Part 8
Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.
„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel kasian had. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”
Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.
„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”
De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!
„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”
„Ik weet het niet.”
„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”
„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.
„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”
„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren...”
„Welnu, neem haar.”
„Neem haar, neem haar...! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”
„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”
„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”
„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”
Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!
Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.
Njai Peraq kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zij kipaste hem als hij sliep en putte zich uit in lekkere sambals en kwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.
En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.
Dat die broer niet knap en ook niet pinter was, verheugde hem; maar als hij dan het stille air van superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zoo en passant al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich... Het is om je dood te lachen!”
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ADAM IS ONTEVREDEN.
De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van Adam scheen haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij nooit gezegd zou hebben: hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde. En zijn metterdaad verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken van haar portret, dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan herinnerde hij zich weer zijn avondje met haar,—den laatsten vooral, en dan kon hij er niet toe komen haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te schrijven, dat zij weten mocht.
Den dood zijns vaders had hij haar medegedeeld, en dat hij door zijn familie zoo vriendelijk was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in ’t geheel niet; hij miste er den moed toe.
Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn request: gehoord, gezien en overwogen; het verzoek van den zich noemenden Adam Silver was gewezen van de hand.
Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van den begin af had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een voorgewend onwankelbaar vertrouwen op het collectief adres van de wettige erven.
Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten beginnen; dat zou ’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat hij geen indringer was; dat alles neerkwam op een verzuim uit nalatigheid.
Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het „mis” was; ver ging zijn kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing der Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die het deed,—dàt begreep hij toch wel.
Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder den invloed was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en slimheid, geloofde het. Hij hield nu ook zijn eigen verzoek voor een ondoordachte handeling, zich geruststellend met de redeneeringen van Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk vond.
Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den ouden kijker uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den gezichteinder, het was alles haast onveranderd zooals het tien, twintig jaar vroeger was geweest.
Bram was op de varkensjacht; njai Peraq en haar dochter naar de pasar; Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek was, zei ze, en er lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam; in het besef eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het niet behoorlijk was zich aan te stellen.
Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan dit eentonig bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven elken dag; de ongestoorde rust en het eeuwige nietsdoen,—het had hem alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger te midden van het drukke vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven: geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd helderder gemaakt, zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed een behoefte ontstaan, die hem altijd onbekend was geweest; hij wilde iets doen. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar hij had het niet gevonden; een drukkend gevoel was over hem gekomen; een van groote ontevredenheid, en lusteloos hing hij over de balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige veld der zee.
Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking op zijn request gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het collectief adres van de „erven Silver” een beslissing kon verwacht worden.
Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.... inlander worden? Ineens stond het hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te doen of te worden; dat hij vanzelf inlander was.
En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe goed en gemakkelijk hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het loopen op bloote voeten in nachtbroek en kabaai; aan het leven met een inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden, ook de minder smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en werkelijken toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer; nu, meer dan dat vroeger het geval zou geweest zijn.
Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou baten,—scheen hem dit nu, hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als een voorgevoel kwam het over hem; het zal wel weer worden afgewezen.
Wat dan, wat dan?
In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen hebben opgezien. Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver, zijn vader, zooals hij hem in gedachten betitelde, een wetboek gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens de gestraften langs den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei; hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er noodig is voor een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord en gezien hoezeer het overheerschte ras tot door den geringsten Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd behandeld; hoe er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor zijn natuur vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik.
Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de onmetelijke ruimte; en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram maakte, die was binnengekomen.
„De boot is aan,” zei deze.
Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in de lenden van den gebogen houding zoolang achtereen.
„En, wat nieuws?”
Hij kreeg geen antwoord.
Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch wel, dat hij huilde.
„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht.
„Ja.”
„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.”
Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid; dat het hem niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in den jongen zwarten baard, die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit de groote goedige oogen.
„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. „Het doet me zoo’n zeer. Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!”
Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen discussie, geen argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en.... gewezen van de hand.
Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer.
Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar hij wist niet, wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het. Hij hoorde, dat Adam, zoo onvriendelijk als hij ’t nog nooit had gedaan, Minah de kamer uitzond.
„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld over zulk een ongewone behandeling.
„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij ma. Adam is ontevreden.”
„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid.
„Soedah, ga nu maar, en praat niet verder.”
Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als hier of daar iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader had gedaan, maar met zijn gedachten voortdurend bij dien onaangenamen, dien wreeden toestand in zijn familie.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
MOEDERLIEFDE.
Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer, sloeg de handen voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een voorstelling te maken van hetgeen zijn positie worden moest; hij kwam er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap van njai Peraq op de houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek niet op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde, dat zij haar hand lei, heel even, op zijn breede knie.
Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf staat; maar duidelijk verstaanbaar, woord voor woord: „Kind van mijn hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw moeder is, dan heeft de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn. Ik zal u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u en van u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed. Waarom zult gij bedroefd zijn, als zij u verstooten? Zijn zij zoo goed? Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein vleesch en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en een God; zij leven alsof het niet zoo was. Zij hebben veel akals om te maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw en kasar, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en schoon zijt, en die geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u uitstooten, wijl een ander u niet liet opschrijven in een boek? Ik ben een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van de landen achter de zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed mensch meer is, dan al het geschrijf in papieren boeken.”
Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering was die sloot; het was als gleed een spiegelbeeld der westersche beschaving langs hem heen, bij wijze van tegenstelling tot wat de oude vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote resultaten van wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen ontwikkelingsgang van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe kennis en ontwikkeling; hij had het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het als de opgeroepen geest van een groot en omvangrijk zijn, waarin hij zorgeloos en onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat gewirrewar in zijn hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten, toonde de stem door van njai Peraq, hoog inzettend een zin, dalend in het midden, met een klein klankslingertje omhoog weer aan het slot: „Wij zijn slecht voor den Heer God en wij leven niet gelijk de koran wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de mannen kunnen bidden en dikir, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de ouders leven met de kinderen, tot zij slapen gaan onder de kambodja. Wij weten, dat de Blanda’s sterker zijn dan wij en prentah geven om te doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer heelemaal anders. Soedah, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun prentahs laten geven hier, en prentahs daar, en altijd maar prentahs, zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl een huis waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken zijn. En de ouders sturen de kinderen weg om opgevoed te worden in verre landen door anderen; en later zien de kinderen niet om naar de ouders. De macht der prentahs hebben zij gekregen van den Heer God: het is onze straf; het is ook hun straf, kind van mijn hart, want wat ons vernedert, ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de prentahs bidden zij aan, de prentah is hun God, en wie de meeste prentahs geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij kafirs.”
Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en hief het hoofd op; njai Peraq was zacht blijven spreken, niet harder eindigend, dan zij begon; maar er waren groote nadruk en een vreemde bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet meer het onverstoorbare masker, glad en zonder plooi als van een hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol trekken en leven, met oogen erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend als van een jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij schaamde zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige leven weer verdween uit het gezicht en het licht weer uitging in de oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig aankeken als altijd.
„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande; „zij zijn niet waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is alles valsch, het is alles schijn; zij willen maar geld en betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er geacht door te worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel prentahs te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een mensch kan hebben van de jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben, kind van mijn hart, en gij zult beter en tevredener zijn.”
Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien ochtend,—niet van zulk een flux de bouche, van zulk een beredeneerdheid dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde in de familie, al was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij, veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige tegenstelling afgeflauwd; het had geen steun gevonden in een krachtigen eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid verdrongen.
Hij dacht nu, dat het waar was, wat njai Peraq had gezegd, en het scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben om over het denkbeeld heen te komen.
„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in de kamer vallende.
Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort:
„Zij heeft een heele speech gehouden.”
„Heb je het gehoord?”
„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.”
„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd.
„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde weten, wat zij te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van haar verwachtte.”
„Wat voor iets?”
„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt op haar manier heel veel van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.”
En toen Adam daartegen wilde protesteeren:
„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij heeft bliksems mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik zoo iets van haar gehoord. Het is gedeeltelijk nonsense, maar er is toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er voor sterven om jou hadji te zien worden.”
„Mij... hadji!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd was.
„Zeker. En als kandjeng Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder de Europeanen, dan is het misschien nog het verstandigste, wat je doen kunt.”
„Mij... hadji!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder te luisteren naar wat de andere verder zei.
„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar Amerika of Australië.”
„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.”
„Nou, dan zit er ook niets anders op.”
„Het is me onbegrijpelijk.”
„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want als ik er niet van door ging in zoo’n geval...”
„Wat dan?”
„Dan schoot ik me dood.”
Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In werkelijkheid zou hij nooit de hand durven slaan aan zichzelven.
„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere uitweg.”
„Ik moet over alles eerst nadenken.”
„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het maar, omdat je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat het geld van de-n-ouwen betreft,—daar krijg je je portie van, zoo goed als een onzer; met twintig mille in den zak, sta je dan toch vooreerst niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.”
„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.”
„Weet zij er nog niets van?”
„Neen, ik hoopte....”
„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk is.”
’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op, waarin hij eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat gebeurd was sedert hij in Indië aankwam; ook over Minah schreef hij; waarom zou hij daar doekjes om winden? „Gij zult hieruit zien, lieve mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat ik voor vroegere bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al de vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb ondervonden, en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u juffrouw Nora Tiele alles wat ik u hier schrijf wilt vertellen. Er behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik; haar lieve brieven heb ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen; het is beter.”
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
VERVLOGEN HOOP EN EEN NIEUWE VERBINTENIS.
De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls over Adams gruwelijke ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze altijd hadden bejegend als hun eigen kind, schreef hun geen enkelen regel. Ze waren er boos om.
Maar toen ze dien brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan te zien, mevrouw met tranen in de nog altijd mooie blauwe oogen.
„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.”
„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.”
„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?”
„Hoe meen je dat?”
„Wel... bij het Ministerie; bij de Kamers.”
„Ik vrees van neen.”
„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval... Wat kan dien Silver toch indertijd bezield hebben...!”
Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk een inlander was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren. Dat hij in Europa was geweest... ja! Dat hij Hollandsch sprak... ja! Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw, dat stond vast; wie zijn vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen was hij, als ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.... Er was dus in Indië goed gezien, goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te veranderen.
Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw Verlande zeer opgezien; maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet uitstelde, omdat het onaangenaam was.
Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij hadden zich het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te hebben, nu al zóólang eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn groot erfdeel te zien aankomen; en daar verdween dat kapitaal plotseling in het baadje van een inlander!
Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis was tegengevallen, bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn geweest. Men kon geen man zonder positie of talent trouwen, enkel om zoo’n beetje geld.
De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had een gevoel of hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook Nora, den armen Adam ten minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord van compassie ertusschen.
„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij.
„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande. „Bovendien hij had nog hoop.”
„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk moeten schrijven.”
En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral wijl Nora geen spoor van een partij door het langer uitblijven der tijding had misgeloopen, bleef de oude Tiele hardnekkig bij zijn bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver.
Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag stil houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo erg; in zoover zelfs erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou maken. Koud liep het den ouden Tiele langs den rug: de Hagenaars zouden hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven!
Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over zou spreken, wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar man; en zij schrikte toen ze, er ’s middags met hem over sprekend, hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld.
„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij.
„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.”
„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.”
„Dat wist ik niet; je hadt het niet moeten beloven.”
„Kon ik anders?”
„Wel zeker, ik wist het immers.”
„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.”
Verlande lachte.