Part 5
Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon. In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip. Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.
Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft, die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der vermaning van mevrouw Verlande.
Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman, door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe hij doen zou met Nora Tiele.
Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen; dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook; die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven; als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.
Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen; dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN VOORZICHTIGE MOEDER.
De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf eenmaal rijk zijn.
En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet bij hem op.
Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles lief, aardig, honneponnig, snoezig!
Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te meenen, zonder reserves, met gereede plannen.
Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was, dacht hij weer anders.
Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn voorbarigheid.
’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven.
Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan.
Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend. Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie huiswaarts keerde.
Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender had kunnen zijn.
Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek bedenkelijk.
„’t Is wat haastig,” zei ze.
Nora vond dat eigenlijk ook.
„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....”
„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”
Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver „serieus” moest worden!”
„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor hem.”
„Maar ma!”
„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast zeggen.”
„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.”
„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun aanzien; aan hem merkt men haast niets.”
„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”
„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben. Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”
„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven. „Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.”
„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren, vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.”
„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”
„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...”
„Dat niet in zijn nadeel is.”
„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig geweest.”
„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem, meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven zei.”
„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven, laat staan de hand.”
Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten „afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan, ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal, zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet onder te doen.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN ONAANGENAME VERRASSING.
Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.
En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem geadresseerd.
Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen. Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders, maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa, brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal.
Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien.
Je toegenegen broer Bram Silver.”
Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet, dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook maar in het minst is voorbereid.
Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de kennismaking voort te zetten.
Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de Verlande’s.
Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.
„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord zijn.”
En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.
„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”
„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.
Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.
„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik nog.”
„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn uitrusting hebben.”
Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren, die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte.
En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger, buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader. Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij, Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.
Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen vertrek.
’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn, en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen. Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de „flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had gevonden.
Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde, „de kogel wel door de kerk” zijn.
En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren vooral.
Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd; hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen, nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om; zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als altijd anders.
„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.
Nora schudde zacht het blonde hoofd.
„Neen,” zei ze.
„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst met je te hebben gesproken.”
„Ja,” zei ze.
Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht hij, niet moeilijker wezen.
„Hier is de brief.”
Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s; zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te geven.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN DECLARATIE IN OPTIMA FORMA.
De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen; het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid, tegenover zijn donker robust.
„Heb je geen herinnering aan je pa?”
„Niet de minste.”
„God geef, dat je hem nog levend vindt.”
„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest lang duren in Indië.”
„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”
„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.
„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”
Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde haar niet bedriegen.
„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”
Verwonderd keek ze hem aan.
„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.”
„En dan?”
„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”
Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.
„Ik geloof er niets van.”
„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in Indië zal ik er thuis werk van maken.”
„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder antwoord op mijn vraag: en dan?”
Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.
Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf vroeger hadden geweten of gedacht.
En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het maar hebben kunnen.
De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben, al was zij uren later thuis gekomen.
Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat hij met den ouden heer alleen zat.
„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over mijzelven en over Nora.”
Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten, het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje.
„Zoo, zoo!”
„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en daarna een aanzoek...”
„Ja. Hoe oud is je vader?”
Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien: hij wist het niet.
„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.”
Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen.
„Hoeveel broers en zusters heb je?”
Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan. Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken?
„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”
„Met je hoeveel?”
„Vier.”
Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet. De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer, wist hij precies.
„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”
Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders?
„Een millioen,” zei hij in zijn angst.
Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages wegdoen en uit hun groote huizen trekken.
„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”
„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”
Hm! Daar had-je ’t al!
„Suiker?”