Part 10
Ze hebben iedereen een hand gegeven en iedereen nog veel jaren gewenscht; er staan nu groote glazen limonade, er liggen dikke gele stukken boterkoek op schoteltjes naast ze in de vensterbank,—Roos en Schoon presenteerden hun ook en daarom vinden ze ze lief, juffrouw Heilbron geeft kinderen uit de trommel met haar eigen hand, alleen de groote menschen mogen nemen, maar ze is toch evengoed aardig. Gedurig hebben de menschen pret, hun lachen en praten gaat door elkaar, en verwart zich en komt weer in orde, het rechte van wat ze bedoelen kunnen ze toch niet te pakken krijgen, maar het is om iets van Roos en Schoon, want iedereen kijkt naar hen en ze lachen het hardst, hun wangen glimmen, de gouden kettinkjes op hun japonlijf schudden mee, ze lijken wel veel op elkaar, maar Roos is de oudste, de dikste, de kleinste, de donkerste, als ze lacht is ze precies haar vader. Ze luisteren scherp als Levie Heilbron praat, maar hij schijnt werkelijk op Jomtof niet te vloeken. Ouden Manus Manus hadden ze bijna niet herkend in zijn mooie nieuwe pak, hij zit ook in het hoekje tusschen kast en schoorsteen in en ze zeiden als tegen een vreemde „nog veel jaren, meneer”—tot hij ineens met kleine oogjes zat te schudden van het lachen. Iedereen ook buiten de kille noemt ouden Manus Manus bij zijn vollen naam, en niemand weet precies waarvan hij leeft, maar druk heeft hij het in geen geval want je kunt niet over de markt komen of langs de kade bij de booten gaan zonder hem tegen te komen. Hij maakt met iedereen een praatje en krijgt van iedereen een sigaar, die stopt hij eerst in zijn zak en dan gaan ze thuis in een kistje—, heeft hij dan later zelf eens visite—want hij is toch in elk geval „balboos” en zijn vrouw heet dikke Es en het ziet er netjes bij ze uit—dan presenteert hij uit dat kistje, groote en kleine en lichtbruine en donkerbruine, alles, zegt Vader, ligt er door elkaar, alles wat hij weken lang op straat heeft ingezameld! Zoo weet je nooit wie-zijn sigaar je rookt. Hij heeft een gezicht alsof hij alleen aan malle dingen denken kan en nam nu in dien korten tijd zijn derde stuk boterkoek. Die pakt hij van de schaal. Daar moet je toch maar weer groot-mensch voor zijn. Als zij nog een tweede stuk krijgen, zullen ze het voor vanavond thuis bewaren, want Moeder heeft dit keer niet veel gebakken.... Maar ze mogen niet met opzet lang blijven om twee keer gepresenteerd te worden. Het is hier anders prettig genoeg.... de roode dalia’s, het strakke glanzende breede water, de bonte boomen aan den overkant, de heele wijdopen wereld voor hun oogen uit buiten het raam, de „simge” van den Jomtof binnenskamers, de lekkere reuken, kippesoep en warme taart, op straat het daagsche leven, hier het verborgen feest....
En Heilbron houdt de menschen tegen als ze willen gaan, de mannen moeten blijven tot de middagsjoel, dan gaan ze allemaal tegelijk, dan heb je meteen al Minjan! Hoor hem nu schreeuwen, commandeeren.... in den witten glinsterkrans van haar zie je zijn kale maan nog rooder zwellen.... want Moos en Meijer Weijl, de vrienden van Barend en Ies, zijn opgestaan.... en ze lachen verlegen.... ze moeten nog verderop, nog meer visites maken.... maar hij wil het gewoon niet hebben.... zou hij.... zou hij.... nu misschien toch nog vloeken gaan....? maar ze zitten alweer en Roos schenkt in en Schoon gaat rond met trommel en schaal en komt ook bij hen en ze kijken elkaar even aan en bedanken.... want dat moet. Maar Heilbron heeft het zelf gezien.... en een God-zal-me-liefhebben vloog al half uit zijn mond.... eer tante Naatje sjt kon zeggen.... hij vloekt nu niet, maar ze moeten nemen, neen, hij deelt.... zijn dikke hand grijpt in de schaal en legt er twee voor elk neer op hun leege schoteltjes. O, het is hier altijd zoo volop Jomtof.... en al praat je niet mee.... al versta je niet alles.... al begrijp je niet goed.... je zit zoo lekker en je ziet wat ieder eet-en-drinkt en hoeveel ieder neemt en je kijkt naar hun kleeren en naar hun gezichten en naar hun heele doen-en-laten, en naast je staat je boordevolle glas, je rijkbeladen schoteltje en buiten bloeien de bloemen over het water, het rood straalt tegen het blauw.... de bonte boomen aan den overkant.... de zon.... maar stadig loopen de uren van den dag, je ziet, je voelt aan alles dat het later wordt en bijna is het tijd voor middagsjoel....
Tegen den middag is het licht van kleur verschoten, er vallen lange, bleeke stilten in, de horizon trekt dichterbij en uit de aarde welt de nieuwe dauw. De dag bloeit uit.... Zoo is van ieder ding dat heerlijk was de tweede helft, zoo is ook elke Sjabbos na de middagsjoel, maar over dezen middag ligt een glans, omdat de Jomtof overnachten blijft en morgen-ochtend weer zal zijn als de ochtend was!
Ze wachten na het bellen op den stoep, naast den gesloten winkel, en leunen aan de lauwe gladde deur en vangen uit de verte vleugjes haangekraai en zien de straat in zachte ronding naar het water glooien, waar bij den steiger aan het eind de boot op weggaan ligt, en hooren van ver-weg een andere boot en snuiven in den wind vanwaar hij komt, en zeggen niets en tuimelen bijna achterover in het portaaltje, maar houden gauw hun schateren in, want juffrouw Krant is in het Owel-jaar....
De kamer is een witte overvloed van licht, na engen schemer op de trap.... tusschen het open witte licht buiten en het besloten witte licht binnen staan de ramen, helder en dun, fijn overspreid met de kanten gordijnen.... wit licht straalt van het witte kleed dat over tafel midden in de kamer ligt, en ze moeten het in het voorbijgaan naar hun stoelen even aaien, zoo mooi en glad als het is, hun toppen tasten naar de strakke, koele bloemen, die in het keeren van hun hoofd geleidelijk van grijs tot zilver opengaan.... Een stille Jomtof is het hier.... maar juffrouw Krant is heel blij dat ze kwamen. Sinds haar man stierf, sinds Vader haar boeken bij-houdt voor haar, komen ze vaker dan vroeger, men moet de rouwbedrijvenden toch troosten.... In de Sjiwwe zijn ze ook menagem-owel geweest en hebben haar eenzaam zittend op den grond gezien, ze treurde alleen, want kinderen zijn er nooit geweest en hij was de laatste uit zijn eigen huisgezin. Vader kwam ’s avonds kaddisj zeggen: hij liet geen eigen kaddisj na. De sjiwwe ging voorbij, toen kwam de sjlousjiem, ging ook voorbij, nu brandt alleen het kleine licht, dat blijft het heele jaar, en wordt daarna nog ééns elk jaar ontstoken, zoolang zij leeft, dan is het uit, dan wordt hij niet meer op de aarde herdacht....
Het was een tafeltje vol bonte vaasjes, gekleurde popjes, blauw en rose porceleinen beestjes, waar nu alleen het lichtje staat, een lang goud peertje recht op kleine steel omhoog en bloot in het witte kamerlicht, op het tafeltje wit-gedekt en verder leeg en onder zijn portret. Haar oogen gaan door de kamer dolen.... en sporen de vaasjes, beeldjes, porceleinen beestjes op.... ze zoeken elk en vinden ze een voor een, elk op een vreemde plek. Zullen ze, als het Owel-jaar voorbij is, weer op hun oude woonplaats bij elkander komen?
Het is een stille, bleeke Jomtof hier.... geen warme lekkere etenslucht, geen koek of drank, geen spat, geen kruimel op het witte kleed, niets dan het zwarte magser, waaruit ze las.... misschien is er den heelen dag nog niemand geweest! En toch voel je den Jomtof wel en duidelijk zelfs.... en juffrouw Krant draagt al is ze alleen, haar mooie zijden japon, met de lange kanten over haar witte handen, met het goudbewerkte plooisel om den hals, en onderuit haar glanzende beste bandeau hangen haar prachtige bellen en haar witte zakdoek ligt tusschen haar handen in haar schoot. Ze zit bij de tafel en ze praten—zoo hoort het ook, niet dadelijk presenteeren!—ze heeft eerst naar Moeder gevraagd en toen moesten ze opstaan en zich omkeeren om hun nieuwe goed te laten zien en ze moesten vertellen of ze allebei met Vader vanmorgen sjoel zijn geweest en of ze op joum-kippoer vasten zullen.... en nu zitten ze stil en zeggen eventjes niets.... en nu gaat ze zeker dadelijk naar de kast. Ze zitten een heel eind hooger dan de straat, dat is alleen maar hier.... ze zien de boveneinden van de huizen in het witte licht, ze zien op de schuiten die over het water komen, en alles lijkt anders dan als je beneden bent.... zoo veranderen altijd de dingen naar waar je staat en nooit raak je aan de wereld uitgekeken.
Ruischend komt juffrouw Krant overeind uit haar stoel, maar blijft nog staan. „En wie zijn er alzoo vanmorgen opgeroepen?”
Vader! Vader ook....! En dat is waar, en wat heerlijk is dat om te mogen zeggen: „Vader heeft aan u ook een miesjebeirag gemaakt en....”
Ze zeiden het gelijk en hielden dan gelijk hun stemmen in en slikken allebei en kijken elkander aan.... hij is een jongen, hij moet het verdere maar zeggen! „En Vader heeft ook aan uw man een maskar-nesjomme gemaakt.” Ze tilt den grooten, witten zakdoek naar haar oogen.... ze zit met den rug naar het portret en het tafeltje toe, maar zij precies er tegenover.... en hij kijkt uit den zwarten, ovalen rand, met groote oogen kijkt hij de kamer in, hij kijkt over het lichtje, hij kijkt op het lichtje neer, hij kijkt naar alle kanten tegelijk.... het gouden peertje rilde en stond weer stil.... het leek alsof er iemand tegen ademde.... ze keert maar gauw haar hoofd af naar het raam.
„En wil jullie Vader bedanken?”
Ja, zeker....! Ze gaat naar de muur-kast achter-in de kamer en zij met hun oogen gaan mee, eerst streek ze even door den spiegel heen, de sleutel knapte, de grijze deur sprong uit den grijzen wand, oranje gloeit de kamer in, hun oogen in—, de volle schaal komt op het witte kleed te staan, de bolle vruchten rollen, log van het sap, en trekken vurige strepen over het wit. Nog gaat de kast niet dicht—, ze neemt er koekjes uit en suikers vol likeur.... ze heeft van alles voor den Jomtof in-gekocht, maar dit jaar niets gebakken....
Wat ze doen komen? Wat hun boodschap is? Ze komen niets doen, ze hebben geen boodschap, het is toch Jomtof. Van het lage breede tuinpad tusschen schaduwgroen kijken ze naar de hoogte waar het meisje staat, recht en dun, in wit en zwart, de glimmende schoentjes naast elkander op den bovensten blauwen rand; precies midden in het vierkant staat ze en rond en boven haar de deftigheid van het huis en achter haar het lange breede open van de gang, tot aan de groene schijnselen uit den tuin. Ze zijn beteuterd, willen eigenlijk maar weer weg, want dit is ze nog nooit overkomen. Dat ergens op Jomtof gevraagd wordt, wat je doen komt en wat je boodschap is.... Overal waar je komt.... de deur gaat open en je bent al in huis.... je bent al in de kamer en je wenscht nog veel jaren en je ruikt den jomtof, je voelt den jomtof.... en niemand die je vraagt wat je komt doen en wat je boodschap is, want de Christen-dienstmeisjes die bij Joden wonen, weten het immers net zoo goed....
Ze draaien dralend voor den hoogen stoep, op het tuinpad, tusschen het schaduw-groen.... ze komen een visite maken.... Vader heeft het gezegd.... maar ze durven dat niet het meisje overbrengen. Aan weerszij van de deur zijn ramen, boven ook, een heele rij, voor allemaal dezelfde gordijnen, en allemaal dicht en allemaal stil.... geen bewijs van leven, geen bewijs van Jomtof wordt je gewaar.... maar plotseling kijkt een groot en streng gezicht vlakbij ze aan, dat sprong ineens uit den muur, dat steekt uit het huis, in een gouden lijst achter helder glas, naast het linksche raam steekt het uit.... en ze staan nog stijf in hun schrik, dan is het al weg, het water-heldere glas weer leeg in de ronde, gouden lijst, het is een spionnetje....
Het meisje praatte achter zich terug de groendoorschijnselde leegte in, ze moeten binnenkomen. Ze zien hetzelfde groote, strenge gezicht, het staat nu boven op een blauw-satijnen japon en wacht in een open kamerdeur, het is een vreemde dame, het is mevrouw Israëls niet.... ze laat ze langs zich in de kamer gaan, ze perst de rollen van haar onderkinnen op haar kraag, om op ze neer te zien.... maar juffrouw Krant heeft juist gezegd dat ze zoo netjes zijn! Ze kennen mevrouw Israëls bijna niet en vinden haar niet lief, maar nu ze haar achter in de kamer zitten zien aan het verste raam, ontloopen ze vlug de blauw-satijnen dame en gaan naar haar toe en geven haar een hand, en willen ook nog-veel-jaren wenschen, maar er kwam geen geluid uit hun monden vandaan. Meer menschen zitten in de kamer, ze keeren zich naar een hoek waar ze ritselen hoorden, ze gaan op de groote witte kranten af en blijven staan en wachten tot de gezichten erboven komen en geven dan den heer en de dame een hand—, het „nog-veel-jaren” denken ze erbij, want ze durven geen geluid meer geven, want niemand spreekt een woord, alleen de blauw-satijnen dame met mevrouw, maar wat ze zeggen kun je niet verstaan. Een heer ligt op de canapé, ze willen naar hem toe gaan, maar hij slaapt.... er vloog een sst.... zoo scherp en boos, als hadden ze kwaad in het zin, ze schrikken ervan en schamen zich en voelen hun ooren gloeien. Ze zitten, op twee mooie blauwfluweelen stoelen naast elkaar, ze zitten een heel eind van de ronde, witte tafel af,—je ziet geen pooten, zoo laag hangt het kleed—ze zitten een heel eind boven den grond en moeten de beenen bengelen laten. Haar eene schoen sloeg even tegen de sport, die is in glanzende figuren prachtig uitgesneden, die lijkt op het duurst taai-taai.... de blauw-satijnen dame hoorde het en kuchte en keek haar aan, nu houdt ze de beenen stijf bijeen en voor zich uit en durft zich niet bewegen. De kamer breidt zich groot en schemerig om ze uit en het lijkt hier veel later dan buiten. Een spiegelkast glimt als uit de diepten op maar is dichtbij, de schilderijen blikkeren, verder weg. Ze zouden graag eens rond-zien, maar het geeft geen pas. Ze voelen stijf en zwaar de stoelen onder zich—dat zal wat zijn om die aan kant te zetten, zooals toch moet—ze voelen geen leuning en ze voelen geen grond, ze zouden net zoo goed hoog boven de aarde in een leege ruimte getild kunnen zitten, maar niet eraan denken of je zou duizelig worden, ze zitten stijf en ze kijken stijf voor zich uit en ze voelen hun gezichten gloeien en hun voeten koud. Kijk.... midden op tafel.... midden in het wit.... een stukje van een regenboog, rood en purper, oranje en groen.... en kijk..... daar nog een.... en daar nog een.... en een heeleboel! Waar komen die vandaan.... wie strooide over de tafel stukjes regenboog? Ze ziet het al.... ze vallen uit de kroon.... die aan de lage zoldering boven tafel hangt.... de zware kroon van groote, wonderprachtige kristallen, ze hoeft zich bijna niet te roeren, alleen onmerkbaar maar haar hoofd, en vat hem heel-en-al in het oog.... één zware vracht... één massa glans en blikkering van zilver, zwart en kleuren-fonkeling.... van snoeren door elkaar en pijlen, schijven, punten, pegels allerhelderst ijs. Het is de Licht-Kroon.... als je die nu ’s avonds eens mocht zien.... Wat zijn ze rijk.... wat moeten er kisten vol met geld staan, hier in huis!
Wat vroeg mevrouw? Hoe laat of Moeder ze thuis verwacht.... hoe laat ze eten moeten? Ze hoeven niet meer te eten, het is al na-den-eten, en het hindert niet precies hoe laat ze komen, als ze maar voor zessen binnen zijn. Dan is toch het nog volop licht.... Ze kijken elkaar aan. Er was toch niet iets geks in wat ze zeiden? Wel neen, de heer en dame met de kranten zullen om wat anders zachtjes lachen! Hun gezichten worden toch nog warmer, hun ooren tintelen.... je kunt het niet zeker weten! Het is weer stil.... het is in de kamer tenminste stil.... maar niet in het heele huis. Daareven, toen ze spraken met mevrouw, hoorden ze boven zware stappen dompen, de lichtkroon rilde en tinkte zacht.... nu hangt de lichtkroon stil.... en zijn de stappen stil.... maar dof en donker mompelen vangt aan en breidt zich uit en vult het huis.... en krimpt weer in en keert als tot zichzelf terug.... Daar boven zit iemand.... en die „oort”.... of die zegt tillem.... of leest zijn magser of den Talmoed overluid.... en wat een buitengewoon vroom mensch moet hij zijn, die dat thuis doet op Jomtof, die dat doet buiten de drie keeren Sjoel.... En die buitengewoon-vrome man, dat is mijnheer Israëls, want ze kennen zijn stem! Er zijn wel vrome menschen in de kille, maar zoo geen een.... op jomtof, en alleen!
Waar kwam die luide gaap vandaan? Het kraakte.... er wentelde iets zwaars.... de heer op de canapé wordt wakker.... hij komt overeind.... hij zit overeind.... voorover en zijn handen hangen tusschen zijn knieën af.... hij smakt of hij dorst heeft en kijkt naar hen. Ze hebben hem niet „nog-veel-jaren” gewenscht.... moeten ze eigenlijk niet opstaan? Hij is al zelf overeind.... hij komt naar hen.... maar neen, hij gaat naar het raam.... en neemt de blauw satijnen dame mee.... ze staan bij de spiegelkast... en zijn stem bromt als een bij.... en hij haalt de schouders op. Het is weer stil.... je hoort alleen mijnheer Israëls „ooren”.... het zwelt weer aan en vult het huis en krimpt weer in.... er blijft toch wat van in de kamer hangen. De dame is bij de spiegelkast gebleven, de heer ging naar mevrouw Israëls en wijst haar iets door het raam.... er flitste een bliksem, dat was de spiegeldeur, een diepte opent zich vol wit en zilver, glas en porcelein, ze kiest eruit en tilt het weg en zet het over het donker tusschen kast en tafel op het witte kleed.... de blauw satijnen arm tast in de kast en keert.... een blaadje, glazen, karaffen, zilveren trommels.... Ze kijken toe, hun hoofden gloeien boven de stijften van hun beenen en hun lijf, zij durft de sporten van haar stoel niet met de hakken raken, ze voelt zich zitten op het stroef fluweel, als zat ze eraan geplakt, als kon ze niet meer los—dat maakt haar heelemaal ineens benauwd.
De blauw-satijnen dame grijpt de karaffen om hun hals en vraagt aan ieder wat hij wil, maar niet aan hen, dat moet ook niet, het is ook wijn en drank, de jongere dame prensenteert en zet voor hen op schoteltjes voor elk twee schuimpjes neer. Ze kijken ernaar, maar ze zitten te ver van tafel af, ze zouden moeten opstaan om erbij te komen, ze zouden ze ook niet durven eten.... met schuimpjes kruimel je zoo licht. Ze zijn allemaal dichter om de tafel gekomen.... en de tafel staat vol.... is het nu Jomtof.... voel je nu Jomtof? Neen.... het is evenmin Jomtof als toen de tafel leeg was, de eene heer sliep, de anderen kranten lazen. Het is zeker familie, die over Jomtof kwam.... lijken ze op elkaar.... wel neen, maar ja, toch wel.... Van de blauwe dame zie je aldoor haar hoofd apart.... dat komt omdat je het zoo zag apart in het spion. De vierkante zilveren trommel werd op een stukje regenboog gezet.... waar is dat nu....? Hoe grappig.... hoe vreemd.... het zit nu boven op de trommel.... een beetje verbogen.... een beetje vervloeid.... en toch hetzelfde stukje regenboog.... En de andere.... waar zijn de andere? Die vind je op de gekste plekken van het zilver en het glas!
Zou mijnheer Israëls-zelf niet komen, gaat niemand hem roepen? Neen, iedereen zit en het „ooren” gaat door.... het zwelt en vult het huis, het daalt en komt weer tot zichzelf terug, maar gaat toch door het praten heen en boven het praten uit....
Gelukkig.... ze kwamen zonder tuimelen van hun stoel en op hun beenen. „We moeten nu naar huis....” Ze kijken naar de schuimpjes op de schoteltjes, door gaatjes in het gaaf zie je het brokkelig-zachte binnenin. Als iemand zei dat het mocht, konden ze ze best meenemen en buiten opeten. Maar niemand schijnt te zien dat ze er nog staan....
DE RIJKDOM VAN MIJNHEER ISRAËLS
Vandaag is juffrouw Content er weer. Ze zijn opzettelijk een anderen weg naar het Joodsche school gegaan om haar van de boot te zien komen en daarna de prettige zekerheid mee te dragen dat ze haar om twaalf uur thuis zullen zien zitten, aan de tafel vol knipsels met haar borst vol spelden gestoken.... Andere Zondagochtenden mijden ze dien weg, hij loopt tusschen de twee groote kerken in en is op dat uur vol menschen. Die zien eruit als waren ze zoo uit doozen gepakt en daarna in hun geheel nog eens afgestoft.... ook de helderste zon toont hun gezichten en kleeren en hoeden en schoenen zonder smet en hun boek glanst onder hun stijven arm en de meeste menschen hebben als ze zoo naar de kerk gaan, onpleizierige gezichten. Hun eigen daagsche goed voelen ze in die Zondagsche zon en onder die scherpe oogen schooierig—, Moeder zou ze ’s Zondags ook wel wat netter laten gaan, maar Vader wil het niet hebben en daarom gebeurt het natuurlijk ook niet, Vader zegt: kleeden zij zich voor onzen Sjabbos beter? Vader heeft gelijk, maar prettig is het niet en ze loopen maar liever naar het Joodsche school achterom, daar is het dan nog zoo stil, als woonden er geen menschen....
Ze hebben juffrouw Content van de boot zien komen, ze wuifde uit de schaduw van achter de sluis, daar stond ze, omdat ze moest wachten, daar stond ze een beetje in de hoogte, klein en smal en oud met haar kleine, lachende, oude gezicht en onder haar arm klemde ze een dik, bruin pak tegen zich aan. Ze konden niet op haar wachten.... er gleden nog zooveel hooge bruine zeilen in een rij achter de eerste aan, het ging maar langzaam voort, je zag ze nauwelijks vorderen en eer ze allemaal door zijn, gaat de sluis niet dicht.... Het hinderde ook niet.... ze wisten dat ze er was, en zijn toen gauw naar ’t Joodsche school gegaan, maar nog was ze de tijd ontloopen en ze hebben gehold dat ze er heelemaal bezweet van zijn....
Want het is overdag nog warm en de warmte lijkt zoo laat in den herfst haast zwaarder dan ’s zomers te wegen, Vader zegt: het komt van alle vocht. De dauw die je ’s morgens met vloeiende tintjes van een bijna-uitgewischten regenboog omhoog ziet dampen, blijft maar laag aan de aarde, die maakt de lucht zoo zwaar. Het schoollokaal is domp en vochtig, hoe buiten het weer ook mag zijn, het is aan den schaduwkant tegen de sjoel gebouwd en ruikt het heele jaar door naar turf en oude boeken.
Het speeluur rekt zich lang en loom, omdat mijnheer Prijs vandaag weer hoofdpijn heeft, ze liggen met hun drieën languit in het gras, zij-zelf, haar broertje en Elie Prijs, ze liggen in den hoek die de hooge, grijze muur van het fijne school tegen het lage afdak van den houtstapel maakt, ze liggen op hun buiken en hun armen, de hoofden naar elkaar toe, de voeten in de hoogte en als er een neerploft klinkt het dof, omdat de grond zoo vet en vochtig is: het afdak heeft een rand en als de regen voorbij is druppelt het lang nog na in dien hoek.... daardoor komt het, dat het gras er het hoogst is, het krachtigst ruikt en dat er zooveel bloemen tusschen staan. De jongens praten, ze rukken grasjes dat het knapt, ze praten over de les van het laatste uur, ze vinden Simson een grooten gammer zij zouden er zoo dom niet ingevlogen zijn.... Zij praat niet mee, ze plukt van elke soort een bloem en voegt ze tusschen duim en vinger tot een klein bouquet. Hoe elke bloem de kleur van de andere anders maakt, de kleur van het bouquet....! Het blauw van eereprijs, het rood van klaver, purperen wik.... ze neemt ze een voor een eruit.... bekijkt wat overblijft.... en voegt weer in.... en kijkt.... en ziet het telkens anders worden....