Part 4
Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den dierentuin!”
„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie. „Waar zag je oom, Frans?”
„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.”
„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje, hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?”
En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had, liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam Frans hen buiten adem achterop.
„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.”
„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden, drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag, maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een vrijen middag naar school moest.
Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan.
„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende.
„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren.
„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine zoo laat vandaan komt.”
„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans: „daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar, paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine opnieuw te huilen.
Tante Dora was doodsbleek geworden.
„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.”
„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en nu is oom weg!”
„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.”
„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons, toen wij kwamen.”
„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis, maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.”
Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine, dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was.
„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis... en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar voorbij.
„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante.
„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een hoogen hoed.”
„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren, waar zij leert.”
„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?”
„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn, moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een bril en met een hoogen hoed?”
„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor hem.”
„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren.
„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,” antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien, Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal kunnen vertellen.”
Klokslag half twee werd er gescheld.
„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens, „dat is zeker de commissaris of Frans.”
Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd. Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken, maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.”
Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine, die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde zij op alle vragen.
Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt.
„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde, natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?”
„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw Stubbens.
Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij zich in haar kamer.
„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,” zeide zij.
„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?”
„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt, omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?”
„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet, dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb. Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd nog eerder verstaat, dan zij.”
„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven. Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.”
„En bent u niet meer boos?”
„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf het meisje een kus.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
GROOTMAMA HERMSEN.
Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den ouden firma naam laten houden.
De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het zomers bij haar logeerde.
„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?”
„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar voor mij gaan halen.”
„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de logeerkamer naast de uwe?”
„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina, ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn, voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben, want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als Tine’s nieuwe oom.
„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen toch niet gestoord worden?”
„Neen, wij zijn alleen.”
„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid, dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine jongens bij.”
„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,” voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.”
„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen, ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf; „juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel, mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing nooit hebben plaats gehad.”
„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met vacantie uit.”
„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens hier gebracht zoudt hebben!”
„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar „klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij kwam.”
„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het vergeetboek is geraakt.”
„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien tijd zou het te gevaarlijk zijn.”
„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb, ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen maken?”
„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN VERRASSING VOOR ANNIE.
„Als het u blieft, juffrouw, van tante.”
Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over.
Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij ongehoorzaam zou zijn.
„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine heusch naar de kermis gebracht hebben?”
„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover. Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die zweep geslagen hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee, Tine?”
„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer terugkomen?”
„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n oom meegaat.”
„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.”
„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar bed te brengen.
Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise Bronsma.”
Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die ellende van het voorzeggen af.
Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: „je hoeft het mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als Annie.”
„Is Annie boos op mij?”
„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.”
Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden.
Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam eensklaps Louise Bronsma naar haar toe.
„Zeg, ben je boos op me?”
„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.”
„Zal ik het dan nog zeggen?”
„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt Bertha eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.”
Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan.
Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam.
„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw.
„Neen, juffrouw.”
„Waarom ben je dan nog hier?”
„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.”
„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar waren, vroeg de juffrouw:
„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?”
„Ja, juffrouw.”
„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee op, ik vind het vervelend?”
Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.”
Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk opgelucht.
„Zoo,” antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het te doen?”
„Ja, juffrouw.”
„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de waarheid verteld?”
Louise liet het hoofd hangen.
„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets, dat eigenlijk jouw schuld is.”
„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen.
„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?”
Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen.
„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?” vroeg Bertha.
„Neen, nog niet.”
„Vraag het eens.”
„Neen, hoor, dat durf ik niet!”
„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?”
Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot Zondagavond hier komen.”
„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?”
„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in de buurt zijn en brengt Paula dan mee.”
„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen.
„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.”
„En was oom erg boos?”
„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet jouw schuld was.”
Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier echt het verwende kindje.”
„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat vervelende kind van Bronsma zitten.”
„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend.
„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.”
„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?”