Part 9
„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het al verteld heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten, dat jij je woord had gepasseerd; nu is er niets meer aan te doen.”
„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.”
„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind en in de tweede plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om handen hebben!”
Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis verdwenen; hij had tegen niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet. Alles, wat hij had meegebracht, uit Europa, had hij achtergelaten. Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”, de mantri van de gevangenis, bij hem gezeten met den penghoeloe, en de laatste was dan aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en berusting in den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn trage geest,—het werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen tot het geloof: God is alles, de mensch is niets, laat hem dus niet te veel beproeven, niet te veel willen weten,—het baat toch niet; verder de vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van rust, kalmte, onopgewondenheid. Ook dàt strookte zoo wonderwel met het indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk ervoor te vinden was. Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest, van het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen, in wier midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw, nog gauwer weggepraat door den penghoeloe nu, als vroeger dat van het begrip wetenschap door njai Peraq. Want hij had wel geleefd te midden van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit eraan mee te doen, gelijk hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren zeggen en oppervlakkig zien.
Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde zijn ijdelheid; want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met onderscheiding, maar zijn moeder en Minah, ja zelfs de eenoogige zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer inlandsch was, dan europeesch, zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten niet in huis te komen vóór alles was afgeloopen; zij konden het eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd.
Tot op een avond de penghoeloe en de mantri vonden, dat Adam genoeg voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat op den vloer, de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel. De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch ertusschen, die hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk de prevelende stem zacht en eentonig; door het zitten op den grond kwam alles anders uit in het gele licht; de schaduwen der meubels teekenden, dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk; het zag er alles droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig; om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om z’n oogen open te houden; de mantri, onbeweeglijk, staarde maar recht voor zich uit, als had hij een visioen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IK WIL NIET GELIJK GESTELD WORDEN.
Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n beetje verlegen eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte dienstbaadje; met den wijsvinger trekkend over de mat, net als iemand, die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd den loop der denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu ook wel wijs was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer kon blijven zooals hij was en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het welvoeglijk was, als hij in het huis kwam van zijn schoonouders, levende als een gewoon orang islam en zich kleedend naar landsgebruik; zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten, zonder iets mee te nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan dacht.
Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den grond; het was Bram Silver.
Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem groetten en de oogen neersloegen beiden bevreesd, de lange magere penghoeloe in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde mantri; want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet van familiariteit met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem kenden van zijn jeugd; als zij hem in vrijheid hadden zien opgroeien, een „brandal” van de ergste soort!
„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.”
„Wat voor kans?”
„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk gesteld worden.”
Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen.
„Ik begrijp het niet.”
„Er is een bepaling.... ergens in de wet.... enfin dat doet er niet toe.... en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met Europeanen kunt worden gelijk gesteld.”
„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den ouden heer.”
„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe je; je moet in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet christen zijn,—nou, dat zeg je maar en dan is het voldoende; en een geslachtsnaam krijg je dan, den onzen natuurlijk.”
„En dan?”
„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval. Welnu, dan ben je gelijk gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.”
Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen kijkend, tot hij langzaam het hoofd schudde.
De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van njai Peraq en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de Europeesche samenleving. Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met inlanders, was zelfs de toon, waarop Bram sprak, hem een walg; en wat hem niet minder had geërgerd was de minachting, die zijn broer bij het binnenkomen had betoond voor den penghoeloe en den mantri.
„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij.
„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het precies ’t zelfde is: rechten, lasten, verplichtingen....”
„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en verplichtingen, dan die thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk gesteld.””
Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft over zijn vasten toon, niet gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij, woedend, uit, en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten woning schetterde:
„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het....”
„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede.
„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw dien vader van Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij al meer dan eens in de gevangenis gedwaald, waar hij beambte is. Fatsoenlijk? Die smerige il-Allah roeper van een penghoeloe. Er is hier op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.”
De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het Hollandsch, maar dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het was waar en zij wisten het.
„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging Bram heftig voort, „maar nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het me bliksems, hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.”
„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.”
„Het is ten slotte hier mijn huis, en ik verdraag niet, dat die smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij en om jou in hun vuilen boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de gemeene tronies te halen?”
„Ik,” zei Adam.
Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok hoog opgeheven en een schrede gedaan in de richting van den mantri en den penghoeloe, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam zijn breede figuur schoof tusschen hen en zijn broer, en vastberaden zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken en keek in het donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond hij.
Het leed geen twijfel of hij zou hem beletten, die inlanders af te ranselen; hij zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet hebben.
„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door dat armzalige vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig! jaag hen de deur uit, en ga met me mee, dan laten we het request schrijven.”
„Ik wil niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik wil niet met anderen worden „gelijk” gesteld.”
„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog naar achter, om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen njai Peraq, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht.
Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels” beheerscht werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug.
„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen ervaring van inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die kerels, want dat lijkt heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat er geen verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude vrouw, die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar leven lang gewoekerd, wat de koran dan toch verbiedt, dat weet ik zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft, het liefst zoo gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander, die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en smerig bovendien. Voor menschen in Europa en voor baren mogen hun praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.”
„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den ouden heer een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen meester zijn geweest. Zij moeten altijd werken voor anderen; en iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden altijd behandeld als honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen zoo te behandelen; zij moeten altijd beleefd en onderdanig zijn, en iedereen is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden zijn met heel weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn ze dat niet genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze zijn.”
Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had hij hem nog nooit hooren zeggen.
„Hebben die twee je dat voorgepraat?”
„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan den wal kwam; en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen; van jou ook. Je zoudt in Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe te spreken, zooals men het hier een inlandsch werkman doet.”
„Enfin,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze allervreemdste redeneering in te brengen, „je moet het zelf maar weten. Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden bent. Het spijt me wel, Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven doen.”
„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God zegen je!”
Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en zenuwachtig tusschen zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden beiden, als een afscheidsgroet voor langen tijd. Bij hun uiteenloopende karakters en de tegenstelling, die zij opleverden in alles, hielden zij van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig en gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed gelaat van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf.
„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat zal je hun dupe worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en als er een vreemde eend in de bijt komt,—des te erger.”
Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de mantri ging verder op zijn teemerigen toon:
„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is; het is niet goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers geld om te koopen, wat noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche goed achter en ook den naam, en blijf enkel Adam tot het tijd is een goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort te hebben.”
En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd neerkomend op hetzelfde.
DERDE HOOFDSTUK.
HET EUROPEESCH VERNIS VERDWIJNT.
Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als toestemming; zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals hij dien avond al meer had gedaan. Hij zag den mantri een dichtgeknepen doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit en netjes afgewerkt; njai Peraq en Minah hadden eraan gewerkt met al de liefde, die zij voor Adam koesterden, en de mantri spreidde het uit met welbehagen, zoo senang vond hij het.
Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook, als inlander, een hoofddoek, een sarong en een baadje dragende, met een gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een gecostumeerde; onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn kennis; in het duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze vreemdsoortige metamorphose, doch zonder eenig gevoel van spijt of leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo, en het moest dus wel waar zijn, wat de penghoeloe had gezegd: gelijk God het wil, zal het een mensch overkomen. Dááraan was absoluut niets te veranderen!
Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage thuis had heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige lichaamsbeweging, want op den weg wilde hij zich niet vertoonen in zijn inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg leuk en gemakkelijk was; en het erfje van den mantri was zeer klein. Het deed echter zijn robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de lessen van den penghoeloe, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de allergewichtigste besnijdenis, waartegen hij zeer opzag en waarvan hij zich volstrekt geen voorstelling kon maken.
Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog erg tegen. Hij had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar hij behield zijn van nature kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar geklemd, keken de oogen dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem.
En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig voorteeken, ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden, neergehurkt in de pendoppo.
Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een volwassen forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier had hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar geworden Adam Silver, doodziek achter de groezelige klamboe van het ledikant, dat de mantri voor hem had gekocht op een vendutie, en, zooals het was, in gebruik had gesteld.
In de kamer zaten de penghoeloe en de mantri op den grond neergehurkt, en de broeder van den mantri en een zoon van dien broeder en een zwager van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen goedgeloovige Mohammedanen.
Want er moest dikir worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van den duivel; het was de setan der christenen, die hem betwistte aan den God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger zijn, dan die van den booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen.
Uit het bed, waaroverheen njai Peraq en Minah gebogen stonden om zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten en zijn brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een zware jonge basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige menschen; die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van gloeiende kroegjool Fransche café-chantant liedjes zong van: Vive le vin le jeu et le tabac en Chantez, ma belle. En in het halfduister der door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge keelklanken, telkens na een enkelen regel recitatief door den penghoeloe, het gillend al-illah-Allah op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor- en achterwaarts op de daaronder gekruiste beenen; naarmate de koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden, klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel zittenden, zoodat het was of zij hun verstand verloren, zoo had het slingeren der lichamen en het geschreeuw hen in een staat van geweldige overspanning gebracht.
Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der koorts afnam, en de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de bloedsomloop zich voor het oogenblik had hersteld.
De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het zweet met groote kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend afveegden met de slendangs.
Het al-illah-Allah had opgehouden, maar nog lang prevelde de penghoeloe zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister door het somber vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten wanden, zich verliezend in het laag afschuinend atappen dak; tot de mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen, afgebeuld van overspanning, en in de pendoppo een strootje opstaken, weder neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene op den rand van het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje, dat naar beneden leidde.
Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken, ernstig, in wat zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een paar woorden, dan een lange stilte, daarna weer een enkel woord; alles neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren, den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het lichaam van den patiënt te verbannen.
Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de koorts hem had verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat hij geweest was. Hij kon zich niet in den spiegel zien, want daar was er geen; wel bezat Minah een slecht stukje spiegelglas in een prullig lijstje—de goedkoope waar van een klontong—maar Aboe Bakar wilde er niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij zag wel aan zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging baden, aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was.
„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder.
„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets bepaalds te denken.
„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het geld is verdeeld.”
„O, zoo! Nu, dat is goed.”
Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang stelde.
„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is braaf van hem, dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je wilt.”
Maar hij maakte een afwijzend gebaar.
„Later, later; nu niet.”
„Het is beter ook,” zei njai Peraq zacht, denkend aan de financieele omstandigheden van den mantri.
VIERDE HOOFDSTUK.
OPNIEUW VERLOOFD EN GETROUWD.
Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.
„Ik vind het onhartelijk.”
„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”
„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”
„Dat maakt het voor hen niet anders.”
„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”
„Doe het niet. On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu. Het zou een hatelijkheid lijken.”
„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje... En een koketteeren!”
Verlande lachte luid,
„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”
„Tamelijk; maar hij niet.”
„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg..... huwbaar.”
„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.
„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”
„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”
„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”
Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.
De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.
Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.
Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.
„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.
Verwonderd keek Nora haar aan.
„U weet ervan.”
„Heusch niet. Ik weet nergens van.”
„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”
„Is er dan iets gebeurd?”
„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”
„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.... iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”
„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”
„Met kapitein Slaters?”
„Zie je wel, dat u ervan weet.”
„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”
„Foei.... dat is niet waar. Dat deden we niet.....”
Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.
„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”
„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”
„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”
Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.
„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”
„Ben je daar zoo bang voor?”
„Verbeeld je.... ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”