Aboe Bakar: Indische Roman

Part 6

Chapter 64,139 wordsPublic domain

Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval, want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte; het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend hoe goed hij bij de zaak was.

„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”

Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.

En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo prettig liet aanzien.

In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven, een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden, enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.

En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

AAN BOORD VAN DEN MAILSTOOMER.

Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst. En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht zijn wat het wilde!

Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen.

„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.

„Wel verdomd,” riep de ander.

In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch, vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t geheel niet thuis was geweest.

Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn excuses te stamelen.

„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.

Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn onder zulke omstandigheden.

„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.

Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten huizen.

Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te nijdig om vriendelijk te wezen.

Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt, maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij bleek.

„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”

Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord, waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na, zich te vertoonen voor hetzelfde doel.

Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.

In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef; een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij het verlaten van z’n vaderland.

Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden slaap.

Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd.

Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.

„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.

Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel:

„O God, ik ben zoo beroerd!”

Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde, den commandant op om zich voor te stellen.

Die nam hem eens op met een stil glimlachje:

„Goed geslapen, meneer Silver?”

„Dank u, uitstekend.”

„Al ontbeten?”

„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”

„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”

„Ik... ik geloof het niet.”

„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.”

Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend; zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend, die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg.

Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg:

„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist, dat dit niet zoo was.

„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van papa.”

„Nu ja! wat veel...?”

„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan had.”

Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

IN INDIË TERUG, MAAR... AAN EEN STERFBED.

Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en vroolijk te maken.

Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.

Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk van—streek.

Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer „Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets herkende.

Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.

Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John Silver uit diens jeugd.

Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:

„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting bedremmeld en verlegen:

„Ik ben Adam.”

„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik verwonderd over de tegenstelling.

„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”

„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”

„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”

Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte: njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus gaf.

Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het haast ongelooflijk was.

„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan kan zijn.”

Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed; zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien opengaan.

Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en den mond aan zijn oor, zei ze dringend:

„Pa, paatje, daar is Adam.”

En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet, tusschen de witte kabaja’s.

Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met gloed.

Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand, die op de sprei lag, in de zijne en zei:

„Dag pa, hoe is het met u?”

Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.

Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam.

John Silver was dood.

Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.

„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.

„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.

„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.”

„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen ben.”

„Waarom kwam je niet eer?”

„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”

Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t haast niet vragen.

„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”

„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven in Holland.”

„En wat heb je er uitgevoerd?”

„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”

Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van spreken.

„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.

Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd.

„Zeg jij het maar.”

Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel, of hij had het mis!

„Op het land, dat zal het beste wezen.”

’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een licht, en tevreden knikte hij.

„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”

„Ondernemingen van den ouden heer?”

„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten, „van ons dan, na zijn dood!”

„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.

„Ja... wat anders?”

„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”

Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd, dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was, en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.

„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”

„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”

Daar schoot hem iets te binnen.

„De perken!” zei hij triomfantelijk.

„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”

„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”

„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de Bank.”

„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”

„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het heel mooi zijn.”

In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig besef van had, ging voort.

„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden. En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand, vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”

Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.

„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.

„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes, vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben, anders loopt hij er geducht in.”

Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen?

„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”

Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de begrafenis.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET GEVONDEN PORTRET.

Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie; die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de „cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze nieuwe omgeving.

Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken; het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.”

Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was, toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen, waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.

En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven, daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord, en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu was, met al de illusiën voor de toekomst.