Annie van Walen

Part 3

Chapter 34,231 wordsPublic domain

„Nu dan,” vervolgde Frans, toen de orde hersteld was, „de dames moeten verdedigers hebben. Wij zijn met ons tienen mannen, daarvan zullen wij er haar vier geven, dan blijven wij met ons zessen.”

Hij koos nu vier van de jongens en zond deze met de meisjes naar de zoogenaamde burcht.

Annie had deze nog niet van binnen gezien, daar de koepel den vorigen keer, toen zij en Tom daar waren, op slot was geweest. Maar nu was de deur open en zag zij tot haar verbazing dat hij als een buitengewoon gezellige kamer was ingericht, terwijl er nog een tweede, klein vertrekje aan grensde, waar de verdedigers der burchtvrouwen konden slapen. Bertha van Scheik, het oudste meisje, werd tot burchtvrouw verheven, Tine en Beppie waren de kinderen, terwijl de overige meisjes de dienaressen waren.

De twee kleine kinderen waren den geheelen dag onafscheidelijk en zoo voelde Annie zich bijzonder tot Bertha aangetrokken, die haar voortdurend aan haar eigen vriendinnetje, Paula Tillens, herinnerde.

Toen zij een oogenblik later naast Bertha over de leuning naar beneden stond te kijken, kon zij ook niet nalaten haar dit te zeggen.

„Paula Tillens,” antwoordde Bertha, „ik wil wel gelooven, dat ik je aan haar herinner. Zij is mijn eigen nichtje, haar ma is een zuster van de mijne.”

„O, wat heerlijk!” riep Annie, „dan komt zij zeker wel eens bij je. Ik begrijp niet, dat zij mij nooit over je gesproken heeft.”

„Ik wel. Ik zal het je maar zeggen, ma en tante zijn niet goed met elkaar. Er is iets gebeurd, waardoor ma erg boos was op oom Tillens en toen werd tante natuurlijk boos op ma en nu komen zij nooit meer bij elkaar. Paula en ik waren nog niet eens geboren, toen het gebeurde, dus misschien heeft tante haar nooit over ons gesproken en weet zij niet eens dat zij hier familie heeft. Het is anders wel jammer, want Paula en ik zijn even oud en het was natuurlijk gezellig geweest, wanneer zij bij mij had kunnen logeeren.”

„Ja, wel jammer, hé, maar misschien wordt het nog wel goed tusschen je ma en je tante.”

Voordat Bertha weer iets kon zeggen, werden de meisjes gestoord door den aanvoerder hunner verdedigers, Frits van Scheik, die met een diepe buiging op Bertha toetrad.

„Mevrouw,” begon hij, „wij moeten u berichten, dat wij in het verschiet een stofwolk zien naderen. Wij vermoeden dat het de vijand is en dus geven wij u in overweging of het niet beter is dat u zich met de kinderen en de overige vrouwen in het kasteel terugtrekt.”

Beppie en Tineke, die in de buurt stonden en deze redevoering mede hadden aangehoord, stietten nu zeer natuurlijke angstkreten uit. Hoewel zij wist, dat het maar spelen was, bekroop Tine altijd een bang gevoel, wanneer zij die jongens met houten en blikken sabels gewapend, zoo door het kreupelhout naar boven zag klauteren. Zij werd dan zoo bang, dat zij zich al ging verstoppen, voordat de jongens nog boven waren. Blijkbaar had zij Beppie reeds van al die vreeselijkheden verteld, want deze had even angstig gegild als zij en klemde zich stijf aan Tine vast.

Annie, die voor het eerst dit spelletje meemaakte, keek verbaasd naar de twee kleintjes en vroeg toen aan Coba:

„Zeg, Coba, heb je wel gezien hoe bang Tine is? Zij ziet er bleek van. Vindt tante het wel goed dat zij meespeelt?”

„Natuurlijk, ma vindt het best. Ma zegt, dat zij een veel te angstig poppetje is; dat moet eruit zegt ma en daarom gaat zij morgen ook alleen naar school. Het is toch immers onzin, dat zij zoo bang zou zijn. De jongens zullen haar toch niet opeten.”

Annie ging naar binnen om de kinderen te zoeken, die zij verstopt vond achter een canapee.

„Tine,” zeide zij, „en jij ook, Bep, wat zijn jullie flauw om zoo bang te zijn. Wat denken jullie eigenlijk dat er gebeuren zal? het zijn immers maar Tom en zijn vrienden! Die zullen jullie toch geen kwaad doen.”

Beppie keek Annie eens aan; Tom en zijn vrienden, dat klonk heel anders dan een vijand met sabels, waarvan Tine haar verteld had.

„Ja, Annie, dat weet ik wel,” stamelde Tine, „maar als ik ze zoo naar boven zie klimmen, dan vergeet ik dat het maar de jongens zijn en dan zie ik alleen die vreeselijke sabels en dan word ik zoo bang. Maar nu ben ik niet meer bang,” voegde zij er dapper bij.

„En toch zit je nog achter de canapee, zoo’n flauw kind!” riep Annie en op datzelfde oogenblik ging de deur open en kwamen de overige meisjes binnen.

„Zij komen!” riep Bertha, „je kunt ze al goed zien. Wij vrouwen blijven dus hier in het kasteel en laten ons door onze manschappen verdedigen.”

Annie had daar niets geen zin in, maar zij wilde er niet meer om kibbelen; zij wist wel een middel om ongemerkt buiten te komen.

Toen de meisjes allen binnen waren, sloop zij naar het kleine kamertje, dat een openslaand venster had. De jongens hingen alle vier over de leuning om naar den naderenden vijand te kijken, zoodat Annie ongemerkt het venster kon openen en naar buiten klimmen. Een dikke tak, dien zij vóór den koepel op den grond vond, nam zij als wapen in de hand. Nu bleef zij wachten op het teeken, dat de vijand genaderd zou zijn. Daar, waar zij stond, konden de jongens haar niet zien, want zij was aan den anderen kant van den koepel, en de meisjes schenen haar niet te missen.

Juist hoorde zij Tineke angstig vragen: „waar is Annie?” toen een luide oorlogskreet van de jongens haar waarschuwde, dat het groote oogenblik gekomen was. Even keek Annie naar haar witte jurk, waarop bij het uit het venster klimmen reeds een vuile streep was gekomen, en zij aarzelde. Maar daar hoorde zij het gekletter der houten en blikken sabels, waarmede ook hunne verdedigers gewapend waren en toen dacht Annie aan geen jurk meer. Haar tak zwaaiende liep zij met een juichkreet op de jongens toe en streed dapper mee. Frits was wel verbaasd en zelfs boos geweest, toen hij haar zag, doch hij had het te druk om op haar te letten, of er haar iets van te kunnen zeggen, want de vijand naderde reeds den koepel.

„Weg van dat venster! Moeten jullie doodgestoken worden?” riep hij tegen een paar meisjes, die voor het open venster verschenen, waar Annie uitgeklommen was. Door haar voorbeeld aangestoken, kwamen echter nog drie van de meisjes, naar buiten. Zij verdedigden met de jongens samen met zulk een heldenmoed de burcht, dat voor het eerst, zoolang het fort bestond, de vijand werd teruggedreven; maar toch niet geheel zonder buit. Zij hadden een gevangene gemaakt.

Tine was naar het open venster geloopen om de anderen na te kijken, toen zij plotseling vlak bij zich hoorde zeggen:

„Gauw, Tine, ga met mij mee,” en daar zag zij Karel van Scheik, een van de vijanden, die haar nu over de vensterbank tilde en wegvoerde naar het fort.

„Je bent zwaar hoor,” zeide Karel, haar op den grond zettende. „Ik had het niet lang meer kunnen volhouden. Ziezoo, nu ben je mijn gevangene, maar omdat je zoo zoet bent meegegaan en mij heelemaal niet geschopt of gebeten hebt, krijg je wat lekkers van mij. Heb je dorst?”

Het was een warme dag en Tine antwoordde, dat zij heel veel dorst had.

„Hier dan,” zeide Karel en schroefde den beker van zijn veldflesch los, waarin hij heerlijke limonade had meegebracht. Hij schonk den beker vol en reikte haar dien over.

„Dat is lekker,” riep Tine, toen zij den beker had leeg gedronken en veelbeteekenend keek zij naar de flesch. Karel begon te lachen en schonk haar nog eens in.

„Zeg, Tine” zeide hij nu, „als de anderen straks komen, zal je dan niet bang of verlegen zijn, maar heel mooi flauw liggen? Het is zoo leuk; de jongens weten heelemaal niet, dat ik je heb gevangengenomen.”

„Ik ben voor jou niets bang, Karel.”

„Bang! dat mankeert er nog maar aan! zoo’n groot meisje bang! dat zou toch al te gek zijn! maar daar komen zij, wees nu lief en ga flauw liggen. Hier is een zacht kleedje.” Hij spreidde dit op den grond uit en Tine ging erop liggen.

Onder luid gepraat naderden nu de vijf andere jongens.

„Jij bent ook een mooie om ons zoo in den steek te laten!” riep Frans. „Was je soms bang en ben je daarom weggeloopen?”

„Ik ben niet weggeloopen. Ik heb een gevangene gemaakt; kom maar eens kijken, wie ik hier heb!” antwoordde Karel.

En daar zagen de jongens Tine op het kleedje liggen. Zij deed wat zij Karel beloofd had en hield zich, alsof zij in zwijm lag.

„Hoera, hoera, hoera!” riepen allen, toen zij het meisje zagen en zij voerden om haar heen een krijgsdans uit.

„Wij moeten eerst de gevangen jonkvrouw weer tot bewustzijn brengen,” sprak de aanvoerder, „maar niet te veel water, hoor, denk aan haar Zondagsche jurk, mannen.”

Zeer voorzichtig werden haar nu eenige druppels water in het gezicht gesprenkeld en hierop sloeg Tine de oogen op.

„Voelt gij u nu weer gezond?” vroeg de kommandant.

„Ja, ik wil weg,” antwoordde Tine, opstaande. „Ik wil naar Bep.”

„Wij hopen u ten spoedigste naar de burcht te kunnen terugzenden,” hernam Frans. „Zoo dadelijk vertrekt een ijlbode naar het slot om den losprijs te noemen, waarvoor wij u weer in vrijheid zullen stellen.”

Nauwelijks had hij uitgesproken of, voordat de jongens recht wisten, wat er gebeurde, slopen twee gedaanten het fort binnen, namen ieder een hand van Tine vast en snelden met haar weg. Het waren Annie en Frits, die, toen zij ontdekten, dat Tine verdwenen was, samen waren uitgetrokken om haar terug te halen, en zij waren reeds met haar halverwege den heuvel op, voordat de mannen in het fort van hun verbazing bekomen waren.

„Neen, maar, zooiets is ons toch nog nooit overkomen!” riep Tom, nadat hij een oogenblik verbluft had gestaan. „Zullen wij hen achterna gaan, kommandant?”

„Ik ben zoo warm,” klaagde Frans.

„En het is toch te laat, ook,” voegde Tom erbij. „Luister maar.”

Er klonk nu een bel, die geluid werd om de jongens en meisjes binnen te roepen, waar een welvoorziene koffietafel hen wachtte.

Het was een luid door elkaar gepraat en gekibbel, toen het geheele twintigtal in de eetkamer bij elkaar was. De bewoners van het fort verweten de verdedigers van de burcht, dat zij niet zoo flauw hadden mogen zijn om hen te verslaan, waartegen de anderen weer luide tegenwerpingen maakten. Frans van Meerel en Frits van Scheik stonden zelfs zoo dreigend tegenover elkaar, dat mevrouw Stubbens zich haastte, ieder een plaatsje aan tafel te geven.

ZESDE HOOFDSTUK.

TINE’S NIEUWE OOM.

„Bespottelijk van je, Annie, dat jij je zoo bij Bertha van Scheik opdringt, die zooveel ouder is dan jij,” zeide Coba Stubbens op zekeren dag, toen zij pas uit school waren gekomen.

Coba was een beetje jaloersch op Annie; tot nu toe was zijzelf Bertha’s speciale vriendin geweest, maar sedert de komst van Annie, had Bertha zich meer met deze bemoeid, dan Coba lief was. „Waarom loop je niet liever met Clara, die in jouw klasse zit, in plaats, dat je de meisjes uit de zevende opzoekt,” voegde Coba er nog bij.

„Ik dring mij niet bij Bertha op, dat is heelemaal niet waar,” riep Annie boos. „Maar Bertha loopt graag met mij, omdat ik de vriendin ben van haar nichtje, Paula Tillens, en dan praten wij samen over Paula.”

„Wat zeg je,” bracht mevrouw Stubbens, die toevallig in de kamer was, in het midden, „is dat meisje van Tillens een nichtje van de Van Scheiks? Ik dacht dat die mevrouw Tillens en haar dochter menschen waren, die, nu, ja, die niet in onze kringen thuishooren.”

„Ik weet niet, of zij in uw kringen thuis hooren; ik weet niet wat u bedoelt, tante, maar mevrouw Tillens is altijd even snoezig voor mij geweest en Pau is mijn vriendin en papa vond het best, dat ik met haar omging. Mevrouw Tillens is de zuster van mevrouw Van Scheik.”

„Hoe is het mogelijk! dan heeft men mij heelemaal verkeerd ingelicht. Mijnheer en mevrouw Van Scheik behooren tot de aanzienlijkste families van de stad. Nu, Annie, als Paula eens bij Bertha komt logeeren, dan moet je haar ook maar eens een dagje hier vragen.”

„Zij komt nooit hier, tante, haar ma is niet goed met mevrouw Van Scheik.”

„Maar, kind, hoe weet je dat alles?”

„Dat heeft Bertha mij allemaal verteld.”

„Zoo, zoo; misschien zal ik haar dan eens van Zaterdag tot Maandag hier vragen. Dat zou je zeker wel prettig vinden, is het niet?”

„Meent u het tante? maar dat is dolletjes!” en Annie zou haar tante op een van haar onstuimige omhelzingen vergast hebben, als zij niet juist bijtijds bedacht had, dat mevrouw Stubbens daar niet van hield. Zij begreep niet goed, waarom tante Dora zoo plotseling veranderd was ten opzichte van Paula en haar moeder; zij was daarvoor nog te jong, maar kind als zij was dacht zij er ook niet verder over na en verheugde zij zich slechts in het vooruitzicht dat haar vriendinnetje bij haar zou mogen komen logeeren.

Zij was nu reeds veertien dagen bij de familie Stubbens en begon zich nu langzamerhand zoowel bij hen als op school nogal thuis te voelen. Tante Dora bleef, zooals zij geweest was koel in haar manieren, maar Annie wist dat zij in haar hart toch goedig was, want zij verzon van alles om het moederlooze kind genoegen te doen en bovendien had Annie nu zooveel kennisjes om zich heen, die hartelijk en aardig voor haar waren, dat zij zich niet in het minst verlaten voelde. Ook was zij zeer vlug in het leeren en maakte het dan ook goed op school. Maar er was één ding, waardoor zij daar altijd in ongelegenheid kwam. Zij was erg goedig en kon niet laten om Louise Bronsma, het meisje, dat naast haar zat, voor te zeggen, wanneer Louise er om vroeg.

Louise was een erge stumper, die de grootste moeite had om mee te komen en soms, wanneer zij thuis werkelijk had zitten blokken op de geschiedenisles, die zij moesten leeren, was zij deze, als zij den volgenden dag op school kwam, weer geheel vergeten.

„Annie,” zeide zij weer op zekeren morgen, voordat de school begon, „zeg je mij voor, als ik een beurt krijg bij de geschiedenisles?”

„Hé, Lou, juffrouw Merks merkt het altijd en ik loop er straf voor op. Oom heeft gezegd dat ik, als ik het weer doe op de vrije middagen niet meer mee mag naar Rustoord en als oom zooiets zegt, gebeurt het ook, dat verzeker ik je.”

„Dan moet je het natuurlijk niet doen, maar ik ken er niets van,” zeide Lou met een erg ongelukkig stemmetje, „en als ik vandaag mijn les niet ken, moet ik Woensdagmiddag school blijven.”

„En ik erbij voor het voorzeggen, dat zal je zien! Heb je de les dan niet geleerd?”

„Jawel, heusch waar, maar ik kan die namen niet onthouden en dan die nare jaartallen!”

„Misschien krijg je geen beurt.”

Annie had zich vast voorgenomen dezen keer niet toe te geven en zeide dit ook aan Louise.

De les begon en reeds hadden verscheidene meisjes een beurt gehad, zoodat Louise hoop kreeg, dat de vragen niet aan haar toe zouden komen, voordat het uur om was, toen de juffrouw eensklaps vroeg:

„Vertel jij me nu eens Louise Bronsma...”

Voordat de juffrouw nog zoover gekomen was, had Annie al gefluisterd „beef maar niet zoo, ik zal je wel helpen als je het niet weet.”

„Vertel mij eens, Louise, wanneer begon de tachtigjarige oorlog?”

Dat wist zij gelukkig. „In vijftien honderd acht en zestig, juffrouw,” antwoordde zij dadelijk.

„Heel goed; en wanneer en waar werd de vrede gesloten?”

Louise dacht na.

„Acht en veertig,” fluisterde Annie.

„In vijftien honderd acht en veertig,” antwoordde Louise.

„Maar meisje, hoe kan dat nu? en hij begon in vijftien honderd acht en zestig.”

„Zestien,” fluisterde Annie weer.

Louise was nu echter weer geheel in de war. „In vijftien honderd zestien,” antwoordde zij.

„Maar kind, hoe is het toch mogelijk,” zeide de juffrouw, die haar geduld begon te verliezen, „hij begon in vijftien honderd acht en zestig hoe kan hij dan eindigen in vijftien honderd zestien?”

„Zestien honderd acht en veertig,” fluisterde Annie opnieuw, maar, zooals zij wel gevreesd had, was deze zin te lang, vooral daar Louise niet zoo heel gemakkelijk hoorde en zij dus niet al te zacht kon fluisteren.

„Is Annie weer aan het voorzeggen?” vroeg de juffrouw. „Het spijt mij, Annie, maar dan moet je nu maar de klasse uitgaan. Het is je al dikwijls genoeg verboden. Woensdagmiddag moet je maar een uurtje schoolblijven. Ik zal Louise nu nog een paar vragen doen en als zij die zonder jouw hulp niet weet, moet zij ook hier blijven. Maar ga jij nu maar eerst naar de directrice en zeg, dat ik je heb weggestuurd, omdat je weer voorgezegd hebt.”

Zonder een woord te zeggen verliet Annie het lokaal. Zij wist dat Lou toch nooit zou durven bekennen, dat zij (Annie) het op haar verzoek gedaan had; het kind was trouwens te veel overstuur en zat te beven als een riet.

Annie vond het heel vervelend om naar de directrice toe te gaan, want deze gaf op dat uur Duitsche les in de zevende klas, dus zouden Bertha en Coba nu merken, dat zij weggestuurd was. Maar het moest natuurlijk gebeuren en zij klopte aan.

„Binnen,” klonk de stem van de juffrouw en met loode schoenen trad Annie het lokaal in. Gelukkig hadden de meisjes schriftelijk werk, dus kon de juffrouw haar dadelijk te woord staan en behoefde zij niet voor de geheele klasse te staan wachten.

„Zoo, Annie, wat kom je doen?”

„Ik ben weggestuurd, juffrouw, omdat ik heb voorgezegd.”

„Hm, zoo, dat is al meer gebeurd, niet waar?”

„Neen, juffrouw ik ben nog nooit weggestuurd; dit is de eerste keer.”

„Neen, dat bedoel ik niet. Ik meen het voorzeggen.”

„O, ja,” bekende Annie nu, „ik heb er al driemaal thema’s voor gehad.”

„Maar meisje, hoe is het dan mogelijk, dat je er niet mee ophoudt? Enfin, ik heb nu geen tijd, ik zal er je nog wel eens over spreken.” Op haar horloge kijkende, voegde de juffrouw erbij:

„Het is nu kwart voor twaalf, dus te laat om nog iets te beginnen. Ga dus nu naar huis, maar Woensdagmiddag moet je natuurlijk school blijven.”

„Ja, juffrouw, dag, juffrouw.”

„Dag, Annie.”

Zonder naar de meisjes om te zien, die over hun werk gebogen zaten, verliet Annie het lokaal.

Zij wilde niet vroeger thuis komen, dan de anderen, want dan zou oom, als hij toevallig thuis was, natuurlijk vragen, hoe zij zoo vroeg van school kwam en zij had den moed nog niet om het te vertellen. Zij zou maar een eindje loopen.

Langs het gymnasium komende, hoorde zij eensklaps haar naam roepen en omkijkende, zag zij Frans van Meerel.

„Is het gymnasium al uit, Frans?” vroeg Annie.

„Neen, ik ben weggestuurd. Lam, hè?”

„Jij ook?”

„Wat! je wilt toch niet zeggen, dat jij ook...”

„Ja, ik ben ook weggestuurd,” zeide Annie, „omdat ik heb voorgezegd. Vind je dat niet flauw?”

„Nou, of ik. Ik wou, dat ik kon voorzeggen, maar ik weet zelf nooit een antwoord. Neen, weet je wat ik gedaan heb,” vervolgde hij, terwijl hij naast haar voortliep. „Ik had het portret van Smilder met twee lange ezelsooren eraan op het achterste bord geteekend. De lui vonden het prachtig en het schijnt ook wel geleken te hebben, want anders zou hij niet zoo woedend geweest zijn. Je hadt zijn gezicht moeten zien, toen hij het voorste bord opschoof en zijn portret zag! Hij vroeg natuurlijk dadelijk, wie het gedaan had. Die Smilder is ook zoo’n ezel!”

„Dat moest oom eens hooren, dat je Smilder zeide in plaats van mijnheer Smilder. Tom krijgt altijd zoo’n standje als hij het doet.”

„Ach, wat, al de lui doen het natuurlijk; maar, zeg, vind je het geen leuke mop?”

„Ik had er wel bij willen zijn.”

„Dat dacht ik wel. Nou het was ook wel de moeite waard. Ik heb er de straf graag voor over. Maar hoe kom je hier, durf je niet naar huis?”

„Oom is zoo streng,” antwoordde Annie, „en dan had ik natuurlijk alles moeten vertellen, als oom gevraagd had, hoe ik zoo vroeg thuis kwam.”

„Laten wij nog een straatje omloopen, totdat het twaalf slaat.”

Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met de dienstmeisjes, die hen waren komen halen.

„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog binnen?”

„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net weg.”

Annie begreep er niets van.

„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans.

„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en die is in Engeland.”

„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net weg.”

Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de kinderen samen voort.

„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie.

„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar staat de tram nog, gauw!”

„Wat wil je doen?”

„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt dadelijk.”

De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen, wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan.

„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den linkerkant uitkijken.”

„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur.

Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort.

„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon Annie zien, of zij dien heer kende.

Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.”

„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!”

„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die zijstraat in.”

Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden, anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen.

„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram.

„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?”

„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.”

Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!”

Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende, dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest, dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen.

„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.”

„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is mijn zusje niet! Maar wie bent u?”

„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan, Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin koffiedrinken; papa is er ook.”

„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.”

„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen.