Aboe Bakar: Indische Roman

Part 15

Chapter 154,168 wordsPublic domain

Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke physiek zoolang onderdrukt door de opgedrongen idée fixe van bidden en vasten, en vasten en bidden, en leeren uit den koran en zich verdiepen in commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij barstte los met ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht.

In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen gedachten; zij was niet bang meer.

Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele lucht, Aboe Bakar buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude bergwater uit de pantjoeran achter zijn huis, in vollen straal doorstroomend, altijd voort, een perpetuum mobile, had hij gebaad, zorgvuldig overeenkomstig den koran. Eerst was hij boos geweest op zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn geest gekomen; hij had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw. En als er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk geloovig Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij was.

Hij had een brief geschreven aan den penghoeloe; hij wilde zijn vermogen storten in de priesterkas bij de djakat en de pitra en de andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot moesten zijn.

Er kwam geen antwoord dien avond. De penghoeloe was een man van zelfbedwang, hij haastte zich niet.

Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem willen straffen, om het slechte werk van zijn hart?

Kort na het bidden van de tsoeboe, kleedde hij zich en ging naar de woning van den penghoeloe; de ketib, die in de voorgalerij op den grond zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan; de penghoeloe bad.

En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten kwam en zich eerbiedig liet begroeten.

„Ja, hij had dien brief ontvangen.”

„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig.

De penghoeloe fronste het voorhoofd, als dacht hij na.

„Hedenavond na de Ijaa.”

„Hoe laat?”

„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg, misschien laat.”

En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een vriendelijke glimlach over de magere tronie van den ouden.

„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen, die met stiptheid het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor God buigen. Aboe Bakar, gij zijt mijn vriend.”

Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de verklaarde vriendschap van den priester, zat Minah in de vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam gestemd; zij had vrij veel verloren en stak in schulden.

De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot prentah, om de duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij.

„Vraag het je man,” zei de een.

„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!”

Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen.

„Durf je niet?”

„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat hem. Ik zou hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.”

„Het is ook wat!”

„Ik wil niet; nog liever steel ik het.”

„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch nog liever.”

„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere.

Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het denkbeeld, dat in haar hoofden voortdurend present was geweest; de vrouwen moesten haar in die richting drijven, en Minah had er ook al aan gedacht.

Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat hij haar vragen zou, en eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en de vrees hielden haar terug.

„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch nog het eenige, als je het Aboe Bakar....”

„Neen, ik wil niet,” riep Minah boos.

„Dan is er ook niets aan te doen. Als je het aan je man niet vragen wilt, wie anders zal het je dan geven, wanneer je het vraagt, dan die... neef van ons.”

Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest worden genomen.

Minah bloosde zwart op.

„Ik ben verlegen.”

„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.....”

Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij zich zoo iets liet ontvallen.

„Heb je?” vroeg Minah verwonderd.

Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten luid; toen gingen ze weer voort in zacht gepraat; zij zouden eerst erover spreken; als Minah dan des anderen daags ging, wist hij er alles van en zij was zeker het geld te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog een etmaal wachten.

Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was, dat ze weer met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in een dobbelhuis in de kampong hun partijtje gingen maken, dat Minah nog dieper in de schuld deed komen dan ze al zat; maar ze was er blij om; zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig gingen helpen om... twee vliegen te slaan in één klap.

Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom garnalenhoofd! Die... neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude had gezegd, dat het zóó moest gaan, en het grappig spelletje brak de eentonigheid van haar leven!

Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf uur, toen zachtkens en gedruischloos de penghoeloe met vier van zijn trawanten in het huis van Aboe Bakar slopen.

Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om bevrijd te worden van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de borst drukte; hij ontving hen deftig, bedaard, vriendelijk, en om direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot hij maar dadelijk zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld werden eruit gehaald; alles moest, zei de penghoeloe, zorgvuldig nageteld en opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede administratie, en dat men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn tegenover zichzelven. Aboe Bakar toonde zijn vertrouwen te stellen op God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige; maar er was een wet in het land en een penghoeloe stond voor het gouvernement daaronder.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DAILAH ONTDEKT HET GEVAAR.

Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de inspanning van het spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag Dailah wakker; zij kon niet slapen; zij had zoo weinig lichaamsbeweging en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde zij het geschuifel van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven, stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de voeten, door het gordijn.

Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den penghoeloe zag, toch te erg, zóó te schrikken; gevaar vreesde zij nu niet langer, maar niettemin stemde dat bezoek van al die priesters haar hoogst onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? Zij had voor dien penghoeloe en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een Mohammedaansche familie geboren, en had al in haar jeugd veel gehoord van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid er al lang af was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu haatte zij dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en te vervreemden? Waarom liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich tusschen Aboe en haar?

Van het natuurlijke der neiging van Aboe Bakar begreep zij niets; zij had nooit iets geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding en snoeperij betrekking had. Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert voor wat, bij de geloovigen van huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die eener formaliteit?

Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar laki voor haar verloren zou gaan.

Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds weer naar haar bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld leenen? Pindjem oewang,—daar dacht ze aan; het idée: geld geven kwam zelfs niet bij haar op.

Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist ze; ze wist ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn, en haar misschien slaan zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah gedaan nu en dan.

De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar achter; zij zag de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag de tafel vol bankbiljetten en goud; zij zag de priesters er als het ware in grabbelen met welbehagen en alles tellen, terwijl Aboe Bakar erbij stond, onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet aan.... Zij ontstelde er zóó van, dat haar handen ijskoud werden.

Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen over zijn schatten?

Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.... het was onmogelijk.

Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels weg te jagen en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met drie sloten; ze had het hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen naar haar kamer.

Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al maar turend naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel, van de tafel in de kist.

Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had, terug naar haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van tjelaka; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die meer moeten dragen dan het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen op den vloer; ze zag, loerend achter haar gordijn, de priesters aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend, allen zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij spraken geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend rijden over het weinige grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en dan het Allah en Allahoe akbaroe overluid uitspreken in de voorgalerij; het was Aboe Bakar die bad.

In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der baleh-baleh, de armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel van het lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek; trachtend haar zwakke gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er dan toch eigenlijk was gebeurd; tot ze het niet langer kon uithouden en losbrak in luidruchtig geschrei.

„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de gang.

Zij gaf geen antwoord.

„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend, de hand strijkend over haar overvloed van loshangend haar.

„Ik ben niet ziek, er is tjelaka, dat is het. Ze hebben je bestolen.”

Aboe Bakar trok zijn hand terug.

„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het is. Vrouwen hebben daar geen verstand van.”

Maar zij hield vol.

„Zij hebben je bestolen.”

„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.”

„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden....”

„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos.

„Ik wil niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den voet stampend op den grond, „ik wil niet. Zij hebben het geld van mijn oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood was; het zijn dieven, zeg ik.”

Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis al de zware hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van dien oom, ontstelde hij zoo, dat hij vluchtte, naar buiten.

Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer; zij snikte nog bij tusschenpoozen, het hoofd op haar bantal. „Net ’n kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam haar hand, die afhing van het bed.

„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.”

En toen zij geen antwoord gaf:

„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat een oom van je ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is daarvan?”

„Vader sprak er dikwijls over.”

„Zoo; en wat zei hij dan?”

„Dat hij het zeker wist; het geld was door dat volk....”

„Dailah!”

„Door... de penghoeloes in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden zij het nooit te hebben ontvangen.”

„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?”

In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe intelligentie hem een poets.

„Loh!” riep Dailah zich oprichtend. „En zij beweerden, dat zij nooit iets van hem ontvangen hadden!”

Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen.

„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had hij het bij ’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen hier? Ieder mensch, zegt de koran, zal slechts voor zijn eigen handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel behoort aan God; ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af te keuren, omdat het vroeger en elders en met andere menschen misschien wel eens verkeerd is geloopen?”

Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw, terwijl zij hem daar hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie theorieën uit den koran opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,” dacht ze, medelijdend.

Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij zag wel ’n beetje op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen ging, was het met looden schreden.

Maar alles was reeds klaar.

Het geld, dat zij schuldig was, had de penghoeloe al genomen uit de kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan naar het huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah, die het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den penghoeloe, die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die het terug zou deponeeren in de kist van Aboe Bakar!

Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het haar kosten zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever deed, dan op die manier de onkosten betalen.

Toen ze aan het huis van den penghoeloe kwam, zei ze verlegen:

„Ik durf niet, ik ben niet brani.”

Maar de anderen werden onvriendelijk.

„Dan moet je maar brani zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij moeten vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit afgesproken.”

Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam zij terug bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich ernstig te houden; alles wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien, dat de penghoeloe-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was terlaloe op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken ze maar over het geval heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar Minah won tot groote woede harer partners.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

„ZE HEBBEN HEM VERMOORD.”

In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op.

Ondanks de soesah met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn verhuurderij tamelijk goed; nu en dan gaf hem zijn spionnenbaantje wat eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde deed. Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te rooken in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar soms bij opwindend, net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof hij dronken was, terwijl hij haast nooit sterken drank gebruikte.

Toen een oppas van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht, zette hij eerst nog een drukken boom op met den man, daarbij mopperend over den postdienst, dien hij vond, dat veel te langzaam ging; maar nanti doeloe! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij zou wel dit en hij zou wel dat; en de Regeering moest zus en de Regeering moest zóó.

Eindelijk liet hij den armen oppas, die nog meer brieven te bezorgen had, los en scheurde de enveloppe open.

Het was of hij een beroerte kreeg.

Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden John—puilden de oogen hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als het ware achter het geel der huidskleur, doodsbleek; met de bevende magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke ronde tafel, die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als krankzinnig; versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij zitten op den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet onderteekenden maleischen brief, tot hij eindelijk opstond en trillend van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep, naar njai Peraq, de blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van hoofd wordende, op den grond zat.

Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den schouder.

„Mâ, mâ, hoor-je me?”

„Saya Bram; ada apa?” zei ze onverschillig.

„Mâ, ze hebben Adam vermoord, mâ! Hij is dood, hij is dood!”

Zij deed alsof ze naar hem keek.

„Wie is er dood?”

„Adam, onze Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende.

Maar njai Peraq schudde het grijze hoofd.

„Ik weet van geen Adam; die is al lang dood. Er was een kind van mijn hart, dat een groote saïd is geworden. Aboe Bakar...”

„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, en toen, met al het theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend het galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat hij zijn broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat hij hen ten eeuwigen dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet beletten konden, bloedige wraak te nemen, en andere groote woorden meer, terwijl njai Peraq onbeweeglijk op den grond zat, als starend met de blinde oogen op één punt, en al maar bij zichzelf herhalend: „Zij hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.”

Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en opgewonden, zijn besluit. Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist hij als spion der politie; alles moest eerst onderzocht worden.

Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en vruchteloos het hoofd; wie kon hem dien brief geschreven hebben?

Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den laatsten tijd?

En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad veel, studeerde ijverig in den koran, sprak nu en dan met Dailah, die zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag ging dobbelen en de rest.

Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar relaties, vertrouwd was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien zij nu innig haatte, haar geluk in den weg stond en verdwijnen moest.

’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel klein hoornen doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker was, en zij had het van hem aangenomen, en beloofd den inhoud ’s morgens te roeren door de koffie van haar man.

Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen den sarongband, onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer en naaide er een baadje af, waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan blies ze de lamp uit en strekte zich geeuwend uit op haar bed; een oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen, en ’s morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders. Toen ze in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met suiker zonder melk had ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den ingang van het keukentje zat een kind van een bediende, de ongekamde haren over het gezicht, slaperig en soezerig.

Zij gaf het een gobang en stuurde het naar de warong om wat rijst te koopen.

Nu was er betoel niemand meer.

Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van arènhout en roerde het goed door.

Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de tsoeboe bad.

Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den gewonen morgendrank.

Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het geval. Hij zou haar niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te beklagen had; dat was alles, wat hij nog voor haar gevoelde.

’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij was altijd zóó kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn in de maag en op de borst? Hij zou, zooals de koran het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende voor de houding van het gebed, ontvlood een volle, warme, haastige stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht aan onpasselijkheid, maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de heele omgeving....

Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets, en ineenzakkend, steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van hevigen brand, sloot hij de oogen.

Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot deel van den dag kunnen liggen.

Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen uit de naaste kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een dokter-djawa kwam, die in ’t geheel niets van het geval scheen te begrijpen; de penghoeloe las onbewogen met zachte stem soerah XXXVI. Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de voorgalerij; ’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht!

Het was geen halve maatregel geweest.

Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek en ingezonken was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen onbeholpenheid het toeliet, altijd onder den verschrikkelijken indruk van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang haast van het doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe diepliggende oogen.

Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het had hem vreeselijk aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam glijdend door de vingers; hij had van den penghoeloe verlof zóó te bidden en niet in de voorgeschreven houding.

Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij dadelijk dood zou wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had schoongemaakt, was het, dacht ze, of alles nu eigenlijk heelemaal voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of wat misschien, en het zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar over, maar die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd gevaarlijk; daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer.

Het maakte Minah driftig; zij had zulk een a niet gezegd om er de b niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week later, kreeg zij het.

Zij was er blij mee; dat moest een voldoende portie wezen, had men haar gezegd, en het verheugde haar. Alles had zij liever, dan het voortduren van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah, die meer dan ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was met Minah uitstapjes te maken.

Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water hebben en wat zacht gekookte rijst; het witte poeder zou het water troebel maken, maar in de boeboer merkte het niemand. En met dezelfde kalmte als vroeger roerde zij het er door.

Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had herhaald, was Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag hij op het bed, ’t hoofd terug, schuin tegen het kussen.

Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en ingewanden. En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij waren in Nederland, bij de vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten tijd in Indië, waar zijn leven zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van dien tijd, waaraan hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de strijd met zichzelven, de aandrang zijner moeder, de tegenstand van Bram.... „Vroeg of laat zal je hun dupe worden!”