Aboe Bakar: Indische Roman

Part 13

Chapter 134,133 wordsPublic domain

En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den penghoeloe, met hem buiten was, zei hij:

„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser, en bij het bestuur vertrouwen ze hem ook niet.”

„Hij is een braaf godvreezend imam, en als men kwaad van hem spreekt, geloof ik, dat men lastert.”

„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een gemeene vent is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.”

„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij een goed mensch is.”

„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je jaren geleden al heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden. Bonsoir!”

Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het erf wegzonk, keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het galerijtje op.

„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de penghoeloe.

Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een bedenkelijk gezicht over het voorhoofd en zei toen met een sinister lachje: „Men mag geen kwaad spreken, maar in den koran staat, dat er vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der opstanding.”

Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester wilde zeggen, gaf hij er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen op het eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en hij hield van hem; en de penghoeloe was een hoog en heilig man; aan den een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende onderscheiding, waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien op straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn hand te kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert hij zooveel omging met den penghoeloe...

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

MEN KAN GEEN PRIESTER EN KOOPMAN ZIJN.

Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avonds obat te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor den penghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:

„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen den koran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”

„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”

„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”

Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:

„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene...”

En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:

„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”

„Als ik wist hoe ik doen moest.... Het is zoo moeilijk.... Hij houdt onze boeken.... Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”

„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”

Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.

„Er zijn,” ging de penghoeloe voort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, de bamboe en de atap ook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”

„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”

„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”

Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met den penghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den koran.

„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de penghoeloe bij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”

Aboe Bakar schrikte.

„Voor Dailah?”

„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”

Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.

In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.

Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.

Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.

„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”

„Waarom niet?”

„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is het wat anders; voor mij is het niet beter een compagnon te hebben op die manier.”

„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”

„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”

Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:

„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over den koran en ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen...”

„Soerah XXXIX...” begon Aboe Bakar onwillekeurig.

„Het kan me niet schelen; ik weet van geen soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dan toean Allah te kort of zijn deelgenoot.... Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”

Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: de penghoeloe had het mogelijk gevonden, en die kon het in zulke dingen toch niet mis hebben.

„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

EEN LISTIG MENSCH.

In de oogen van den penghoeloe lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.

En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in missigits, zelfs in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen de kafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.

„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”

„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”

„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”

„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”

„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat om zijn zaak te omhelzen.”

Aboe Bakar mocht den penghoeloe naar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten, zaten de inlanders, die op reis moesten, op hun barang of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.

De penghoeloe en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.

Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen, die soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den koran te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.

„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.

Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.

Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!

Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis van pur sang Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijken hadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.

Dus vorderde hij niet.

Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat ze boesoek waren. Wat was dat lastig!

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

WACHT U VOOR ZULKE VRIENDEN.

Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den grooten weg naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram; het nieuwe lichtroode pannendak op het houten huis, hel in de zon afstekend tegen het dichte donkere groen van groote mangaboomen op het erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte dos-à-dos scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de eenige stoffeering.

Njai Peraq zag hem niet; een oogziekte had haar ’t gezicht benomen; zij zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag, een enkel maal naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo.

„Bonjour!” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht, hè? Bom duiten verdiend, ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou, dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!”

„Het is nog niet te laat!”

„Juist wel!”

„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging.

„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer van; toen was toen en nu is nu.”

„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?”

„Dat heb ik gehoord.”

„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.”

Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld.

„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.”

„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen wantrouwen.

„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het ontvangen voor moeder en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?”

„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me geregeld af. Brengen nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of dat.”

„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?”

„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is of een kerel niet binnen, staat één voertuig stil.”

„Ja... Dat heb je me onlangs ook geschreven... Er is dezer dagen paardenvendutie... Koop er ’n paar bij.”

„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die manier van spreken tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen: „kontan!”

„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.”

„En de duiten?”

Aboe Bakar lachte goedig.

„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet quite.”

Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het stond nu eenmaal bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis niet anders dan plichtmatig was toegegaan onder hen als broers en zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel natuurlijk, hij zou het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest. Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die verdeeling een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest teruggeven; dat hij hem, Bram, meer beschouwde als een crediteur, dan als een broer.

„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort.

„Hier in deze tampat? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier. Lekker wonen, frisch en droog.”

„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik had vergeten daar eerst naar te informeeren. Het was dom van me.”

„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?”

„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.”

„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem, maar in diverse talen.

Aboe Bakar knikte en stond op.

„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet nu weg, want ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag zeggen. Ik hoop, dat je veel geluk hier hebben mag. Slamat tinggal.”

Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met kracht; ontroerd, de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig.

„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven, ga niet naar dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.”

Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig hoofd, gekroond met den grooten witten tulband.

„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken van hen, die ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet doen.”

„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „Of ik hem ken, dien...”

Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat hij verwachtte aan het adres van den penghoeloe; hij vergiste zich in zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch iets heel anders.

Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim moest houden. De waarheid was, dat hij niet alleen een dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook als spion in dienst was der politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er iets heel leelijks broeide in de streek, waar de penghoeloe woonde, en dat die daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest staan. Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer gekomen.

„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik dank-je voor je goedheid, en ik wensch je veel geluk.”

Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat hij dichtbij haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar oude hand in de zijne, terwijl de inlandsche wederhelft van Bram door allerlei joolgezichten tegen hem te trekken, stil haar vreugde vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje.

Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was gegaan, had hij een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat, uit de soesah van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat Minah, zoo slordig en vuil ze geworden was, goede diensten deed; Dailah.... kasian, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen quaestie van; hij had het ook niet willen hebben; de penghoeloe had hem wel gewaarschuwd niet toe te geven aan zijn groote liefde voor zijn tweede vrouw; en hij had ook wel getracht matiger te zijn—maar dan kon zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken; eens zelfs had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar hield, dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen; toen was hij bij haar gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs de zachtgolvende lijn van haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes en de opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was tegenover zijn zwak willen direct de baas geworden en.... gebleven.

Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen andere aardsche genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid en zonder buitensporigheden, zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed, aan zijn zaken en den godsdienst, of wel, zooals hij nu voornemens was, aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan toch wettig geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig zijn.

Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te beredderen, alsof het voor hemzelf was; hij had een soort inventaris gemaakt van de meubelen.

„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.”

„Wat wil je ermee doen?”

„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er komen er altijd bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.”

„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.”

„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie schoot niet op.”

De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het niet aanzien, dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd omgesprongen; dáárvoor had hij te lang in een Europeesche toko gewerkt.

Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes Djalil alles boenkoesde; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat er niets kon schudden of breken. En verlegen met zijn eigen hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts, als een August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de enkele zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan.

Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij uit de voorgalerij zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn rekening de penghoeloe heel aardig had ingericht, op de balustrade leunend genoot van het frissche berggezicht vol schilderachtige afwisseling.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

TOENADERING TUSSCHEN DE VROUWEN.

Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes, brekend op, glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende rolsteenen; de oever omzoomd met het groote donkergroene blad der lage pisangs, het bruinig grauw der atappen daken er doorheen kijkend, de slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend in den wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het sterk ophellend terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant en wild hout, in veelvuldige nuances van eenzelfde kleur,—een reusachtige symfonie van groen; hier en daar, als ertusschen geslagen, stukjes bibit-sawah, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de zware donkere massa van het gebergte, te veraf al voor het merken van schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen; een sombere muur van grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend licht; de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden uit de blauwe lucht.

Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het geheel en dat, vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm, als hij bij voorkeur was; dreef elke gedachte aan zaken en gewone dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven en bedrijf der inlanders in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig, voetje voor voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den anderen, de vrouwen kleeren wasschend, het natte goed slaande op de rolsteenen; mannen, vrouwen en kinderen zich badend en hun behoefte doende alles in denzelfden stroom levend water; hier en daar een kleurige kain, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van zachte tinten.

Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel geluid, in echo’s teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar opschrikken uit zijn droomerig soesen; in de richting, die hij uitkeek, pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte, snel vervliegend; een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde, voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende verfstrepen der wagens; grommend en brommend als een vertoornd dier, joeg in groote bochten de trein over de kronkelende berglijn.

Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam hem de penghoeloe verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar den trein.

„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens getroffen door iets, wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche zaak ter wereld.

De penghoeloe knikte.

„Ja, het is heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt ook niet,” wijzend op de telegraafdraden, „vond ik het er niet minder om.”

Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en telegraaf als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de penghoeloe zei niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe aan dien spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den inlander eruit ging, en dat niets meer geheim bleef; hij had in doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat het door hem op touw gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men er hem op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die telegraaf. Mocht Allah hen vernietigen!