Part 8
1 Daar was er een oolijken schachelaar, hij schachelde een koning zijn dochter, hij schachelde ze hier, hij schachelde ze daar, dat hij ze zoo duur verkochte. 2 Hij verkocht ze zoo duur om geenen geld, hij woog ze tegen zilvere schalen; door haar rijkdom en haar schoonheid zoo werd zij geheeten mooi Aale. 3 Zij ging er al voor zijn moeder staan: 'och moeder, zeide ze, landsvrouwe, wanneer zalder Alewijn, uw eenigste zoon, wanneer zal hij mij waarlijk trouwen?' 4 'Mooi Adeltje, dat en weet ik niet, 'k zal hem alzoo waarlijk wel vragen; ik zag er van mijn dagen nooit blijder maagd als ghij daar staan in zijn behagen.' 5 Zij ging al voor haar zone staan: 'koning Alewijn, zeide ze, heere, hoe lange zal mooi Aaltje dat schoone wijf, hoe lange zal zij noch leven in oneere?' 6 'O moeder, dat en weet ik niet, zoudt gij mij dat zoo waarlijk raden? zij zeggen, dat mooi Aaltje een vondeling is, god ken haar vrienden en maagen. 7 Gister avond was ik noch over den Rijn, daar reed ik alzoo waarlijk met rouwe, nu zalder mooi Aaltje dat schoone wijf haar hartje breken al van rouwe.' 8 Zij ging er al voor zijn moeder staan: 'och moeder, zeide ze, lam der vrouwen, mag ik er wel na dat bruidshuis gaan, want uw eenige zoontje zal trouwen?' 9 'Als gij der toch na dat bruidshuis gaat, zoo gaat er met goeder manieren, en neemt er jouw zeven zonen voor jou en achter veertien kamenieren.' 10 Mooi Adeltje omtrent half wegen kwam, koning Alewijn kwam haar tegen: 'zei jij der nou na dat bruidshuis gaan, wat zelje mijn jonge bruid ter eeren geven?' 11 'Jouw bruid die zal hebben goeds genoeg, koning Alewijn, zeide ze, heere! mijn oude kousjes en mijn versleten schoen, die mag ze wel dragen met eeren.' 12 'Jouw oude koussen die en wil ik niet, mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe! jij moest haer geven noch beter goed, wou jij de vriendschap met haar houen.' 13 'Jouw bruid die zal hebben goeds genoeg, koning Alewijn, zeide ze, heere! ik heb noch zeven zonen van jou en mijn, die mogen haar dienen al haar leven.' 14 'Jouw zeven zonen die krijgt zij wel, mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe! jij moest haar geven jouw voorgespan, wou jij de vriendschap met haar houen.' 15 'Mijn voorgespan dat krijgt jij niet, koning Alewijn, zeide ze, heere! daar waren der twee op mijn vadertjes hof, ik en mijn zuster elk eene.' 16 'En zijt jij dan een konings kind, mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe! hadje mijn dat zoo waarlijk gezeid, ik had u zelver willen trouwen.' 17 Doe mooi Adeltje op dat bruidshuis kwam, de heeren boden haar eens te drinken; zij liet er alzoo menigen traan al in de gouden wijnschaal zinken. 18 De bruid al tegen den bruidegom sprak: 'koning Alewijn, zeide ze, heere! wat mag er dat voor een bedroefde vrouw zijn, die daar zoo deerlijk gaat zitten weenen?' 19 'Wat dat er dat voor een bedroefde vrouw is? 't bennen van ons nichten en van ons neven; zij komen daar gereisd uit een vreemd land, zij zullen groote giften aap u geven.' 20 't Bennen van ons nichten, van ons neven niet, koning Alewijn, zeide ze, heere! 't is der mooi Adeltje, de jongste zuster van mijn, die jij benomen hebt haar eere.' 21 Zij nam er de kroon al van haar hoofd, het kroontje was roode van goude: 'hou daar, mooi Adeltje, jongste zuster van mijn, je bruidegom sel jij der behouden. 22 Knecht, zadelt mij mijn beste paard van vieren of van vijven! ik kwam er rijden met zoo grooten eerwaard, met schanden moet ik wederom rijden.'
Holländisch: Den Italiaenschen Quacksalver (t' Amsterdam 1708. 12o.) bl. 69. enz. (Hor. belg. 2, 164. Willems Nr. 70.)--Dr. 4, 3. maer (bei Willems mael)--5, 3. suldy (sal)--8, 1. Hy (Zij)--8, 3. fehlt dat--12, 4. niet (met haar)--14, 1. gesoonen--14, 2. sy (hij)-- 14, 3. 15, 1. vorige span--16, 1. fehlt zijt--22, 3. koom' er (kwam er).
Der Eingang erinnert an die geraubte Königstochter eines deutschen Liedes (Uhland Nr. 121. Wunderhorn 2, 274. Vergl. auch meine Schles. Volkslieder Nr. 11.), was aber eine ganz andere Wendung nimmt: die Königstochter ist an einen Wirth verdungen, wird von ihrem Bruder wiedererkannt und zu den Ihrigen heimgeführt.
Das Lied von schön Adelheid finde ich zwar nur in Einer Sammlung, es muss aber sehr bekannt und eine lange Zeit sehr beliebt gewesen sein. In der Geschichte vom Tode des lustigen Spielmannes, der so recht in seinem Berufe starb, heißt es:
hij speelde van mooi Aaltje, toen zijn ziel het lijf uitvloog;
s. De Mey-blom 1762. bl. 40.
Im Dänischen ist dasselbe Lied um 19 Strophen länger als das niederländische, aber darum doch nicht schöner, obgleich der Zusammenhang sichtlicher hervortritt und einzelne Züge hinzugefügt sind. Es beginnt:
De Rövere vilde stjele gaa saa langt i fremmede Lande, saa stjal de bort det Konge-Barn, den Jomfru hedte skjön Anna.
De förde hende i fremmed Land, en Hertugs Sön tilhaande, for hende saa meget Guld gav han, den Jomfru hedte skjön Anna.
De vare sammen i otte Aar, syv Sönner tilsammen mon fange; for hendes Dyd og Ydmyghed blev den Herre en Konge.
Den Konge var af Meklenborg-Land af fyrstelig Blod og Stamme, Kongens Datter af Engeland var hannem solgt ihaande.
Der otte Aar forgangen var, hun kunde det mærke og kjende, at han vilde sig en anden fæste, forlade vilde han hende.
Zu diesen einzelnen Zügen gehört z. B. dass Schön Anna, wie sie von der Vermählung des Königs hört, ausruft:
Give det Gud i Himmerig, mit hjerte maatte briste!
Beide Texte stimmen außerdem ziemlich überein. Mijn oude kousjes en versleten schoen ist jedoch im Dänischen Antwort der Braut:
Jeg giver hende Gaver god, Konning, sagde hun, Herre! Jeg giver hende mine gamle Sko, hun sömmer dem bedst at bære.
Das schöne zij liet er alzoo menigen traan al in de gouden wijnschaal zinken, auch im Dänischen:
Skjön Anna tager Sölvkande paa Haand, for Bruden begyndte at skjænke; taarene hende paa Kinder ran, som hver vel selv kan tænke.
Der Schluss lautet:
Der blev Glæde over al den Gaard, det var stor Lyst og Gammen, den Konning og skjön Anna da blev begge vied tilsammen.
Hjem drog den unge Brud igjen alt til sin Faders Lande, den yngste Sön folgte hende hjem, hvis Moder var skjön Anna.
Nr. 177 in Udvalgte Danske Viser 4, 59-66.
¶ 1, 1. oolijk, schlecht, ehrlos, verworfen--schachelaar, schaaker, Schächer, Räuber--2, 1. verkocht, verkaufte--6, 4. maag, Verwandter--9, 4. kamenier, Kammerjungfer--14, 3. voorgespan, das Vordergespann, das erste Gespann Pferde--18, 4. deerlijk, betrübt, erbarmenswerth.
¶ Nr. 12.
DIE KÖNIGSTOCHTER.
1 'Dat alle berghen goude waren en alle waters wijn, so had ic jou noch veel liever, moi meisje, waerje mijn.' 2 'Hadt ghi mi dan veel liever, als ghi mi doet in schijn, so gaet eens voor mijn vader staen en bidt en bidt om mijn.' 3 ''k heb al voor uw vader gheweest en hi ontsecht het mijn. neemt oorlof aen u selven, schoon lief, en gaet met mijn.' 4 'Oorlof aen mijn selven? de cnaepjes sijn so loos; of ghi mi dan verliet, schoon lief, so waer ic vriendeloos.' 5 'Ken sal u niet verlaten van nu tot in der doot: ghi bent een conincs dochterken, een roosjen also root.' 6 'Ben ic een conincs dochterken en ghi een graven kint--' si namen malcander bi de hant en ghinghen onder de lind. 7 Si namen malcander bi de hant en ghinghen onder de lind, daer speelden si twee het minnespel, de schone wert met kint. 8 'Nu sit ic hier ghebonden met minen cleinen kint; so bid ic de suivere Maria, dat si mi weer ontbind.' 9 'Ic wou dat ghi ontbonden waert van uwen cleinen kint en dat ic jou begraven sou onder dees groene lind!' 10 'Woudt ghi dat ic begraven lach al onder dese lind, so woudic liever, stout ruiter, dat ghi bi de keel ophinct!' 11 De ruiter hief op sijn slinkerhant en gaf haer ene slach, so dat si neder ter aerden viel, si hoorde noch si sach. 12 'Al hebje mi nu gheslaghen, schoon lief, ten is gheen noot, al eerder seven jaren om sijn, so selje comen om broot.' 13 Al eer de seven jaren om waren, den ruiter quam om broot, met een lazarusclap in sijn hant, hi haddet seer van noot. 14 'O kint, sei si, van seven jaer, nou set jouw vader een stoel! ic hebber den dach wel eer ghesien, hi wasser een ridder coen. 15 O kint, sei si, wel cleine kint, nou gheeft jouw vader broot! ic heb den dach wel eer ghesien, hi haddet niet van noot. 16 O kint, sei si, wel cleine kint, nou gheeft jouw vader bier! ic heb den dach wel eer gheleeft, dat hi was de liefste fier. 17 O kint, sei si, wel cleine kint, nou schenct jouw vader wijn! ic heb den dach wel eer beleeft, hi was de liefste mijn.' 18 Haer vader achter de deure stont, hi hoordet hoghe woort, hi troc sijn blanc sweert uit de schee en hieuw hem af sijn hooft. 19 Hi nam het hoofje bi het haer, hi wierp het in haer schoot: 'houdt daer, mijn joncste dochterken, beweent dees appel root!' 20 'Och soudic al bewenen dat hier te bewenen waer, so haddic wel al de daghen werc die daer comen in het jaer.'
Oudt Amst. LB. bl. 62. Oudt Haerl. LB. 16. en 27. dr. Thirsis Minnewit 1, 136.--Dr. 20, 1. och fehlt.--Obschon alle Drucke fast ganz übereinstimmen, so ist doch bei Willems Nr. 71. sehr viel geändert worden. Le Jeune, Volksz. Nr. 62. hat sich nur auf Str. 7. beschränkt:
Hij nam het maagdelijn bij de hand en bracht haar van de lind al naar een afgelegen land, de moeder en haar kind.
Wie passt das nun zu der folgenden Strophe:
Nu zit ik hier gebonden?
Das Anstößige wird dadurch eben so wenig beseitigt wie durch die Änderung bei Willems:
Hy namse by der handen; en brachtse van de lind naer afgheleghen landen: daer baerde sy een kint.
Ein entsprechendes deutsches Lied ist nicht vorhanden. Nur der Anfang findet sich in einem Abschiedsliede, das ich am Niederrhein oft singen hörte:
Wenn alle Wasser wären Wein Und alle Berge wären Edelstein, Und sie wären mein, So soll mir mein Schätzelein Noch viel lieber sein.
Dagegen kommt das Lied noch dänisch und schwedisch vor. Dänisch, wie man es in Norwegen singt, wird es mitgetheilt in Nyerup, Udvalg af Danske Viser 1, 72-76. (Hor. belg. 2, 120-122). Es schließt also:
Ude stod Jomfruens Fader prud, og lytted, og lytted derpaa; han drog sit Sværd, og med et Slag hug Ridderen Hovedet fra.
'Nu maa jeg vel græde og sörge allenstund, al Verden mig ganger imod; Christ give, jeg var under sorten Muld begraven med Ridderen min!'
Saa tog han det blodige Hoved, slængte det i Jomfruens Skjöd: 'og haver du end nogen Omhu for ham, maa du nok begræde hans Död!'
Jomfruen tog det blodige Hoved, kyste det tre Gange paa Mund: 'ja vel har jeg havt den Bidder saa kjær!' hun döde i selv samme Stund.
Das schwedische Lied (Svenska Folkvisor 3, 61-63) ist minder vollständig. Die 11. Strophe des niederl. Liedes lautet hier also:
Och ungersven tog upp det snöhvita linn', slog Jungfrun på blekblommand' kind: 'och aldrig skall du följa en riddare af land, förr'n han gifvit troheten sin!'
Das Lied selbst schließt nach den Versen:
'jag minnes väl den dagen ändå, han red i gullsadelen röd'
mit der Strophe:
Och Jungfru tog upp sitt armhvita linn', slog honom på blekblommand' kind: 'och aldrig skall du följa en riddare af land, förr'n han svurit troheten sin!'
¶ 2, 2. in schijn doen, offenbaren--3, 2. ontsegghen, verweigern --4, 4. vriendeloos, ohne Verwandte--7, 4. met kint worden, schwanger, guter Hoffnung werden--8, 3. Maria kommt den Kreißenden zu Hülfe. Der Dicipulus de miraculis beatae Mariae virginis erzählt im 19. Exemplum: Maria virgo castissima succurrebat Iudaeae in partu--Et confidens in domino Mariae nomen invocavit magna voce et statim felici partu filium edidit carens omni dolore. Und im 91. Exemplum heißt es: Mulieres parturientes debent dicere Salve regina.--11, 1. slinc ältere Form für linc--13, 3. lazarusclap, die Klapper, deren sich die Aussätzigen bedienten.
¶ Nr. 13.
DER JÄGER AUS GRIECHENLAND.
1 Daar ging een jager uit jagen zoo ver al in het woud, hij vond daar niet te jagen als een gebonden man oud. 2 'Jager, zeide hij, jager! in 't bosch daar wandelt een wijf, komt zij jou in 't gemoete, 't zal kosten jouw jonger lijf.' 3 'Zou ik voor een wijf vreezen? ik vrees noch voor geen man.' eer hij dat woord ten halven had, doe kwam er dat booze wijf an. 4 Zij nam hem bij de armen en 't paardje al bij den toom, en klom er meê den berg op die zeventig mijlen was hoog. 5 De bergen waren hooge en de dalen die lagen zoo diep, daar lagen er twee gezoden, den derden lei aan een spit. 6 'Zal ik hier moeten sterven, als ik voor mijn oogen aanzie, zoo mag ik mij wel beklagen, dat ik er een Griekman ben.' 7 'Bent gij ook van de Grieken, daar is er mijn man van daan, zoo noemt mij eens jouw ouders, laat hooren of ik ze kan!' 8 'Zou ik mijn ouders noemen, wie weet of gij ze wel kent? de koning van de Grieken dat is er de vader van mijn. 9 Zijn huisvrouw Margareta dat is er de moeder van mijn. de naam moogt gij wel weten wie dat er mijn ouders zijn.' 10 'De koning van de Grieken dat is zoo een mooijen man. zoudt gij niet hooger wassen, wat baat jou 't leven dan?' 11 'Zou ik niet hooger wassen, ik ben er maar elf jaar oud, ik hoop er noch hooger te wassen als er boomen staan in 't woud.' 12 'Hoopt gij noch hooger te wassen als er boomen staan in 't woud, zoo heb ik noch een dochter die is jong en daar toe stout. 13 Zij draagt op haar hoofdje een kroon van paarlen fijn: al kwamen er koningen, zij zouden voor haar niet zijn. 14 Zij draagt op haar borsten een lelie met een zwaard: den boozen uit der hellen is voor mijn dochter vervaard.' 15 'Gij roemt zoo op uw dochter, ik wou dat ik ze eens zag! ik zou ze heimelijk kussen en bieden haar goeden dag.' 16 'Ik heb noch een klein paardje, 't loopt snelder dan de wind, dat zal ik u heimelijk leenen: gaat, zoekt dat gij ze vindt!' 17 De jager zat op het paardje, hij reed er zoo lustig voort: 'adieu, jou zwarte hoeren, jouw dochter is veel te boos!' 18 'Had ik jou in mijn klaauwen als ik van de morgen had, jij zoudt het mij niet zeggen, dat ik was veel te zwart!' 19 Zij nam daar op eenen knoesten en sloeg er al op den boom, dat al de boomen daverden en al de bladeren schoon.
Holländisch: nach Volksliederbüchern in Grimm, Altdeutsche Wälder 1, 161-164 (Hor. belg. 2, 158).--Dr. 8, 2. wol zu lesen zouden ze u bekend wel zijn?--19, 3. dat al de boomen in't groene woud d.
Obschon Willems (Nr. 50) als Quellen seines Textes "verscheidene afschriften" und Grimm angibt, so halte ich doch alle Abweichungen von Grimm für eigenmächtige Änderungen von Willems' Hand.
Jacob Grimm spricht sich über dieses Lied also aus: "Dieses schöne, in mehrere vorliegende holländische Volksliederbücher aufgenommene, aber gewiss alte Lied, steht in Beziehung mit der altdeutschen Poesie und ist wol auch der Form nach sonst unter uns gangbar gewesen. Die 8. Strophe würde sogar durch die hochdeutsche Wendung: so ist mein Vater genennt,--mehr Rundung bekommen; andere Reime ließen sich aber auch nicht gut aus der niederen in die höhere Mundart setzen. Der ganze Ton, was viel mehr bedeutet, ist der der deutschen und dänischen Heldenlieder. Wolfdieterich zieht auch aus Griechenland und begegnet in der Wildniss seiner Riesenmuhme Rumy oder Kuny, die sich zu beschuhen zwei Rinderhäute braucht, ihn als einen erkannten Verwandten in ihre Klause zu sieben andern Riesinnen führt und zuletzt ihn samt seinem Ross, als wäre es ein Eichhorn 22 (72) Meilen übers Gebirge trägt (Wolfdietr. Str. 1510-1530). Der Zusammenhang ist unverkennbar, wiewol da nichts vom Anbieten der Tochter und dem Namen Margareta (Mergart?), hier nichts von jenen sieben; dort friedlich, hier mit List und Zorn geschieden wird; solche Abweichungen sind natürlich und nothwendig und bei Übereinstimmungen, wie der Verwandtschaft zwischen der Riesin und dem jungen Helden, seiner griechischen Abkunft und seinem samt dem Pferde Getragenwerden übers Gebirge, nicht dagegen anzuschlagen. Die Erzählung des Volksliedes ist weit vorzüglicher, vollständiger und mythischer als die des Heldenbuchs; der alte schon von der Riesin gebundene Mann, [10] der vornen im Walde steht und den Helden warnt, kommt auch sonst in Märchen vor, so wie die List, womit sich der Jüngling auf's Zauberpferd schwingt und der bösen Feindin übermüthig spottet, da sie weiter ihm nichts kann anhaben, in andere Sagen eingeht."
¶ 2, 3. in't gemoete, entgegen--3, 3. nämlich gesproken --7, 4. kan, Volkssprache für ken--19, 1. knoest, Ast-- 19, 3. daveren, beben.
¶ Nr. 14.
DAS WELTWEIB.
1 Het waren twee koningskinderen goed, zij waren hoog geboren, zij konden van alle haers vaders goed malkanderen geen trouw beloven. 2 'Zuster, zeide hij, zuster mijn, mijn zuster landesvrouwe, woudt gij mij vrouwekleiders aandoen, groot wonder zult gijder aanschouwen.' 3 'Broeder, zeide zij, broeder mijn, dat waar ons beide groot schande! daar vrijdt zoo menigen koningskind zoo ver al in vreemde landen.' 4 Hij schoot aan een hemdetjen wit, een hemdetjen wit van zijde, daar over schoot hijder een rokjen rood, een rokjen van kermeszijde. 5 Hij zetten een kroon al op zijn hoofd, een kroon was rood van gouwe. hij zag uit zijn bruin oogen zoo wel gelijk een wereldsche vrouwe. 6 'Nu zadelt mij mijn beste paerd, mijn alderbeste van vijven, dat ik mag rijden over berg, over dal al na mijn zoete liefjen!' 7 Hij reed over berg, over dieper dal zoo meniger stoute mijlen, zoo lang dat hij voor dat hooge huis quam, daar de schoone zat op der tinnen. 8 'Kijk uit vader, kijk uit moeder, kijkt uit broeders alle vijven! hier komt dat wijf, dat wereldsche wijf op een appelgraauwe ros aanrijden.' 9 'Zegt mijn, zegt mijn, wel wereldsch wijf, zegt mijn bij uwer machten: hoe veel mannen hebt gijder gehad op een wintersche koude nachten?' 10 Zij stak op haar handjes twee, haar vingers alle achten: 'alzoo veel mannen heb icker gehad al op een wintersche koude nachten.' 11 'Zegt mijn, zegt mijn, wel wereldsch wijf, bij wie zoo wilt gij slapen? bij mijn of bij mijn schildeknecht of bij mijn onderzaaten?' 12 'Bij jou of bij jou schildeknecht niet noch bij jou onderzaaten. heer koning, gy hebter een dochterkijn, wou gijder mijn dat toelaten?' 13 's Nachts, omtrent der middernacht, het meisken weende zeere. 'wie heeftet mijn jongste dochter gedaan, of gesproken al aan haar eere?' 14 'Niemand en heefter mijn leed gedaan noch gesproken al aan mijn eere. het wereldswijf isser zoo moede gegaan, zij kan haar wenden noch keeren.' 15 De vader haald' op zijn slinker hand, hij sloegze onder haar wangen, zoo datze neder ter aarden viel, de traanen schoten over haar wangen. 16 'O vader, zeide zij, vader van mijn! die slag zal u berouwen: als morgen ochtend dat haantjen kraait, groot wonder zult gij daer aanschouwen.' 17 's Morgens vroeg, het was schoon dag, d' haan kraaide om te kleeden, doen was zijn jongste dochterkijn met het wereldsche wijf gereden. 18 'Nu zadelt mij mijn beste paard, mijn beste ros van vijven! de bloempjes die aan de groene dale staan zullen mijnder de weg wel wijzen.' 19 Hij reed over berg, over dieper dal zoo meniger stoute mijlen zoo lang hij bij een schaapherder kwam, die zijn schaapjes daar ging weiden. 20 'Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn, zegt mijn bij uwer trouwen, wie komen al deze schaapjes toe die de ooren blinken van gouwe?' 21 'Als ik het immers zeggen moet, ik zeg bij mijnder trouwen, die komen dat wijf, dat wereldsche wijf toe met haren wel landesvrouwen.' 22 'Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn, zegt mijn bij uwer trouwen, wie komter dat huis dat hooge huis toe, daar de vensters blinken van gouwe?' 23 'Als ik het immers zeggen moet, ik zeg bij mijnder trouwen, het komter dat wijf, dat wereldsche wijf toe met haren wel landesvrouwen.' 24 'Komen zij dat wijf, dat wereldswijf toe met haren wel landesvrouwen, ja want gisteren avond heeft hijze gehaald en morgen zoo zal hijze trouwen. 25 Heb ik mijn dochter zoo welle besteed, zoo wil ik wederom keeren al na mijn eigen koningrijk en na mijn landesheeren.'
Holländisch: Scheltema's Samml., Anf. des 18. Jahrh. Das Lied hat die Überschrift: "Een Nieuw Amoureus Liedeken, van't Wereltsche Wijf. Stemme: Het waren twee Gesusters in het Wout." Trotzdem aber wol sehr alt.
Druck: 16, 4. sal sij (zult gij)--24. hijze fehlt.
¶ 1, 4. malkanderen, einander--de trouw beloven, die Ehe versprechen--4, 1. aanschieten, anziehen--4, 4. kermeszijde, Scharlachseide--15, 1. ophaalen, aufheben--slinks, links--16, 4. morgen ochtend, morgen früh--25, 1. eene dochter besteden, eine Tochter verheirathen.
¶ Nr. 15.
DER RITTER UND DIE MAID.