Annie van Walen

Part 5

Chapter 54,235 wordsPublic domain

„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering.

„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.”

„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie.

„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan ook?”

„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en Lau?”

„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,” antwoordde Coba uit de hoogte.

„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat.

Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken.

„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren.

Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice aan.

„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.”

Annie’s oogen schitterden.

„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.”

Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten, om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het verteld hebt, ik hoef nu niet te blijven.”

De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij.

„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet te blijven en Zaterdag komt Paula.”

Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar Paula toe te gaan.

De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen.

Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het salon.

„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij elkaar begroet hadden, „want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.”

Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?” vroeg zij.

„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om kennis te maken met haar nichtje.”

„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep, dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.”

„Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.”

„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij u, dat het mijn zuster geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden, wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening van hun kant komen; wij hadden geen schuld.”

Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE HEER STUBBENS DOET EEN GOED WOORD VOOR FRANS.

Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het gezelschap aan de deur op te wachten.

„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij mocht dit wel zeggen.

Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had.

„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?”

„Neen, pa, ik kwam juist aan.”

„Hoe kom je aan dat blauwe oog?”

„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen, pa.”

„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?”

„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,” mompelde Tom verontwaardigd.

„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer zij die kleeren ziet.”

„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,” antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn vader niet méér verblijd was over zijn overwinning.

„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom.

„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.””

Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.”

„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula.

„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin, toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?”

„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen, misschien wel.”

Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden. „Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet hebben en tante en ik ook niet.”

Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet, waarom.

Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer in.

„Mag ik binnen komen?”

„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.”

„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen niet.”

„Wie bedoel je?”

„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.”

„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?”

„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je een buil op je oog.”

„Ja, zou hij morgen weg zijn?”

„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie.

„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.”

„Leuk?”

„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer.

Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest. Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar dus geheel aan Annie over.

Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken.

„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?”

De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem bijschoof.

„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens.

„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,” merkte de dokter op.

„Over je zoon.”

„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn doodkist.”

„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij kent je eigen zoon niet.”

„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad uit.”

„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie; overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake; waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.”

„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu schelen, of de jongen vrij heeft of niet?”

„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine Tine nog bezit.”

„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.”

„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe Frans haar gered had.

„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien, eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt. Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.”

„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.”

„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig van word.”

„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt, dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.”

„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de dokter op.

„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis.

TIENDE HOOFDSTUK.

EEN TELEURSTELLING VOOR BERTHA.

Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was.

„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf.

Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had, dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn.

„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd.

„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat je oog morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden.

„Dan kijk ik door het andere, moes.”

En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden.

„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens aan Coba en Laura.

„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling te gaan maken, als u het goed vindt.”

„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen, meisjes?”

„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie.

„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie jullie toch liever zonder.”

De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op weg.

Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe.

Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij niet naar haar toe.

„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet met Annie en Paula mee naar den wedstrijd?”

„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet op gesteld zijn.”

„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?”

„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?”

„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft? Annie heeft het thuis niet willen vertellen.”

„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig, dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp, waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij, „dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.”

„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?”

„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.”

„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen, Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?”

„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig voor Annie.”

„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik.

„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?”

„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het geeft niets dan moeilijkheden.”

Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen, terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen.

„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat uitblazen.”

De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens.

„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij eensklaps de stem van Tom’s vader.

„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom heeft zich zoo flink gehouden!”

„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden.

„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op, die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel smaken?”

„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor.

Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen, jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een pretje verdient.”

De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden.

„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen.

„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.”

„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk dat haar zielsvriendin daarbij hoort.”

„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht, zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond!

„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch zeker meegevallen?”

„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met haar moeder.”

„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd zijn?”

„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw Stubbens, terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet, maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren zelfs nooit in handen had gehad.”

„Hij werkte daar toch niet alleen?”

„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven, maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.”

„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.”

„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit schrijven, dat wij komen.”

„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal me een drukte geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?”

„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een grapje.”

„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?”

„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.”

Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele vroolijke troepje de kamer in.

„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij de meisjes Stubbens.”

Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk vonden.

„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge dames zich lieten wachten.

„Ja, ma, ik hoor ze al.”

Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in, voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij regelrecht naar Tom liep.

„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.”

Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij, „ik zal het ook openmaken.”

Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn ongeduld bedwong en haar liet begaan.

„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu aan hem,” zeide haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.”

Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het papier ontdeed.

„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.”