Aboe Bakar: Indische Roman

Part 10

Chapter 104,030 wordsPublic domain

Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:

„Dat moet je zelf weten; dáárin geef ik liever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”

Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.

„Je gaat naar Batavia, niet waar?”

„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”

„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van... wat denk je?”

Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:

„Brussel.”

Mevrouw Verlande begon te lachen.

„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”

Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ONAANGENAME ONTMOETING EN WROEGING.

Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd huwelijksreisje te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver niet meer; geen oogenblik. De herinnering aan hem was nu niets meer dan een flauwe kinderachtigheid.

Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag, maar toch niet zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van inlanders, dat haar eigenlijk meer vrees aanjoeg dan belangstelling inboezemde.

Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, vrouwen en kinderen, allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met profusie van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren, en een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere kleurstukken daartusschen, in een langzaam gewriemel van overgangen bij het rustig voortschrijden, zonder gedruisch.

„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou je een ander leven hooren.”

„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora.

„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer een lading Mekkagangers.”

„Wat zijn dat?”

„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben nu geld en zijn niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar hadji.”

Het jonge vrouwtje wist niet wat een hadji was; zij vroeg er ook niet naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek zij naar den walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten baard, het hoofd en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving, en blank te midden van al dat bruine; veel blanker, dan Adam Silver geschenen had in Holland.

Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging; toen de boot met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal meerde, had hij, den blik latende gaan langs de reizigers, die over de reeling van het achterdek leunden, Nora herkend; onwillekeurig was hij blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm; verwonderd, niet ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door een geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende zwarte oogen, als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische kracht; zij had geen woord kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten.

De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar Petersburg,—zóóver moest hij van haar af zijn, en daar stond hij op geen tien passen afstand.

Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde. Zij zag hem verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog strak naar die plek, toen hij al weg was.

„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?”

Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs de oogen, zoodat die er rood van zagen.

„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.”

Ze werden gestoord door medepassagiers en de hurry van binnendringende verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en van boord kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van gereedstaande kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was onder den hellen gloed der zon een verwarring, waaruit men zou gedacht hebben, met zijn persoon en zijn goed nooit terecht te komen, maar die zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken exodus naar het spoorwegstation oploste.

Bij al de onvermijdelijke drukte in het hotel; het uitpakken van koffers; het uitzoeken van het goed voor den waschman en het hulpeloos getob met onverstaanbare bedienden, dacht Nora den heelen dag telkens weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets aangenaams voor haar gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting inboezemde, en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo het haar ooit overkwam. En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte in een ruim bed, kwamen de groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar verbeelding, tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn.

Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en wat hem het meeste leed deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld. De scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een gewone stoomer, voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de afvaart begon de zeeziekte; en wat dat opleverde aan tooneelen vol ellende en walgelijkheid!

Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn geloofsgenooten, mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat hij ervan rilde. Ja, zooals ze daar lagen, waren zij een troep beesten gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid der wanhoop ronkten de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging niet. En voor de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning.

Naast dat beeld van vuile misère, doemde dan telkens in zijn geest op dat der reis naar Indië als Adam Silver; de aangename, beschaafde conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote blinkende zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of een groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van een verbazend dommen streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord er haast niets bij was; en dan bestreed hij dat ongelukkig gevoel: trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of hij ergens op het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde gebedsformulier, tot hij het overweldigend gevoel van jammer als het ware had weggehypnotiseerd.

Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was; blij aan het einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land onder zich te voelen; maar om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen waren van den regen in den drop; dat zij in dit gezegende oord werden behandeld als honden en geplukt als kippen.

Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, zijn kalme en deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de anderen; hij hielp hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat hem van school was bijgebleven, kwam hem te pas; hij parlementeerde voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet veel. Ook hier had hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins af van de ontzettende afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een kwartje deed betalen voor elken pisang.

ZESDE HOOFDSTUK.

ABOE BAKARS TELEURSTELLING.

Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de heilige stad zelf. Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat uit alle deelen der mohammedaansche wereld talrijke karavanen er hun kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de groote moskee, lang, met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied den zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van zaligheid vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar overigens trof het hem, dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest was; een groote warong met het aanzien van een gevangenis, een roovershol metterdaad. Toch had hij minder last van de vele ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een wantrouwen toch, zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door kwam, toen Minah zich had verpraat en verteld, dat haar man vroeger christen was geweest; voor een priester moest hij zijn waren staat van mohammedaan bewijzen; en... dat kon hij.

Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er onder de vreemde pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit Achter-Indië, die ook, door hun handel op de kust, het gewone strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling en gegoedheid hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den godsdienst, over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het christendom. En toen een hunner het plan vormde met een karavaan langs de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor; Aboe Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee hij was gekomen.

Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te Mekka; wèl groote hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de eigenlijke binnenstad, alles nauw, somber, vuil.

Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld had gekost, zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had bezorgd, achter den rug had, en hij op een boot met minder Mekkagangers kon terugkeeren. Op het zindelijke dek, waar nu alles geregeld en goed kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten was eenvoudig inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken dag meer op den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan naar het graf van den profeet, kwam boven; nog vóór de boot straat Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu reeds het gezicht halverwege bedekt droeg, allerminst.

Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten, maar de familie Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet schelen, Minah hinderde het zeer, zij zag er, vond ze, zoo deftig uit met den tullen doek met gouden sterretjes voor het onderste gedeelte van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden te zien; het les amis de nos amis sont nos amis vonden zij bewaarheid bij de orang selam, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er die present waren geweest bij hun vertrek, die hem herkenden en uitnoodigden.

Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid van een mandoer, die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt trok hem het meeste aan, die oude stad! Hij deed er zijn intocht in de kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in de algemeene schatting deed stijgen.

En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een grooten kring op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes rookend, vertelde Aboe Bakar langzaam en deftig van de Heilige Stad; en hij loog, dat het een aard had, zonder zelf te snappen, dat hij zoo loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen, werkelijk hadden gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden, nadat zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een aureool van heerlijkheid.

Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog idée van den Saïd Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op de twee onvermijdelijke wipstoelen, die in het voorgalerijtje een kleine ronde tafel flankeerden.

„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den mandoer te logeeren zat eigenlijk in het feit, dat hij deze vraag iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon.

„Hebt ge geld?” vroeg de andere.

En toen het antwoord bevestigend was:

„Hoeveel?”

Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; njai Peraq had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel dat was, wist hij niet; zelf had hij nog achttien mille; hij wilde voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen.

„Tien duizend,” zei hij.

„Het is niet genoeg en wel genoeg.”

Daar begreep Aboe Bakar niets van.

„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?”

„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan behoeven wij nooit geld vooruit te vragen.”

„Maar waarvoor eigenlijk?”

„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.”

„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.”

„Handel drijven.”

„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.”

„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat komt er niet op aan. Ik heb het meer gedaan.”

Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek, schoot Aboe Bakar door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en compagnon-zijn sprak, altijd: dat als één er verstand van had en de ander had het geld, dan na eenige jaren de ander ook het verstand kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei hij:

„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.”

„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de Chineezen, het is handel in vee.”

Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in. Het was half vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou vestigen als veehandelaar voor gezamenlijke rekening. Een koele wind streek door de kampong en ruischte in de groote, rafelige en gescheurde pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn naakte lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige koetjitja een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren uitgegaan, en een klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts binnen; achter het gordijn, dat in de diepte der woning de slaapplaats en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het gestommel van uitgeslapen menschen, die haast willen opstaan.

„Ik ben koud!” zei de mandoer.

„Ja, het is frisch.”

„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is zoo ongezond.”

„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal.

„Daar neem ik altijd wat obat voor, wil ik je ook wat geven.”

„Is het erg leelijk?”

„In het geheel niet; het smaakt goed.”

De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje, waarvan hij den sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen vol, loerend erdoor heen tegen het nachtlichtje om niet te morsen; toen nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe Bakar had het dadelijk geroken: het was cognac.

En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het glas ad fundum ledigend.

„Is het geen goede obat?” vroeg de mandoer.

„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan.

Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de hoogte van den veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder geloofsgenooten.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN BESCHAAFD MOHAMMEDAAN.

Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een gehuurd, ’n heele mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde zich nu zeer tevreden en gelukkig in zijn lot; als Europeaan was hij een domoor geweest; een good-for-nothing; een, waarmee men niet wist wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als inlander was hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend handelaar, die goede zaken deed.

En hij was inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog tegen hem opzag, wijl hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit perkara’s had en streng volgens den koran leefde; maar de Arabieren mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig; hij imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men bleef op een afstand zoo in als buiten den missigit, en Aboe Bakar liet er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen niet deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de hoofdstukken en verzen bij aan uit den koran, die het wee! uitspreekt over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts aan God de uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den dag der opstanding.

Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met Europeanen; met Bram hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het eenige. En Bram was nu een big boy geworden, zoo schreef hijzelf; hij had een aandeel in een land, en men maakte groote zaken; hij had het oude huis der Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten gooien; op de plek stond nu een mooie villa; de plaats zelf was door de welvaart der planters zeer vooruitgegaan; hij blufte in zijn brieven, dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep; die las het alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had, zoodat het dáárbij scheen te zullen blijven.

De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze zooveel jaren had gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij ook bij den liefsten zoon had gewoond; en op haar erfje stonden klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere soorten groot en schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar.

Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa Djalil geen mandoer gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken dringend noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en ook wel, als er haast bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest, die om zijn uiterlijk en deftigheid, om zijn fraaien witten tulband in lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren meer in aanzien was, en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse biljet, om meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich bij de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte, dat de nederigen het eeuwige leven beërven; maar als er veel Europeesche militairen op het dek waren, en zij vloekten en waren ruw, dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken.

Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse dek in zee te kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en vervloeien, het dansen en klotsen en schuins opspatten van de groote watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances getint.

Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van het helle glanzen, week een baboe eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien toean saïd; hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond kindje, dat bij haar was, vroeg hij:

„Vindt njotje het pleizierig aan boord?”

De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing.

„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?” vroeg het met de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen, eigen aan kindertjes van Europeanen in Indië.

Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit blonde kind; hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te denken; het kind had gelijk; het was heel gek. En nog gekker vond hij het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel een pijpje rookend, lachend tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier” het kind in ’t Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders kende dan maleisch.

De baboe ging met het kind naar het achterdek, verlegen over de brutale vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat handwerkjes deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun partijtje maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart werd dichtgeknepen, zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest Adam Silver zijn; dat wist zij ineens zeker. Zij hoorde de beschrijving door de meid van het uiterlijk van den toean saïd,—het kon onmogelijk iemand anders wezen.

„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die zich mee verveelden, allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de vrouw van den majoor Slaters—de gouden kraag was er al!—wilde niet.

„Gut, hoe flauw!” meende een.

„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander.

En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t kinderachtig excursietje niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig; zij had nu al een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op hetzelfde schip haar hypnotiseerde; zij wist, of had althans de overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel van strakheid en van niet te kunnen denken over haar komen zou.

Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar zelfstandigheid te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend omdat ze een mooien Arabier gingen zien, die Hollandsch sprak, liepen ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten elkaar aan met de ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!”

Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de reeling leunde, zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze keken niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een staaltje van een modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje, keerde zich ineens tot hem:

„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?”

De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin, om wat zij een enorme brutaliteit vonden.

Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe Bakar niet; een glimlachje ging over zijn rustig gezicht:

„Ja, mevrouw.”

„Hoe is het mogelijk?”

„Ik heb het geleerd.”

Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en wat gaf hij daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „Pour savoir une chose,” riep een harer onder het lachen.

„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „il faut l’avoir appris.”

Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen van allen wat te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de lippen op elkaar. Welk een schilderij van ’n man!

„U woont zeker in Indië?” vroeg ze.

„Te Batavia. Ik reis voor zaken... als koopman. Mijn naam is Aboe Bakar.”

Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden ook niet geweten, wat te zeggen. Hij had zich voorgesteld, eenvoudig, gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk en beleefd gebaar van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,” zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als Europeesche dame!

Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het bijzonder voorval, en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou, je hebt iets gemist, hoor!”

Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd beschreven van top tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag, en wat hij zei.

Nora was het, als had zij erbij gestaan.