Part 11
Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed gedaan; ze had gevulder vormen gekregen, en dat stond haar voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets van te zeggen, was zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt.
Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den heelen dag aan, onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting, kwam een geweldige nieuwsgierigheid om hem toch eens te zien, zooals de anderen hem hadden beschreven.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ONGELUKKIGE FAMILIEBERICHTEN.
Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde zeevlak, helder in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en wisselend halfdonker; de heeren zaten alweer aan het partijtje, in de rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te digereeren op het achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de cabines.
Nora was opgebleven.
„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend.
Zij kreeg een idée.
„Het moet nu prachtig wezen op de brug.”
„Zoudt u eens willen zien?”
„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s morgens had aangesproken, „ga je ook mee?”
Ze volgden den gezagvoerder, en het was heerlijk, het uitzicht van de brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar na een plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen haar oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in den arm: Aboe Bakar zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan zijn zaken en hoe hij die zou afhandelen op de kust; een strootje rookend voor tijdpasseering.
„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n man, hè! Om alles voor te vergeten.”
Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor hem; niets! Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel bang; wezenlijk heel bang voor een ontmoeting met dien Adam Silver als Mohammedaan en hadji; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man; overigens niets, en dat ze zoo ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets zou uitkomen, van wat vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had.
Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor te stellen, gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was eenvoudig en secuur; zonder veel risico en agitatie; juist zooals bij zijn aard paste.
Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als hem daar niet iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van wien hij in den laatsten tijd niets had gehoord, zijn moeder en zijn zuster. Van boord af zag hij het troepje op de kade staan, Bram magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar in zijn gezicht niets veranderd; njai Peraq wit van haar geworden, maar dikjes en vetjes, een Schotschen omslagdoek over het baadje geslagen en een groote pajoeng in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte japon aan, waaronder de witte rok uitkwam en waarvan het split open stond, en met een allergekst zwart stroohoedje op met ’n lange heen en weer waaiende enkele veer.
In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder leed of vreugde; met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam komen die doen?
Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere vormelijkheid mee; zijn moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de broer en zuster schudden hem de hand. En op zijn vragenden blik, antwoordde Bram:
„Ja, kerel, ’t is een bedonderde perkara.”
„Is er iets gebeurd?”
„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en zich over den knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!”
„Ik dacht, dat het je goed ging.”
„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.”
Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op.
„Ik begrijp het niet.”
„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de koffie?”
„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep de uitdrukking niet eens.
„Ik handel in vee,” zei hij.
„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot overmaat van ramp waren we borg voor achttien mille en werden aangesproken.”
„Maar het geld van moeder?”
„De heele rataplan, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n duim naar de zuster wijzende—zij ook.”
„En nu?”
„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer opzienertje gaan spelen.... als je zelf baas bent geweest.... Ik zal zien, dat ik hier een baantje vind.”
„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter hen aan liep, blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen.
„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg, Josep, kom eens naar voren. Onze broer Ad....”
„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen zachtjes tegen Bram: „Heet hij werkelijk zoo?”
„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij is van adellijke afkomst.”
Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet naar uitzag.
„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij verwijtend.
„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat zullen we hier wel in orde maken.”
„Zijn ze dan niet....”
„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je goed kijkt dan kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar het beste was hem mee te nemen en ze dan hier te laten trouwen.”
„Wat doet hij?”
„Eigenlijk niets; hij zoekt een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde geval als ik: aardig geld gehad, maar alles weg.”
Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de anderen in een ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse waggon en onder het rijden hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen; de jongste broer had niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als opzienertje; die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n boschmensch.
En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die hem geen belangstelling inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen stond.
„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement...”
„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter Molenvliet; als ik geweten had waar jij woonde...”
„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude vrouw mee naar mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen; daarvoor behoef je niet bang te zijn...”
„Dat ben ik ook niet,” zei Bram.
„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu iets noodig?”
„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan ’n paar honderd pop, alles samen genomen, zit er niet aan.”
Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning.
„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het geld moeten bewaren voor u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat hij in die zaken pinter was.”
Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens:
„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van... den ouden heer Silver; ’t was dus dat van Bram ook.”
„Ik had het verdiend.”
„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der aalmoezen.”
Daar zweeg njai Peraq op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het op de slappe veeren slingerende karretje, tot zij weer zei:
„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.”
„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met islamitische onverbiddelijkheid. „De koran zegt, dat er geen zegen is bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen hebben in mijn zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de uwe zelf.”
Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo heiligen en geleerden zoon, vond njai Peraq het niets prettig dus de les te worden gelezen, en dat nog wel nu zij haar geld kwijt was; daarom zei ze in het geheel niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen smallen kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp.
NEGENDE HOOFDSTUK.
SCHOONMOEDER EN SCHOONDOCHTER.
Njai Peraq liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand; njai Peraq was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toen njai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haar kaïn de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:
„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”
Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.
„Wij zijn tevreden.”
„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”
„Het is hier niet vuiler dan elders.”
„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den mantri, uw vader, ook niet.”
En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.
„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet niets; als een lui beest lig je daar tusschen vuile bantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met de rotan.”
„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”
„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond te krakal als een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”
„Het is mijn schuld niet.”
„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”
Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.
„Het is zijn schuld.”
„Het is nooit de schuld van den man.”
„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de njai geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”
Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend dat njai Peraq handtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.
„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.
„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.
En toen ze nog altijd zweeg:
„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”
Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest het doen; moest hij, levend naar den koran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?
Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in de kondé en slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paar gendies brekend bij het vallen.
Wat had hij daar een berouw van!
Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.
Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!
Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.
„Ada apa, toean saïd.”
Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:
„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”
Njai Peraq had het zóó niet bedoeld; zij had nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in een stadium van erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.
Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.
„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.
„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ik wil niet; het zal niet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”
Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.
En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:
„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”
Dat keurde njai Peraq af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:
„Wat zou het?”
Minah keek haar strak in het gezicht.
„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als....”
Maar dat liet geen vergelijking toe.
„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens de adat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen....”
Hier lachte Minah schamper.
„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”
„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei njai Peraq kalm.
„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”
Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:
„Toewan Allah heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek der blanda’s; het is een wonder.”
Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!
„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.
„Heeft hij erover gesproken?”
„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”
„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”
„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”
„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”
„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”
„Astage!” riep njai Peraq uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”
Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.
Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.
TIENDE HOOFDSTUK.
EEN TROUWELOOS MOHAMMEDAAN.
’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er gebeurd was; zij zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in den donkeren avond op het kleine erfje; armoedig en eentonig schemerden hier en daar kleine petroleumlichtjes door de paggers en het groen; in de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende karren; een enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg pikoelenden Chinees; maar anders was het stil.
„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar.
„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.”
„Maar het zal veel geld kosten.”
„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je het doen. Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen handel.”
Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie niet te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te hooren door een ander. En nu begon hij langzaam zijn plannen te bespreken, tot de oude het als naar gewoonte ’s avonds laat te koud kreeg, en zij samen obat namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat hij daar verkeerd aan deed, maar goed beschouwd vond hij de zonde tegen den koran zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn glas cognac te drinken, kon hij het niet meer laten.
Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit. Hij betaalde de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en Bram elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die weer bij Bram haar intrek nam. En toen dat alles geschikt was en geregeld, volgde de eene maand na de andere, zóó, dat het was of er voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep even gelukkig af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast, dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend.
Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist.
„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa Djalil gevraagd.
Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk.
„Het is in strijd met den koran, die verbiedt het leenen tegen rente op straf van Gods toorn.”
„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa Djalil met een leuk lachje opgemerkt.
„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor alles ter wereld niet handelen tegen het boek in zoo iets belangrijks.”
„Allah is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem. „Mijn vader was een braaf man; hij deed het ook.”
Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen voorschrift uit den koran hem van zijn stuk brengt.
Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil met te zeggen:
„Koop dan huizen voor je geld.”
Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek komen, ook het Europeesche, op het vendukantoor en bij het kadaster; dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk. Doch ten slotte werd het al te dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware rijksdaalders; het was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst haast niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te worden.
Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen cementvloer der voorgalerij met het pleizierig gevoel, dat hij hier baas en meester was; dan in de kamers met de hooge muren, beneden geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door de open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der zoldering; hij liep het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht begroeide erf op, waar van de bijgebouwen heele stukken kalk waren afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van een rood als oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken, dacht hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar dadelijk last aan een ouden inlander, die dag en nacht het leege huis bewaakte, met als eenig meubilair een baleh-baleh in een der vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen toean saïd, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een toekang batoe te halen, maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf opreed.
„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is het te huur?”
„Belon priksa,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n schouder naar achter wijzend: „De eigenaar is er.”
De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar klein rijtuig, liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in de voorgalerij, ging dan vlug naar binnen en stond er tegenover Aboe Bakar, die had hooren rijden op het erf, en ook eens kijken kwam.
„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur krijgend als een kers. „U bent dezelfde, die... de Arabier van boord!”
Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend.
„...Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.”
„Gut, dat is al heel toevallig.”
„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.”
„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi hoor! Is het uw huis?”
En ze keek weer naar hem net als zij gedaan had aan boord, toen ze tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles voor te vergeten.”
„Ik heb het pas gekocht.”
„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.”
Toen de inlander terugkwam met den toekang batoe, vond hij de voordeur gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde. En de deelemankar wachtte nog...
„Kang,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had meegebracht, „we moeten nog wat wachten op den toean saïd; ga maar mee naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.”
Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de toean saïd zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van huiseigenaar; hij was verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten meesleepen door dien ouden Europeaan, die in hem was gebleven uit den offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote westersche stad door een bemiddeld jongmensch.
Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij, die zooveel ophad met den koran,—hij dronk dagelijks den drank, welke een gruwel was door satan uitgevonden, en hij had de honderd zweepslagen op het overspel verdiend....!
Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon brandde op zijn lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de voertuigen, voortgezweept door den heeten wind, dwarrelde om zijn grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes riepen hem aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus handelend nooit het beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met groote zwarte oogen en met zwellenden boezem bestemd zijn voor de gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij daartusschen door dacht aan het wezenlijk avontuur van zooeven, dan zonk het toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer in het niet.
Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte zijn handen nat aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide oogen, en steeg zuchtend in een dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar zijn kampong.
ELFDE HOOFDSTUK.
HOE ZAL IK STERK ZIJN?
Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.
„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen...”
De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.
„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”
Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.
„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”
Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken hadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.
„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.