens alsof de boomen er niet altijd stonden, maar pas neergezet zijn, toen de vlaggen werden uitgehangen. De menschen zijn mooi gekleed en loopen door de straten en zullen straks allemaal naar het Park gaan. Zij ook, ze moet alleen maar even schortebont halen, en nog allen tijd, haar nette jurk heeft ze immers al aan. De Duitsche muzikanten zijn er ook, en het is niet eens hun dag, hoe zouden die menschen te weten zijn gekomen dat vandaag het Park geopend wordt....? Alles is heerlijk en feestelijk, anders dan Zondag, want Zondag is saai, anders dan kermis, want met kermis wordt gevochten, anders dan de schutterij, want wie zou daar nu voor vlaggen! In de zij-straat zonder boomen waar de winkel is lijken de vlaggen veel minder mooi....

De juffrouw moest het schortebont nog laten halen, uit het magazijn, maar het is vlak-bij en ze wil best even wachten, in de open deur. Deze straat is wel kaal zonder boomen en ook te breed voor de kleine, lage huizen, het waren er vroeger twee met een water ertusschen dat nu is gedempt, en het is er altijd een beetje Zondag-achtig en de menschen kijken of ze uit de kerk komen, maar hij loopt uit in den Breeden-weg, juist waar de stalhouderij inspringt tusschen de andere huizen. En daar is een drukte en een fonkeling in de zon! Een komen en gaan van rijtuigen, voortdurend. Weer een draaft aan, zwenkt het gele pleintje op, nu komt het oogenblik dat het plotseling aan alle kanten vuurschiet en bliksemt.... nu stort het zich in donker en dooft uit. Er is iets dat vreemd is en niet heelemaal prettig aan het uit-elkaar-nemen van paard en rijtuig. Dravend op straat lijken ze samen één ding, dat je liever in elkaar zoudt moeten laten. Het paard stapt weg, hoog naast den kleinen man, de blauwe arm lijkt tegen den opgeheven bruinen kop te rusten, de lange boomen nikken naar de straat, de vigelante is ineens een ander ding, het leefde en is nu dood. Hoog uit den gevel, boven de poort, staart de paardekop neer op alles wat gebeurt, met groote oogen....

Nu eens kijken naar den anderen kant. De naaste buren hebben een prachtige groote vlag, zoo zie je geen tweede in de heele straat, die oploopt en vol zon staat in de verte.... het huis is geel met hoekraam en poort en boven voor het venster zitten kinderen trotsch te kijken naar hun vlag.... De lucht ruikt naar vanilje telkens als de wind wat sterker wordt, die komt van den overkant, waar heliotroop onderlangs een hekje groeit.... de straat is breed, toch zie je het bleeke, teere paars.... nu ruik je het niet.... en nu weer wel.... je proeft het tot diep in je keel, zoo zoet. Korte, knallende geluiden maakt de vlag, een breede roode zoom flapt om en zit als vastgeplakt, veel minder vurig dan het enkele is het dubbele rood. En zie, nu rijst de heele vlag de hoogte in, langzaam vaart hij op en het wit komt naar voren gebold tusschen het rood en het blauw, de roode zoom raakt los en rolt weer uit, de donkere klad is weg en al het rood straalt ongeschonden vurig.... Dat doet nu allemaal de wind, hij is achter de vlag en beurt hem als met twee handen onder het rood en blauw de hoogte in en blaast terwijl als uit een mond middenin tegen het wit, dat het zoetjes naar voren bolt.... het gaat niet licht, het moet wel moeite kosten, de vlag is ook zoo volgezogen, zwaar van nat, dat je glinsteren ziet, maar hij rijst toch al hooger en hangt half schuin, de zon schijnt er door.... Blauw is het mooist in de schaduw, rood in de zon. Moet je nu eigenlijk altijd maar blijven zeggen, dat de wind onzichtbaar is? Je ziet hem nu toch duidelijk de vlag in de hoogte beuren.... Zie je nu enkel een vlag of zie je ook wind? De kinderen aan het raam hebben pret, een oude bleeke dame is bij ze komen staan, die kijkt over hun hoofden naar de vlag, ze ziet hem in de hoogte varen.... ze is in huis en kan den wind niet voelen, ze zou niet kunnen weten dat het waait.... maar ze ziet het, dus.... ze ziet den wind.... en kijk.... dan kun je toch ook niet zeggen dat de wind onzichtbaar is...! De vlag is niet hooger gekomen, bleef even roerloos, en zakt nu weer, het wit kruipt tusschen het rood en blauw terug, vlak hangt de vlag, en recht naar beneden. De kinderen lachen, wijzen, praten met de oude dame. Zeggen ze misschien hetzelfde dat zij denkt? Dat zoete in haar keel is nu niet van de heliotroop alleen, het is er altijd als ze voor moeilijke vragen een antwoord vond.... Hoor in de verte de muzikanten! „Lang zal hij leven”—spelen ze en de menschen zingen mee! Er gebeurt toch niet iets waar zij niet bij zou zijn? Hollen op een draf, den hoek om, en ze ziet het voor zich uit. Wimpels wapperen, alle kleuren tegen het blauw, bijna rechtstandig de hoogte in.... de muzikanten spelen en de menschen zingen rondom en ònder de hooge eerepoort.... ze zijn al aan het „hiep-hiep-hoera....” gauw-gauw.... als je je voorstelt dat je aan het hoepelen bent—want je hoepel trekt je mee!—kun je dadelijk veel harder loopen!

Haar hart hamert als met rukken, het doet bijna pijn en water welt onder haar tong. Zooals ze ook rende—, in niets, in een oogenblik, dien heelen afstand, verwonderd kijkt ze even om, daarginds was ze zooeven en nu staat ze hier!

Midden in den tuin blinkt het vierkante, witte huis. Altijd is het in den zomer boven deuren en ramen, met een kleurigen breeden band als rondom omwonden, dat zijn de balkons die bonte bloemen dragen, maar nu is het voorbalkon nog apart versierd, er hangen fleurige slingers af, die schommelen zacht en heeten bloemfestoenen en „bloemfestoenen” is een mooi, een heerlijk, bont, een zoet en zonnig woord. Op behangselpapier heb je ze soms, bloemfestoenen, zoodat je dan plotseling in den winter den zomer voelt. Tegen den rand staan „Kees” en Mevrouw en hij zwaait met zijn gelen hoed, wat lijkt die midden in de lucht toch klein, hij is nu niet in het grijs, maar heelemaal in het zwart.

Gaan ze weg, de muzikanten en de menschen, kwam ze nu toch net te laat? Er is beweging van onzekerheid, schuifelen, kijken, zachtjes lachen. De muzikanten weten ook niet recht.... en lachen ook zoo’n beetje onder elkaar, maar brengen dan toch de stralende trompetten, de zwarte, zilver-beslagen fluiten weer naar den mond en stellen zich stevig op de beenen, de gezichten heel ernstig weer ineens. Daar staat zij in een groot gedruisch van muziek en gezang.... „Lang zullen ze leven....” ze wil meezingen, maar er komt geen geluid, rillingen ritsen over haar hoofd en haar oogen zijn ineens vol tranen....

Ze gaan, met Vader. Moeder kan niet mee, ze heeft het te druk, ze moet het bontgoed verstellen. Moeder houdt ook niet van volte op straat, liever gaat ze aanstaande Sjabbos na sjoel-tijd met Vader alleen. Zeg, is het niet grappig dat we iets dat we nog nooit van ons leven zagen, telkens in het klein voor onze oogen zien, precies en precies zooals het is? Dat komt door de teekening in het Woensdagsche krantje die Vader lang geleden uitknipte en zorgvuldig bewaarde, want die teekening kennen ze uit hun hoofd, ze hoeven hun oogen maar dicht te knijpen en alles staat erop, het heele park, de Oost-poort en de West-poort en het „heuveltje” en de „muziektent” en het „paviljoen” en de „vijver” en dat zullen ze dadelijk allemaal zien in het echt, en het Park is ontzaglijk groot, het is een H.A., en al die grond hoorde van „Kees” Westerling, die heeft het gegeven, aan allemaal samen, met de boomen en de bloemen en het gras en alles....

De klok heeft nog geen drie geslagen, de groote hekken zijn nog dicht, de spijlen mooi met drie-kleur-lint omwonden. Zij staan met heel velen voor de Oost-poort, verderop zie je de menschen voor de West-poort staan, die staan aan den kant van het spoor, zij aan den kant van het water. Zooals zij naar die menschen kijken, kijken die menschen nu stellig ook naar hen en herkennen hier geen gezichten, maar daarginds van elkander wèl, net als zij van elkander hier. Er zijn er veel die ze kennen; van de menschen hier tot aan de menschen ginds zie je rijen, rijen ijzeren spijlen, zoo lang is het hek, zoo groot is het Park. Alle menschen zijn ongeduldig, alle menschen verlangen, alle menschen kijken naar de klok. Wat komt het goed uit dat de toren vlak bij is en dat de zon juist op de wijzerplaat schijnt. Je moest eens zooveel geduld hebben om tien minuten lang te blijven kijken, dat je den grooten wijzer ziet loopen naar de twaalf! Zullen ze het eens probeeren? Maar Vader trekt ze bij de hand, ze moeten zeker ergens anders naar kijken. Achter het hek, in het Park, over de nieuwe witte paden, loopen plotseling menschen, die waren er zooeven niet, die komen uit het Paviljoen, het is blinkend bruin met veranda’s rondom en het staat midden op een plein van grint, dat lijkt wel haast sneeuw, zoo nieuw.... het zijn „Geert-Jan” en „Siem” en de mevrouwen, en „Ma” en de dochters van Geert-Jan en van Siem en de getrouwde zonen ook, dat zijn zelf al groote heeren.... die twee jongens in witte pakken zijn kleinzonen van „Kees,” die wonen hier niet.... De menschen rondom wijzen naar binnen, de meesten kennen ze wel, zij-zelf ook, maar toch niet allemaal.... wat doen ze nu al in het Park, Vader? Er is een „feestmaaltijd” geweest in het Paviljoen, en zij zijn de „genoodigden.” Hoe zou dat wel voelen, om „genoodigde” te zijn? Het is net alsof je ineens nog meer verlangt, nu je al die anderen, die genoodigden, daar lachend en pratend en kijkend ziet loopen. Je voelt een prikkeligheid en telkens gaat het zoo raar door je hoofd en over je rug.... het duurt wel lang, maar het zal en moet toch gauw gebeuren. Eer het „vanavond”. is, eer je weer een boterham eet, eer je weer thuis bij moeder bent, eer er iets anders, wat ook, gebeurt, zijn de hekken open gegaan en ben je erin geweest, het gebeurt van alles wat er verder in je leven gebeuren zal, het allereerst! Al maar meer menschen, hier en ginds; die van den spoorkant kwamen, blijven aan de Oostpoort staan, maar zij met Vader wachten voor de Westpoort, bij het breede, blauwe water, want over de brug zijn ze gekomen.

Daar komt een heer.... je hoort zijn voeten over het witte grint.... hij loopt vlug naar het hek.... en van den toren komt tegelijk de eerste slag, hij is bij het hek en wacht met de hand aan de drie-kleur-strik en lacht naar de menschen die binnen zijn, de „genoodigden,” de tweede slag.... de derde slag.... de strik is los, de linten zijn eraf.... wijd wijken de helften van het hooge hek vaneen, ze mogen in het Park... ze zijn in het Park.... door het andere hek zie je gelijktijdig de menschen verdwijnen. Wat ruikt het dadelijk veel lekkerder in het Park dan buiten op den weg. Theerozen.... meloen.... je zoudt het niet kunnen zeggen, het is fijn en zoet.

Ze willen wel dadelijk de teekening herkennen, maar dat kan niet, het Park is zoo ontzaglijk groot. Ja, als je nu, zegt Vader, met een luchtballon er boven kon zweven, dan ging het wel, dan zou je het heele Park zien als de teekening in de krant en veel mooier, in wit en groen en vijverblauw. Dan waren de bloemperken bonte vlekken en keek je op het dak van het Paviljoen, daar verloor je bij! En daarom is het dan ook maar goed dat ze niet in een luchtballon zitten—, daar heeft Vader gelijk in. Ze willen nu eerst het Paviljoen bekijken.... Boven tusschen de bruine spijlen van de veranda is het hout als kant zoo fijn besneden en uitgeschulpt in bogen en van elken boog hangt een rotsachtig mandje vol bloemen en groene sprieten af.... Zou dat versiering zijn, Vader, of zou dat blijven? Dat blijft.... maar de dikke slingers tusschen de spijlen, van sparregroen met versche rozen bestoken, dat is versiering, dat gaat weg. Kijk.... een gedekte tafel binnen in de groote schemerige ruimte.... er loopen knechten.... je hoort gerinkel.... daar is de „feestmaaltijd” van de „genoodigden” geweest en een heerlijke reuk van meloenen komt naar buiten. Verleden jaar was dit alles nog weiland, met koeien erin! Kunnen ze dan die grindpaden zoo maar maken.... kunnen ze dan zoo ’n heel park maar maken? De banken zien er zoo glimmend uit, je kunt haast niet gelooven dat ze droog zijn.... de menschen voelen met hun vingers, eer ze durven zitten gaan, maar ze geven niet af. Straks gaan ze ook zitten, maar eerst willen ze alles zien.