Part 7
Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging, was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.
Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed, eenvoudig tot niets zouden leiden.
Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd, sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige digestie.
Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed.
„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.
Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen, dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.
„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze produceeren toch zoo goed als niets.”
Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan, zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een mensch door ontwaken.
Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij, waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten!
De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug, bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij, njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.
Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen.
„Wat doe je, ma?”
„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”
„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”
„Waarom kwaad? Op wie?”
„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.”
„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in huis willen zien?”
Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger tijd.
„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”
„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en brendy, maar pinter zijn ze niet.”
„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”
„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”
„Laat hem denken.”
„Dan wil hij haar trouwen.”
Bram lachte weer.
„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah, toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat hier zijn, dan is hij gewend.”
„En dan?”
„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig meisje om hem te pidjit.”
Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf, dat zij dááraan niet had gedacht.
„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in z’n kamer leggen; het is beter.”
Maar zij was bang.
„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”
„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”
Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN NIEUWE VLAM.
Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.
„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”
„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.
„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”
Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.
„Aardig, ja?” vroeg Bram.
Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.
„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een mantri van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”
Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.
Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig ensemble had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom, die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.
Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.
Werktuiglijk vroeg hij:
„Zou het niet gaan?”
„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”
„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheel au fait vooronderstelde en in kwart en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.
„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”
„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.
„Och, dat is niks. Integendeel.”
„Hoezoo?”
„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”
„Ja, dat zal wel waar zijn.”
„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”
En toen Adam dat nog doen wilde:
„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”
In het kamertje op het achtererf ging hij bij njai Peraq zitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.
Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dat totohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den mantri had, voorgoed van die gekheid af zou zijn.
Ernstig en stil overwoog njai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een laki als Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.
„Het kan misschien wel,” meende zij.
„Hm! Heb je hem vast?”
„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”
„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken en kwee-kwee te eten.”
„Wat zou dat helpen?” vroeg njai Peraq.
Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.
„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”
Maar njai Peraq fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.
„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker. Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”
Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.
Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.
Tot Bram opschrikte toen een baboe kwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.
Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ONTERFD.
Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer en een ander ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder; daar er op de plaats geen notaris was, en die ook niet te bereiken viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid een testament gemaakt onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen.
Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en alles werd opgeschreven en het gaf, vonden njai Peraq en de verdere familieleden, een gezanik, om ziek van te worden.
Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen, keken ze elkaar aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun verstand verloren.
„De oude was gek,” zei Bram.
Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen bij z’n verstand geweest; dat konden de getuigen verklaren.
„Maar moeder dan?”
Njai Peraq kwam in het testament niet voor.
„Het is te mal, het is nonsense,” hield Bram vol...
„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!”
„Welk?” vroeg de agent.
„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam vergeten.”
„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe.
Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over z’n gezicht, en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd.
„Dat heeft hij niet.”
„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.”
„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op gevestigd, ik wist... ik meende te weten, dat hij nog een zoon in Europa had.”
„Ja, natuurlijk.”
„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.”
„Ja, en wat zei hij?”
„Hij zeide... dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in het testament had genoemd.”
„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen, geïmpressionneerd, zooals hij ’t nog nooit was geweest.
„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met deze inlandsche vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne ingeschreven te krijgen in de registers van den Burgerlijken Stand, moest hij ze erkennen.”
„En heeft hij dat niet gedaan?”
„Voor de anderen wel; voor u niet.”
„Dus... dus ben ik...?”
„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien volkomen zuiver Hollandsch sprekenden en modern Europeesch gekleeden jongen man, „het is een hoogst onaangenaam geval, maar het is heusch niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon van de inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van njai Peraq.”
De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het leek naar niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet gedaan hebben, terwijl hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had geschonken, dat hij hem met uitsluiting van de anderen, een kostbare Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven toe, dat het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn overgeheld, dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden bij zijn verstand te zijn.
„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel, maar geen voordeel bij kunnen hebben, en je broer evenmin.”
„Dan is toch uitgemaakt...” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij wist eigenlijk in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt.
„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en aan je moeder ook, dan staat dat ieder vrij.”
Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen bezitten, wat hun moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer opgewonden, de tranen stonden hem in de oogen.
En njai Peraq, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een zenuwachtig mondtrillen op haar onderlip. „Bangsat,” dacht ze; maar ze zei het niet.
De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond voor het oogenblik de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen, als de financieele.
„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt me immers niet rechtmatig toe.”
Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij Bram het hoogste woord voerde, en dien njai Peraq zich liet verklaren door haar dochter.
„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en wáárom hij zoo heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan denken; maar jij bent mijn eigen broer, en al waren we niet van een en denzelfden vader....”
Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en door de moeder, maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was eruit. De twee ambtenaren keken elkaar aan; Bram begon te stotteren, toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster, die hem verslagen aankeken.
Njai Peraq zette haar bril recht en stond op.
„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik heb genoeg geld om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er behoeft geen twist over te komen.”
Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal breedsprakig; wanneer hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed zooals behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord te slaan.
„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren.
„Waaraan?”
„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als Europeaan wordt erkend.”
In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei de een:
„Misschien wel.”
„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn we graag bereid....”
„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.... Misschien een collectief request....”
„Wat voor request?”
„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt onderteekend.”
Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over, tot ze het verwierpen, en besloten dat eerst Adam zelf het verzoek moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor hem opmaken.
Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden, zwegen zij, geheel onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer, heelemaal vervuld van het zonderling geval.
Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het verschrikkelijkste wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche vrouw tot moeder, en hij dicteerde in zijn uiterlijk veel meer den maleier, dan den westerling, maar dat belette hem niet zijn maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag neer te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen gelijkstelling met dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de voorkeur hebben gegeven.
En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was geweest en die zoo heelemaal een totoh was geworden; nog erger wezen moest, dan voor hem.
Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan, en als het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij, onaangenaam zijn geweest. Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als hij z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al had ze een dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche vrouw altijd wel, dat men zulke gevaren liep. Van den twijfel, dien John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een idée fixe hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en kon hij zich geen voorstelling maken.
De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin toch zijn huishoudster gehouden, maar zich gewroken door het kind een Europeesche opvoeding te doen geven om hem later des te meer te „donderen.”
„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend, in uiterlijk en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John, „wat is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die er toch dood onschuldig aan is.”
Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die rustig een deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de jongen begrijpt het niet,” dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe ernstig het is.”
Het was ook zoo, althans betrekkelijk.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VERGEEFSCHE MOEITE.
Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.
Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde, hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veel pinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.
Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?
Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.
„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”
„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.
„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”
„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”
„Dat doet het ook niet.”
„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”
„Wat getuigen.”
„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”
Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.
„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man...”
„Nou, wat dan?”
„Dan ben je toch een vrouw!”
Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.
„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”
„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”
„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”
„En wat dan?”
„Ja, dat mag je wel zeggen.”
„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”
„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.
En toen Adam dat niet wist:
„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”
„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”
„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”
„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”
Bram begreep het wel, maar hij vroeg:
„Een portret van jou?”
„Neen; van een jonge dame.”
„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”
„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”
„Waar?”
„Hier in de kamer, op mijn bed.”
„Een liefje van je?”
Adam aarzelde een oogenblik.
„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”
„Dat is dan een gedane zaak, hè?”
„Hoezoo?”
„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar soedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”...
„Als ik op een land ben...”
„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”