Part 14
Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was geen afstel. Daarbij moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de schuld van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas scharrelden overal rond, en nauwelijks was de padi van het veld, of rrrt! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij nog altijd wat te halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol meer aan; men kon even goed probeeren een klapperdop te scheren!
Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der beschaving, en nog, toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze hem vertelde van zijn laatste dagen te Batavia, zijn vertrek en de reis, luisterde hij maar met ’n half oor.
Toen schudde de penghoeloe het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich van zijn eigen gedachten te bevrijden, en levendig begon hij mee te praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit, wat hij hebben wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij, hoe zwaar Aboe Bakar woog.
„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels bedekt met kleine witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden tot een vervaarlijk groote dampkroon.
„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den tlohor.”
„Waar?” vroeg Aboe Bakar.
De penghoeloe strekte den langen, mageren arm uit:
„Ginder achter die klappers in mijn kleine missigit. Ga mee.”
Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan, stelde hij zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals hij wenschte er een te worden; hij was reeds aan zijn voorhoofd geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den grond. En deze zijn lust was koren op des penghoeloe’s molen; hij nam hem mee naar zijn huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen en zaten tot laat in den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den koran, de soerah’s, de ajats en de djoet; en de heilige nachten brachten zij met modins en anderen heelemaal biddende door.
Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van gewoonten; at en dronk weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in zichzelven gekeerd, bemoeide zich minder met zijn huisgezin. En wat het sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde voor Dailah; zij, den ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken; zag met verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet bevorderlijk voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig, en hij had zijn baard kort geknipt met een langen sik, wat hem foeileelijk stond.
Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah ook zeer verbaasd; die was integendeel heelemaal opgeknapt in het binnenland, en scheen nu niet meer zulk een hekel te hebben aan haar opvolgster.
„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend.
„Ik ben het niet gewoon.”
„Het is lekker buiten.”
„Koud, ja?”
„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat, en je ontmoet menschen.”
„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze Aboe Bakar’s vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken.
Minah lachte hoonend.
„Natuurlijk; waarom niet? Ik kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.”
Oplettend keek Dailah haar aan.
„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.”
„Ouah!” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier.
„Betoel niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken dag jonger en knapper.”
De dochter van den mantri op een kustplaats buiten, richtte zich op; zij was flink gebouwd en sterk; de zorg, die ze in den laatsten tijd aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens, zoo afstekend tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep; zij droeg propere en net gemaakte baadjes en mooie kains; zij zag neer op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en ongekamd, met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan kracht in de weeke blankheid van haar slap vleesch.
En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een er nu weer bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan.
„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig.
„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de passar,” drong Minah aan.
Maar Dailah wou niet.
„Ik ben te lui,” zei ze.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
MINAH OP EEN VERBODEN WEG.
Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den passar, die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle kains en batiks, nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te overtuigen, dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde tamarinde; dronk een glas stroop met selassie; zond haar dienstbode naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen kant uit.
Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van allerlei bamboezen opstandjes met atap gedekt; de weinige tusschenruimte door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en kippen kakelden er in koor; een jonge geit rukkend aan het touw, waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend in klagelijk schel timbre; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen armbandjes, zat, verlaten, op een baleh-baleh allerjammerlijkst te schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was, en daarna opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de in den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van den penghoeloe.
Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant waren de vrouwenvertrekken; het houten huis, oud, bruinrood geverfd, aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten om deur en vensters, grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een donkerrood, helgeel gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker van vroeger japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld belegsel, de eens vergulde randjes in flauwe grijsgele streepjes nog maar zichtbaar hier en daar; verder eraf; de overtrekken der divans met vlekken en scheuren, verschoten en vies.
Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij wilden; ze waren opgewekt; ze hielden van een pretje; en de penghoeloe had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge santri’s een praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie waren, en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend.
Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens bij haar geweest. Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat lekkers te snoepen mee, en was eerst wel verwonderd over de mate van vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid in de woning van den buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel pleizierig; veel te aangenaam om er iets van te zeggen.
Zij was al heel gauw een vriendin geworden; zij had er een jongen man ontmoet, heel fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een scherp belijnd adellijk javaansch profiel; van de familie van den penghoeloe; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar in een bloementaal, die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had allerlei vleiende zinspelingen gemaakt op heerlijk ooft. Zij had hem dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal, of: wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend in haar huwelijk!
Nu was ze betoel verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet present was.
„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een kindermond te vullen met groote proppen rijst met pisang en die met den duim verder naar binnen te werken, het keelgat door.
„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah.
Daar moesten ze om lachen.
„Is ze vervelend?”
Minah haalde de schouders op.
„Wij spreken niet veel.”
„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man niet met elkaar omgaan! Met wie moet men anders omgaan.”
„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.... soedah.”
„Was het jouw schuld.”
„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!”
Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een Mohammedaansch gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp desnoods; bovendien nog ontheffing van veel verplichtingen tegenover een meestal reeds vervelend geworden man.
„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs gezicht.
„Het is al niet meer zoo.”
„Al lang?”
Aarzelend zei Minah:
„’n Beetje lang, ’n beetje kort.... Ik behandel haar goed, maar ze is boos op hem; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.”
„En u?”
„O mij.... het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.”
Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar kind volpropte, rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog op, wat Minah hinderlijk ongepast vond. Zij wist wel, dat men hier zoo nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den passar, en wat verder onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen door de sirih, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte tanden.
Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge man, die Minah het hof had gemaakt, met een zacht salam binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden de monden af aan de slendangs; de plooien der kains neerslaand met de hand, de baadjes recht trekkend.
Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine airtjes aannam en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong meisje, dat ’t hof wordt gemaakt; de vrouwen van den penghoeloe vonden het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n gekkin!
„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was.
Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets; daarop werd haar gezicht heel donker.
„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van....”
„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze zelf had gezegd, lachte mee tegen wil en dank.
„Kan je niet weg van Aboe Bakar?”
„Hoe zou ik kunnen.”
„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.”
„Dan slaat hij.”
„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik....”
De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en krabde zich het hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij knikte langzaam en herhaaldelijk.
„Ik geloof, dat het goed is.”
„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig.
„Als wij er den penghoeloe eens over spraken.”
„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den heiligen man.
Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel andere dingen.
De penghoeloe was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in zijn kamer, waar alles even oud en vuil was als bij de vrouwen, werd toch nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie matten en ander vlechtwerk, door heel aardige snuisterijen in hard donker palmboomenhout met lichte vlekjes en streepjes als amandelkoek van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de tasbih als een oude Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan pikirde hij over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk verzonken in het gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als ze hem kwamen storen. Ze deden het toch; zij trokken zich niet veel aan van het humeur van den ouden geitensik!
Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al aardig bewerkt; die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die had zelfs erover gesproken niet meer naar de missigit te gaan, maar altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den penghoeloe samen te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde.
„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik moet er toch nog over denken.”
„Doe je het gauw?” vroeg de een.
„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog noodig en jullie ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles moet wachten tot ik gereed ben.”
Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat die door Aboe Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd geduld omdat het niet anders ging, maar waarmee hij geen omgang had hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd raakte op den persoon, dien de penghoeloe op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan had getwijfeld,—maar het was toch altijd goed zekerheid te hebben.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ABOE BAKARS ONDERGANG VOORBEREID.
Het was Vrijdag toen de penghoeloe met Aboe Bakar uit de missigit kwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid van toean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel, die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.....
De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.
„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.
„Men moet erover nadenken,” antwoordde de penghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.
Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, de penghoeloe in zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:
„Wat hebt gij gedaan?”
„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb mijn geld gestort bij de djakat en de pitra en de andere opbrengsten der geestelijkheid.”
„Kan ik het ook doen?”
„Het kan; waarom zou het niet?”
Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den penghoeloe schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!
’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.
Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.
Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.
Hij moest zijn geld storten in de penghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hij moest het afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hij moest het daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet; HET wilde hem niet verlaten; HET zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken; HET behaalde voor dien nacht de overwinning.
Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds de koetjitja haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.
En dat moest hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.... Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!
Het viel den penghoeloe tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de blanda’s verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht pinterder, dan men zou vermoeden.
Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.
„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”
„Misschien,” zei een der zijne.
„Speelt zij met jullie?”
Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken. Brani soempah, geen kaartspel.
Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:
„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”
Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.
„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”
„Doe het dan.”
„Als zij wil.”
Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.
„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”
„Nu, en als zij dan wil.”
„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”
„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.
Daar werd hij betoel boos om.
„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een imaam en geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”
Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.
Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.
„Ga je morgen weer?” vroeg deze.
„Betoel. Als het kan ga ik elken dag.”
„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar bantal neerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”
„Wat?”
„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een soesah!”
Het ging goed een paar dagen, zooals de penghoeloe had gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.
„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil sajoer, ik krijg lodeh!”
Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN DUBBEL OFFER GEBRACHT.
De penghoeloe had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem geklonken tusschen de troosteloos kale wanden van de missigit, slecht verlicht door het weinige, dat de brandende soemboes, drijvend op de klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier hart zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden ter zijde stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de ongeloovigen, die het vuur ontsteken en de oogen sluiten voor het licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars boven wier hoofden en onder wier voeten een hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding.
Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke belijdenis of het omhelzen van den islam nog geen bewijs is van geloof; dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld worden, en dus ook zichzelven op de proef moest stellen.
Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon gemoedelijk was, zonder stemverheffing of intonatie, langzaam, gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde de woorden in zijn gedachten. De penghoeloe had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van zijn geld op hem uitoefende, moest hij erkennen, dat het een macht was, sterker dan zijn godsdienstig gevoel.
Daar moest hij overheen komen.
Hij zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo innig bad en zoo trouw den koran volgde, zou enkel een mensch van uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken godsdienst! Dat zou men zien!
Hij groette den penghoeloe, kuste hem de hand en verdween in den donkeren avond, niet wachtend, als anders, tot de priester ook heenging, om samen op te loopen.
Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke flinke secure stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende als zijn voorgalerij; intens zwart hing de wolkenzee over het dal; de anders frissche berglucht drukte neer, zwaar als lood, lauw, zwoel. Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar, dan afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich dadelijk weer oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n brommig drenzen bij den berg; dan een vreeselijke ontlading, knetterend slaande in korte venijnige patsen, als moest er telkens iets overwonnen worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met woeste windvlagen.
Zijn pajong in beide handen, worstelend tegen aanvliegende lucht en water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning.
Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig petroleumlampje, de gele vlam inbruinend de tinten van het djatihout der wanden; somber, melancholiek.
Dailah riep hem uit haar kamer.
Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het gordijn, vroeg hij zacht:
„Wat is er?”
„Welk een weer! Ik ben zoo bang.”
Hij wilde antwoorden: zeg den tasbih, maar het was waar, dien kende zij niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend:
„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge vreezen?”
Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen haar lichaam tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen schitteren.
„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.”
De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van genot, alles en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen.
Hij aarzelde.
Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome denkbeelden en voornemens, en daar stond hij nu, door slechts een enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht!
Een oogenblik beproefde hij te strijden.
„Ya, A. kamarinja?” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter het gordijn.
En Aboe Bakar ging naar binnen.
Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend uiteenspattend op het dak; het onweer daverde nog door het dal, als van den eenen bergtop geworpen naar den anderen, titanenspel; helle lichten vlogen langs de lucht, door de boomgroepen, in de huizen, alles een deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets van donkerte.