Part 12
In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’n roegi gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen...
„Je moogt het niet!”
„Nu dan, het is toch adat.”
„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij een orang selam, niet bij een vuilen kafir.”
Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooien toean saïd.
„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor den toean saïd wiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.
Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!
„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”
En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerd penghoeloe:
„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”
Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.
Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?
Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.
Habis perkara.
Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.
Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam van Allah bij aanroepen, en alles driemaal.... Wat was er dan toch gebeurd?
Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen. Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.
Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?
Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam obat tegen de avondlucht?
Wat moest hij doen om daar af te komen?
Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.
Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn obat alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem zacht smakken met een klein gesteun van genot.
En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
ZONDERLINGE ONTMOETING.
De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren pleegzoon, was uit de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst was het een brief vol jeremiaden. Met haar komen in Indië, was alle vroegere Hollandsche misère weg; vergeten waren de jaren van verdriet en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap, dat zich al begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten was de deftige en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in het ouderlijk huis; vergeten waren ook de bitse en verdrietige humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde zusters; vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met een hoogst fashionable man, die een goede toekomst had, haar letterlijk had gered.
Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te worden, woedend. De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een paradijs had verlaten, om in de hel te komen, en de doorloopende gedachte was: wat is dat Indië een akelig land!
Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik te maken in Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en been, dat men zoo weinig kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij in Holland haar ouders een nieuwe japon als het ware van het hart moest scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg wat men wilde geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te Batavia nooit precies kon krijgen, wat men wilde.
Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting met den gewezen Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden geloofd, denkende dat zij zich in het uiterlijk had vergist.
Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg, door het gewoon meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde; daarmee kwam vanzelf de belangstelling; juistere schatting en, in menig opzicht, waardeering, volgden.
„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande.
„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw.
„Toch niet....”
„Zeker, de mijne ook. Je hebt mijn brieven uit dien tijd naar Holland niet gelezen.”
Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het verhaal van de stoomboot. Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat haar man er iets van vernemen zou.
Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich nu nog muizenissen in het hoofd halen om die oude, onschuldige tjerita, schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit gebeurd.
En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest, dat ze toch altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een hadji, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd tot de voeten, toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad, groot en breed tusschen het bontgroen der rijen crotons door.
De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen hoofdofficierswoning open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis ten publieken verkoop was geannonceerd. En Aboe Bakar, die het geld, dat hij overhield, nu voortdurend in huizen bleef beleggen, had ook niet geweten wie de huurders waren. Hij had het huis gekocht, eenvoudig op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte bij ’t kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar aanmelden bij den huurder.
Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk; maar hij had zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en sprak haar aan in het maleisch:
„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom alleen u zeggen, dat ik dit huis heb gekocht.”
Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door in ’t maleisch:
„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven wonen zoolang u wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of zoo....”
Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar meisjesjaren had liefgehad; dàt was dan de naar de laatste mode gekleede mooie jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij had de niet beredeneerde maar traditioneele minachting van den Hollander in Indië voor al wat hadji is. En zoo stond hij daar nu tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een mindere; den trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid behoort, op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam over haar; het deed haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om niet te laten zien, dat van tranen haar de oogen vol schoten.
Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In dien gedachtengang had hij zich niet kunnen verplaatsen; dàt was hem nu zoo vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel; hij had, vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen antwoorden in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit gezien; enkel als de huisbaas.
Nu ging zij schreiende naar binnen!
Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de binnengalerij.
„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij binnentrad.
Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en het glimmend gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij gekocht had, eens opnemend.
„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.... onze.... verhouding in Holland.”
Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den golvenden zwarten baard door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje, dat een man, een Mohammedaan als hij, zou spreken over haar!
„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij.
„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.”
Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het gezicht, en hij had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een andere, ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn donker gezicht kleurde op, en hij boog zich voorover tot zij met een rilling van schrik zijn baard voelde tegen haar wang.
„En dan mijn belooning?”
Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad, zoodat hij ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo, dat hij de hand op z’n borst lei en een stap terugging.
„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.”
„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben geen gemeene kerel.”
„Dat ben je wel.... Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.”
Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd, als een hond, juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder goed te begrijpen.
„Als ik u beleedigd heb....”
„Dat weet je heel goed.”
„Ik vraag er vergeving voor.... Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame vrouwen eerbiedigen, en dat doen wij ook.... Ik meende...”
„Van mij?”
„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele jaren niet. Maar één heb ik ontmoet.”
„En die ééne?”
Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt.
„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet meer komen. En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den koran.”
Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit, getroffen door zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het niet, boog in, op oostersche wijze, en ging heen, bedaard en rustig in houding en gang.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
ABOE BAKAR KIEST ZICH EEN TWEEDE VROUW.
Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de volkomen zekerheid, dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang, en tegelijk zag ze in, dat ze zich eigenlijk noodeloos ongerust had gemaakt.
Maar die ééne... ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige levendige vrouwtje, dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de societeit of in private gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren, overtuigd, dat het jong en overmoedig schepseltje al heel gauw zou laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde haar te veel afkeer in; c’était fini nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep, het was nu zóó goed, dat niets bedorven mocht worden.
Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis gaan ook een besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede vrouw te nemen bij Minah, wijl hij bang was voor scènes; nu had in den laatsten tijd die zondige en met het heilige boek geheel strijdige relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht hij, een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie afbreken en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen.
Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er flink geld voor, dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het dan maar dadelijk doen, en hij nam er een rijtuig voor; geen gewoon karretje of een dos-à-dos, maar een mylord.
Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met veel betoon van hartelijkheid en onderscheiding ontving, kende er wel een, die een mooie dochter had en haar graag als vrouw aan den rijken hadji wilde afstaan.
Maar eerst moest hij haar zien.
Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland, donker, sterk, in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard, veerkrachtig vleesch,—zij was meer een kasplant, heel licht van huid, bij blank af, zacht en poezelig; met iets kwijnends in de oogen en sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen en begeerlijk van persoon in haar wiegelenden gang, lengang-lengang door het huis, dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde.
Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag!
Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn begeerte had doen blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den vader, die hem voorstelde over deze „zaak” nog eens te komen praten.
En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, praatte hij er ’s avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis.
„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar.
„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil.
„Niet? waarom niet?”
„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.”
Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist heel goed, dat het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde hij niet.
„Wij mogen meer dan één vrouw hebben.”
Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het onnoozele gezegde; alsof een kind niet wist, dat een orang selam dat mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren?
„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.”
„Waarom niet?”
„De koran verbiedt het.”
„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam aandragen met den koran. „Het is niet mogelijk.”
„Betoel, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst; „wie zijn eene vrouw liefheeft boven de andere, zal op den dag der opstanding met ongelijke billen verschijnen.”
Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen riep hij met een hooge stem:
„Bilang apa?”
En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de vlakke handen op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem in jaren niet was overkomen, met daar tusschen een herhaald, terlaloe, terlaloe, pantatnja tida rasa; en dan lachte hij weer voort, tot hij met de punt van zijn baadje zich de tranen van ’t gezicht veegde.
Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij, luid lachen ongepast, als men ernstig sprak over het heilige boek.
„Het is Soerah IV....” begon hij weer met overtuiging.
Maar de oude liet hem niet uitspreken.
„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u, laat dat alles loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen wordt goedgevonden. Er zijn geleerde menschen, die alles in den koran napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de ander het is zóó, maar het verandert niets aan wat wij allen, goede Mohammedanen, doen, en wat onze vaders en grootvaders hebben gedaan. Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen in koeien en schapen.”
„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de menschen gelijk hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het laten zien.”
„Ik wil het niet zien.”
Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt, omdat het beetje koran-wijsheid, dat hij van den penghoeloe had, die hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet onderwezen man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van zijn compagnon; daar pikirde hij nog lang over; hij had het in zijn leven meer bijgewoond, dat een mensch gek werd door te veel te denken over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al een aardig eind op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van godsdienst. Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam men al die dingen zoo zwaar niet op; men deed gelijk zijn vrienden en familieleden en bemoeide zich niet met de rest. Maar zij, die overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk over dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het fijne weten. Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis was om vee te koopen met een groote som geld, wat dan?
Dan was het geld weg!
Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het koel werd in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en nam wat obat.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
GELDELIJKE VERWIKKELINGEN.
Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke familieleden van zijn aanstaande tweede vrouw.
Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch ook in den koran, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als men vreesde onrechtvaardig te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk mensch geworden, en dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en zich er aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den koran verdiende.
En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier gekleurde kelamboes voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de bedden; en hij zou ’n paar zindelijke dienstboden zoeken om voor alles te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer; andere tafels met marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken; ook zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar.
Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen tegenover de moeder van zijn zoon,—neen, dat niet.
Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der pendoppo zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder het lijf, het rookgerei in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd er iets gezegd over de huwelijksgift, die Aboe Bakar zou schenken aan zijn tweede vrouw in den zak haars vaders.
Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd dinars uit den koran, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar telkens als hij lang aarzelde, zag hij toevallig rechtuit in een vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande, hetzij komen of gaan; en dat maakte hem dan weer williger.
Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien avond eens werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t nieuwe voornamere leven, dat hij tegemoet ging.
Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en daar hij, ondanks de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor Dailah, zijn tweede vrouw, hield hij ze zooveel mogelijk van elkaar af; en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden bij, deftig ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien steeg door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich oppassers hadden, pajongs dragend met een vergulden rand.
Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en beleefdheden ontvangend, maar direct klagend over den slechten tijd en de weinige winsten, die hij maakte; want hij wist wel, dat ze altijd geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug!
De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele huishouding en arme aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan ooit.
Njai Peraq kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het geheel niet adellijk uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een betrekking had, van geen ondersteuning door den islamitischen zwager meer weten.
Bram was een Pechvogel; hij verdiende geld genoeg met een karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor inlanders, maar hij was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en dat bracht hem vaak in ongelegenheid.
Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd; Aboe Bakar stiller, teruggetrokkener, devoter. Door zijn schoonvader was hij in aanraking gekomen met een priester uit het binnenland, en die bezocht hem vaak.
Dan hielden zij lange gesprekken over den koran, en Aboe Bakar schokte dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon hij in te zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware geloovigen; dat alle anderen kafirs waren.
Zacht sprekend, den tasbih door de hand latende glijden, zaten ze weer bijeen, in de ruime houten voorgalerij van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje; het lamplicht brandde rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den penghoeloe in een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend aan de kin, krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme kleine oogjes blonken lichtend onder de ruige grijze wenkbrauw; de groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus erover en de mond, ingevallen eronder als een groef met verticale rimpels daarop, door de leegte van tandeloosheid eronder, gaven iets diabolieks aan het masker, tegenover het goedig donker gezicht in een profusie van grof blauwzwart haar tegenover hem.
Een driftige hand lichtte de neergelaten keré op.
„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar binnen werkend. „Het is anders maar een oogenblik.”
Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste.
Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar voor; met een vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester elkaar de hand; zij zagen elkaar even maar in de magere tronies en kregen geen van beiden een pleizierigen indruk.
Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen gekregen, heel toevallig en erg goedkoop.
„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar, „het is te geef.”
En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen zin in.
„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de penghoeloe, een groot liefhebber.
„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat anders; aan hem zou ik niet willen verdienen.”
„Laat ze den penghoeloe zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem voor wat hij wil betalen.”
Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet; hij knikte dus toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden bezoeker.
„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij.