Niederländische Volkslieder

Part 25

Chapter 253,623 wordsPublic domain

¶ 1, 1. verwacht, erwartet--1, 3. stutting, stuiting, Hemmung--1, 4. eeuw, Jahrhundert--1, 7. ontzien, fürchten--2, 6. meerder, größer--3, 6. alreeds, bereits--4, 4. sober uitgedorst, elend verdürstet--6, 4. deernis, Erbarmen--6, 9. eisch, Verlangen--7, 7. ontmoeten, begegnen (bei Willems und Thijm hij für mij)--9, 1. bestier, bestuur, Regierung--11, 6. zwichten, weichen--11, 7. dageraad, Morgenröthe, Tagesanbruch--12, 8. dolen, irren.

¶ Nr. 197.

JESUS UND JOHANNES.

1 Lestmael op eenen zomerschen dag, maer hoort wat ik bevallyks zag van Jesus en sint Janneken! zy speelden met een lammeken al in dat groen geklaverd land, met een papschoteltjen in hun hand. 2 Hun witte vette voetjens die waren bloot, hun lippekens als korael zoo rood; die zoete vette praterkens die zaten daer by de waterkens; het zonneken scheen daer alzoo heet, zy deden malkaer in 't melksken bescheed. 3 D'een troetelde het lammeken zyn hoôt, en d'ander kittelde het onder den poot. het lammeken ging springen, sint Janneken ging zingen, zy huppelden en truppelden door de weî, en dees twee krollebollekens dansten alle beî. 4 En als het dansen was gedaen, zoo moest het lammeken eten gaen, en Jesus gaf het wat brooiken, sint Janneken gaf het wat hooiken: ter wereld en was er nooit meerder vreugd dan dees twee couzyntjens waren verheugd. 5 Sint Janneken zyn klein neefken nam en zette hem boven op het lam: 'schoon manneken, gy moet ryden! ik zal u naer huis gaen leiden, want moederken zoude zyn in pyn, waer dat wy zoo lang gebleven zyn.' 6 Zy zaten en reden al overhand, en rolden en tuimelden in het zand, en deze twee klein jongeskens die deden zulke sprongeskens! en al de kinderkens zagen 't aen, tot dat ze ten lesten zyn t'huis gegaen. 7 De moeder maekte op staende voet van suiker en melk een pappeken zoet. daer zaten de twee papbaerdekens! daer aten de twee slabbaerdekens! zy waren zoo vrolyk en zoo bly, geen konings banket en heeft er by. 8 Na tafel dankten zy Onzen Heer en vielen op hun kniekens neêr. Maria gaf hun een kruiseken, daertoe een suikerhuiseken, en zong hen stillekens in den slaep, en naer het stalleken zoo ging het schaep.

Vlämisch: Fliegendes Blatt aus Antwerpen bei Willems Nr. 134. Ein nur wenig davon abweichender Text in Wolf's Wodana bl. 184-186 nach einer alten Ausgabe des "masker van de wereld", worin mitunter bessere Lesarten. Bei Willems 2, 3. paterkens--4, 3. broeyken--4, 4. hoeyken--7, 3. daer zaten toen die p.--7, 4. daer aten die sl.--Steht auch in Passi, Paesch, en Pinxter-Gezangen, Amst. 1722, ziemlich ebenso. 8, 3. 4. Maria zag 't met vreugden aen, en heeft haer beî te rust doen gaen.--Neuerdings auch noch in Chants populaires des Flamands de France par E. de Coussemaker Nr. 39, stimmt fast ganz mit Willems Nr. 134, nur 7, 6. met hun moederken aen hunne zy, und 3, 1. für hoôt hoor, Ohr!

¶ 1, 5. geklaverd, mit Klee bewachsen--2, 3. praterkens, Schwätzer--3, 1. troetelen, liebkosen--3, 1. hoôt für hoofd, Kopf, mnl. Stoke 3, 294; bei de Coussemaker in hoor verwandelt, was dann oreille übersetzt wird--3, 5. weî für weide--3, 6. beî für beide--krollebol, holl. krulbol, Krauskopf--4, 3. brooiken für broodken--4, 4. hooiken, Heu--6, 1. overhand, holl. overhands, nach der Reihe, eins ums andre--7, 3. papbaerdeken, Pappbärtchen--7, 4. slabbaerdeken, Sabberbärtchen--7, 6. heeft er by, kommt ihm bei, gleicht ihm.

¶ Nr. 198.

DIE HIMMLISCHE NACHTIGALL.

1 Ic wil mi gaen vermeiden in Jesus liden groot, van daer en wil ic niet scheiden, int leven noch in die doot. 2 Tis een prieel met bloemen bedaut met menighen traen: och mochtic daer in comen! mijn truren waer al ghedaen. 3 Men hoort den nachtegael singhen al onder den scherpen doren, sijn herte is vol van minnen, die wilt die mach het horen. 4 Een liedeken heeft hi gheheven al onder den doren groen: 'o vader, willet hen vergheven! si en weten niet wat si doen.' 5 Die schaker bat om vrede, hi mocht wel hebben prijs; die nachtegael sinct: 'noch heden suldi sijn int paradijs! 6 O vrouwe, siet hier dinen sone! Joannes, die moeder dijn! ic hebse u bevolen, wilt haer behoeder sijn!' 7 Hi sanc wel also hoghe: 'mijn god, waer om laetstu mi?' sijn herte wert hem droghe, te drinken begheret hi. 8 Men schanc hem daer te drinken edic met galle ghemenct, sijn hooft dat liet hi sinken, hi sprac: 'vervult is alle dinc. 9 O vader, in uwen handen beveel ic minen gheest.' met also soeten sanghe voer hi in een ander foreest. 10 Hi liet die violette al onder den cruice staen, die hem te Nazarette so ootmoedelic hadde ontfaen. 11 Hi liet die open rose aent cruice hanghen so root, haer bladerkens liet si risen: die nachtegael bleef van minnen doot.

Liedekens ende Leysenen, Antw. 1539. bl. xca (Hor. belg. 2, 50. Willems Nr. 206). Vgl. das ältere Lied: Och hoe lustelic is ons die coele mei ghedaen, Hor. belg. 10, Nr. 104.

¶ 1, 1. sich vermeiden, sich erfreuen, Hor. belg. 8, 3.--2, 1. prieel, Anger, Hor. belg. 8, 2.--8, 2. edic, Essig--9, 4. foreest, Forst, das frz. forêt--11, 3. risen, fallen; auch unser reisen, mhd. rîsen in derselben Bedeutung: das Laub reist von den Bäumen, s. Schmeller baier. Wb. 3, 129.

¶ Nr. 199.

DIE SULTANSTOCHTER.

1 Hoort toe al die van liefde zijt, het lust mijn geest te zingen een lied van liefde en vriendelijkheid, van groote schoone dingen. een Soudansdochter hoog van staat, gekweekt in duistere landen, ging 's morgens met den dageraad door gaarden en waranden. 2 Zij zag de schoone bloempjes staan van velerhande krachten. hierdoor is in haar opgegaan een welbron van gedachten: 'wie mag de bloemenmaker zijn, zoo wijslijk in 't ontvouwen der edele blaadjes schoon en fijn? mogt ik hem eens aanschouwen! 3 Hoe lief heb ik hem in 't gemoed! wist ik hem maar te vinden, 'k verliet mijn vaders rijk en goed en ging met mijn' beminden!' des middernachts stond Jesus daar en riep: 'o maagd, doet open!' dit werd zij op haar bed gewaar en kwam zeer haast geloopen. 4 Zij heeft haar venster opgedaan: daar zag zij voor haar oogen den allerliefsten Jesus staan met schoonheid overtogen. zij zag hem zoet en vriendelijk aan en neeg tot op der aarde, en sprak: 'waar komt gij toch van daan, o jongeling hoog van waarde? 5 O jongeling van schoonheid rijk, wiens harte zou niet branden? nooit zag ik ergens uws gelijk in al mijn vaders landen.' 'Ja kuische maagd, die ik wel ken, uw liefde is te roemen. nu zult gij weten wie ik ben: den maker van de bloemen.' 6 'Zijt gij't, mijn allerschoonste heer? mijn liefste, mijn beminde? hoe zocht u mijn gemoed zoo zeer, of ik u eens mogt vinden! nu houdt mij erf noch vaderland, met u zal ik het wagen. geleid mij met uw schoonste hand, waar 't u ook zal behagen!' 7 'O maagd, wilt gij met mij op reis? zoo moet gij 't al verlaten, uw vader en zijn schoon paleis en al uw hooge staten!' 'Uw schoonheid is mij dit wel waard, mijn lief, mijn uitverkoren! niets is er op de gansche aard zoo schoon als gij geboren. 8 Nu leid mij henen waar 't u lust, o schoonheid nooit volprezen! in u stel ik mijn hart gerust, uw eigen wil ik wezen.' Hij nam de maagd bij hare hand, zij ging aan zijne zijde ver uit haar heidensch vaderland door beemden en door weiden. 9 Zij spraken menig vriendelijk woord al gaandeweegs te zamen, toen bragt begeerte 't vragen voort: 'hoe is toch uwe name?' 'Mijn naam, o maagd, is wonderschoon, zijn kracht kan 't hart genezen, in mijn heer vaders hoogen troon daar staat hij schoon te lezen. 10 Tot mij alleen uw liefde wendt, dient mij met hart en zinnen! mijn naam is Jesus, wel bekend bij al die mij beminnen.' Zij zag haar lief zoo minlijk aan, zij neeg tot op der aarde en bood hem haar getrouwheid aan en hield hem hoog in waarde. 11 'Wie mag mijn liefs heer vader zijn? vergeef mij 't vrije vragen, o schoonste bruigom! zeg het mijn, is 't anders uw behagen.' 'Mijn vader is zoo rijken man: zijn rijk gaat alzoo verre, hemel en aard hij buigen kan, de zon, de maan, de sterren. 12 Tien honderd duizend engelen schoon die liggen steeds gebogen bij mijn heer vaders hoogen troon met neêrgeslagen oogen.' 'Ach, is uw vader dan zoo groot en aller vromen hoeder! o liefste dien ik liefde bood, wie is toch uwe moeder?' 13 'Nooit was er op de gansche aard een maagd zoo rein van leven: zij heeft mij wonderlijk gebaard en maagd is zij gebleven.' 'Ach, is uw moeder eene maagd, zoo schoon en uitgenomen, verschoon uw dienstmaagd dat ze vraagt, van waar zijt gij gekomen?' 14 'Ik kome uit mijns vaders rijk, vervuld met zoo veel vreugden, die nergens hebben haar gelijk in schoonheid en in deugden; daar duizend jaaren is één dag, daar duizend duizend jaaren, dat is 't dat weelde heeten mag, veel deugd' en vreugden baaren.' 15 'Och heer, dat staat mij wonder aan, mijn allerschoonste koning! laat ons toch haastig heenen gaan naar uw heer vaders woning!' 'O maagd, dient mij opregt en rein, mijn rijk zal ik u geven, daar zult gij eeuwig bij mij zijn, in groote vreugde leven.' 16 'Zij gingen alzoo rein en kuisch door beemden en door weiden, en kwamen aan een geestlijk huis, daar wilde Jesus scheiden: 'mijn allerliefste jongeling schoon, woudt gij mij nu begeven? nooit hoorde ik zoo droeven toon: dan moet ik immers sneven.' 17 Hij sprak haar zijne meening uit met vriendschap en met minnen: 'verwacht mij hier, o waarde bruid! nu moet ik gaan hier binnen.' Hij is ten huizen ingegaan, zij stond hem te verbeiden; zij liet zoo menig droeven traan, omdat hij was gescheiden. 18 Als nu de dag ten avond kwam, zoo peinsde haar verlangen, dat zij haar liefste niet vernam, hij beidde veel te lange, toen trad zij nog een weinig voort, gedreven door de minne, en klopte en riep: 'doet op de poort! mijn liefste is hier binnen.' 19 De poort die werd haar opgedaan, de poortier kwam daar voren, hij zag de jonkvrouw voor hem staan zoo schoon en hoog geboren: 'zegt mij, o maagd, wat gij begeert? hoe gij hier komt alleene? zegt mij, o maagd, wat dat u deert en waarom gij moet weenen?' 20 'Och! die dien ik zoo teer bemin, die is mij hier ontgangen: hij trad tot uwe poorte in, hij beidt mij veel te lange. och! noodig hem toch weder uit, zeg dat hij mij kom vinden, eer dat mijn hart van droefheid stuit: hij is mijn hoog beminde.' 21 'Och, maagd! de geen die u hier liet, is hier niet in gekomen, uw waarde lief die is hier niet, ik heb hem niet vernomen.' 'Och, vader! wat ontkent gij mij? mijn lief die ik beminne, het laatste woordje dat hij zei, dat was: ik ga hier binnen.' 22 'Zeg gij dan hoe uw liefste hiet, of ik hem eens mogt weten?' 'Och, vader! dat en weet ik niet, zijn naam is mij vergeten, mijn liefste is een koningszoon, zijn rijk strekt alzoo verre, zijn kleed is hemelsblaauw en schoon bestrooid met gouden sterren. 23 Zijn aangezigt is melk en bloed, zijn haren zijn van goude, zijn wezen is zoo wonderzoet als ooit een mensch aanschouwde, hij kwam uit zijn heer vaders rijk, om mij met hem te leiden. nooit zag ik ergens zijn gelijk, maar ach! hij is gescheiden. 24 Zijn vader eenen schepter draagt van hemel en van aarde, zijn moeder is een reine maagd zoo schoon en hoog van waarde.' Die poortier, die zijn stem verhief, sprak: 'Jesus onzen heere!' 'Ja, vader! zeid' zij, dat 's mijn lief, dien ik zoo zeer begeere.' 25 'Wel maagd, is dit uw bruidegom, dien zal ik u wel wijzen: kom, allerzoetste dochter! kom, gij moet niet verder reizen. kom dan, o zoete bruid! treed aan, kom binnen onze wanden, en zeg, waar komt gij dan van daan, gewis uit vreemde landen?' 26 'Ik ben een vorstelijke maagd, gekweekt in hooge staten; om hem, daar mijn gemoed naar vraagt, heb ik het al verlaten.' 'Voor al dat gij verlaten hebt, zult gij veel meerder vinden bij hem die alle schoonheid schept, bij Jesus uw beminden.' 27 Zij diende god van harten zeer, zij had een groot verlangen naar Jesus haar beminden heer, hij beidde veel te lange. toen zij haar leven had volend en van hier zoude scheiden, kwam Jesus daar weder present, hij wilde haar geleiden. 28 Hij nam zijn bruid bij hare hand met vriendelijke minne, en bragt haar in zijn vaderland, daar is zij koninginne. al wat het hart begeeren mag, dat werd haar daar gegeven daar duizend jaaren zijn één dag, zoo lustig is dat leven.

Holländisch: Volksliederbücher. Der Stoff ist uralt und rein biblisch und oft schon poetisch behandelt worden: das Werben der gottgeweihten Seele um ihren Bräutigam Christus, um die Liebe Gottes. Die Sage von der Sultanstochter scheint jedoch erst dem Anfange des 16. Jahrhunderts anzugehören. Sie ist damals wenigstens erst in Prosa gedruckt worden:

Een suverlick exempel, hoe dat Jesus een heydensche maghet een Soudaens dochter wech leyde wt haren lande. Gheprent tot Delft bi mi Frans Sonderdanck. (In der Kön. Bibl. im Haag, s. darüber J. van Vloten im Konst- en Letterbode 1850. bl. 140.)

Nach dieser prosaischen Erzählung ist später in Holland ein langes Lied gedichtet worden u. zwar in kunstgerechter Form, wie den Text die holländischen Volksliederbücher der spätesten Zeit vielleicht noch am getreuesten aufbewahrt haben. Späterhin mochte dieser Text, als er sich auch nach den südlichen Niederlanden verbreitete, in der Überlieferung, weil er zu lang war, unvollständig werden u. erhielt daher nach dem Schlusse zu, andere Strophen, die zwar ein volkstümlicheres Aussehen gewannen, aber eben deshalb doch nicht für älter oder gar für ursprünglich gelten dürfen. So ist es merkwürdig, dass von den beiden Texten in den "Passi, Paesch, en Pinxter-gezangen (t' Amsterdam, By Gerardus Bloemen 1722)", einer Liedersammlung, die aus alten u. neuen Liederbüchern zusammengestellt wurde, der erste Text bl. 84. 85. ganz mit unseren Strophen 1-11 übereinstimmt, nachher aber nicht weiter geht als bis wo Jesus Abschied nimmt:

Hij nam die schoone bij der hand en sprak met zoete zinnen: 'oorlof, schoon maagd, verbeid mijn hier, ik moet nu gaan hier binnen.'

Ob nun auch das ursprüngliche Lied hier abschloss, lässt sich nicht recht ermitteln. In den übrigen Texten kommen allerdings noch Strophen vor, die einem kunstmäßigen Liede angehören, z. B. in dem zweiten Texte der Passi--gezangen bl. 86-91.

Zijn oogen staan zeer vriendelijk, hij is zeer schoon van spraaken, hij quam al uit zijns vaders rijk, hij wilde mij ontschaaken. Schoon maget, is uw lief zoo schoon en alzoo hoog geprezen, al waar hij uit des hemels troon, hij en mogt niet beter wezen.

Schon frühzeitig muss das ursprüngliche Lied eine völlige Umdichtung im Volke erfahren haben. Eine solche scheint mir denn auch die unter den Liedern des Tonis Harmansz (Tennis Harmsen) van Wervershoef vorkommende, denn schwerlich hat sie ihn zum Verfasser, sie wäre sonst durchweg gereimt und nicht in so volkstümlicher Sprache (s. die Proben im Konst- en Letterbode 1850. bl. 138. 139. Modernisiert in Alberdingk Thijm, Oude en Nieuwere Kerstliederen 1852. Nr. 133; die dazugefügte Melodie nach verschiedenen mündlichen und schriftlichen Mittheilungen; sonst ist als Mel. angegeben: Een boerman had een dochterken, oder: O Holland schoon). Aus diesem Texte scheinen die vlämischen der großen Offenen Blätter bei C. van Paemel in Gent (gedruckt bei Willems Nr. 130.) und bei Josephus Thys in Antwerpen Nr. 22. (s. Mone Übersicht S. 229.) hervorgegangen zu sein.

Mein Text ist der schon früher Hor. belg. 2, 55-66 aus Le Jeune Volkszangen bl. 147-157 mitgetheilte; diesmal habe ich Str. 19, 5-8 eine bessere Lesart aufgenommen u. die frühern Strophen 27, 28 und 31 weggelassen, wodurch das Ganze eher gewonnen als verloren hat.

Unabhängig von den niederländischen Texten ist der deutsche nach einem alten Fl. Bl. im Wunderhorn 1, 15-17, fünfzehn vierzeilige Strophen. Neben diesem einfachen u. gewiss ursprünglichen Texte sind noch zwei ausführlichere vorhanden, einer von 17 achtzeiligen Strophen aus der Klosterneuburger Hs. Nr. 1228 (16. Jahrh.) in Mone's Anzeiger 8, 331. ff. und danach bei Uhland Volksl. Nr. 331; und ein zweiter von 27 achtzeil. Strophen in Corner's Groß Catholisch Gesangbuch, Fürth 1625. Nr. 293, wiederholt in Aurbacher's Anthologie deutscher kathol. Gesänge 1831. Nr. 100.

Das Lied findet sich auch noch in anderen germanischen Sprachen: dänisch in Nyerup, Udvalg 1, 35-41; schwedisch in Svenska Folkvisor 2, 73-83, modernisiert von Atterbom im Poetisk Kalender för 1816. 14-19. Ja sogar wendisch ist es vorhanden: Volkslieder der Wenden von Haupt u. Schmaler 1. Th. S. 290-293.

¶ 1, 6. gekweekt, erzogen--1, 7. dageraad, Morgenröthe--1, 8. warande, frz. garenne, Thiergarten, Park--2, 4. welbron, Quellbrunn--2, 6. ontvouwen, entfalten--8, 8. beemd, Wiese--13, 6. uitgenomen für uitneemend, außerordentlich--14, 7. weelde, Wonne--14, 8. im Druck varen--16, 8. sneven, ursprünglich fallen, dann, wie sneuvelen, umkommen, s. Huydec. Pr. 3, 137. ff.--17, 3. verwachten, erwarten--17, 6. verbeiden, erwarten--18, 4. beiden, ausbleiben--20, 7. stuiten, stocken, stille stehen--21, 5. ontkennen, verkennen--24, 5. verheffen, erheben.

¶ Nr. 200.

DIE VIER PILGER.

1 Hoort vrienden, luistert naer dit lied, gy christelyke scharen! wat dat vier gasten is geschied die kameraden waren: zy maekten samen eenen band om te bezoeken 't heilig land en niet weêrom te keeren, zy zagen 't graf des Heeren. 2 Hun blyden tocht is haest vergaen in groote tribulatie, want eenen schrik kwam hun daer aen door duivelsche temtatie: twee tigers kwamen met getier, de gasten riepen alle vier: 'o God, wat komt ons tegen op dees bedroefde wegen!' 3 'Laet my alleen op deze baen!' sprak een met groot bezwaren, ''k en ben te biechten niet gegaen den tijd van negen jaren, voorwaer myn zonden zyn zoo groot, reist gylie met u dryen voort, want God die mocht u plagen voor myn voorleden dagen.' 4 Toen spraken d'ander dry getrouw: 'en wilt niet droevig wezen! de litanie van Ons Liev' Vrouw zullen wy voor u lezen.' de tigers zijn verdwenen ras, en daar het hun begeerte was zy trokken voort te samen tot z' in Jerusalem kwamen. 5 Zy kregen daer na biecht en boet het vleesch en bloed des heeren, want hun berouw oprecht en goed bleek ook in 't wederkeeren. de gast weleer vol zonden groot bleef dicht by Barcelone dood, daer lag hy bloot van leden, een geest kwam op getreden. 6 Hy sprak: 'o gasten! wilt nu saen uw dooden vriend begraven, doch doet hem eerst dit schoon hemd aen, reist dan langs bosch en hagen, en vreest niet meer voor ongeval, ik weet wie u bewaren zal. de litanie blyft lezen gelyk gy deedt voor dezen!'

Vlämisch: van Paemel's Liedersamml., und daraus abgekürzt bei Willems Nr. 132.

¶ 2, 5. getier, Getobe--3, 6. gylie, gy lieden, ihr Leute, d. i. ihr--3, 8. voorleden, vergangen--4, 5. verdwenen, verschwunden--6, 1. saen, sogleich Huydec. op St. 1, 375. mhd. sâr, sân, sâ Fundgr. 1, 388.--6, 5. ongeval, Unglück.

¶ Nr. 201.

DIE HIMMELSBRAUT.

1 Daer was eens een maegdeken jong en teêr, zy bemindege zeer haren god en haren heer, zy bad gedurig zonder ophouden: 'heere, laet my u eens aenschouwen!' 2 Jesus heeft aen haer gevraegd: 'zuivere maegd die my zulke liefde draegt! hebt gy my liever als uw leven, wilt my dan het seffens geven.' 3 Het maegdeken met vlytigheid heeft gezeid: 'heere, daertoe ben ik bereid: van liefde moet myn hertjen breken,' en terstond is zy bezweken. 4 'Wie klopt er hier op dat deurken, en die hier zoo lustig zyt?' 'en 't is een zoo proper maegdeken en 't zou zoo geren binne binne bin, en 't zou zoo geren binne binne bin, haren bruidegom is er in.' 5 'Is 't een zoo proper maegdeken en zou het zoo geren bin, en staet op, myn engelkens altesam en gaet, haelt de schoone maegd binne binne bin, en gaet, haelt de schoone maegd binne binne bin! haren bruidegom is er wel in.' 6 En als de schoone maegd binnen kwam en daer was er al een vreugd! en de engelkens dansten daer hand aen hand, heere Jesus droegere den roozenkrans, en Maria die ging voore voore voor, en het maegdeken wierd gekroond.

Vlämisch: Wodana door J. W. Wolf bl. 76, mündlich aus Gent.

¶ 1, 2. bemindege in der Genter Mundart für beminde--2, 5. seffens, teffens, zugleich, auf ein Mal--3, 5. bezwyken, sterben--4. hier beginnt eine andere Melodie.

¶ Nr. 202.

DIE HIMMELSBURG.

1 Het staet een casteel, een rijc casteel, een casteelken op hogher tinnen, daer singhen die enghelen so soeten lof, heer Jesus woont daer binnen. 2 Tot desen castele quamen wi gaerne, conden wi daer toe gheraken; het blinct daer al van puren gouwe, die muren ende ooc die daken. 3 Tot desen castele comen wi niet, wi moeten vromelic striden; die wilde see vlac ende diep die moeten wi overliden. 4 De bose gheesten comen ons aen, met temptacien willen si ons verladen; si hebben daer so menighen te gronde gheseilt met hare valsche raden. 5 Si wenschen ons dicke in den gront, si souden ons gherne verdrinken; wi ankeren ons herte in Jesus wonden, wi latent daer inne sinken. 6 Laet ons die wilde see overvaren met also blide sinnen! god die here wil ons ghesparen, dat wi dat casteel ghewinnen!

Liedekens ende Leysenen, Antw. 1539. bl. XXI.b (Hor. belg. 2, 49. Willems Nr. 208).

¶ 3, 2. vromelic, tapfer--3, 3. vlac, seicht--3, 4. overliden, überfahren, das frz. passer--4, 2. overladen, überladen, belasten (dass das Schiff zu Grunde geht)--4, 3. gheseilt, gesegelt--5, 1. dicke, oft.

¶ Nr. 203.

DER HEILIGE FRANCISCUS.