Niederländische Volkslieder

Part 23

Chapter 233,786 wordsPublic domain

¶ Nr. 171.

IMMER LUSTIG!

1 Ende wil wi tavont ghenoechlic sijn ende drinken den rijnschen couden wijn! als dat wintjen wait-- wi willen niet scheiden, wi willens verbeiden, als dat haentjen crait. 2 Nu wil wi hebben een vrischen moet, verteren een weinich van onsen goet! als dat wintjen wait-- wi willen niet scheiden, wi willens verbeiden, als dat haentjen crait. 3 Och haddic vijfentwintich bedden, te meie woud icker niet een pluimken van hebben! als dat wintjen wait-- wi willen niet scheiden, wi willens verbeiden, als dat haentjen crait. 4 Haddic mijn vrientjen in minen arm, ware si cout, ic maecte si warm! als dat wintjen wait-- wi willen niet scheiden, wi willens verbeiden, als dat haentjen crait.

Weimar. Hs. 1537. Nr. 42.--Hs. 2, 6. fehlt dat.

¶ 3, 2. pluimken, frz. plume, Federchen.

¶ Nr. 172.

ERST BEZAHLT UND DANN GEZECHT.

1 Het wijntje dat is er zoo zoet van smaak, het heeft er ons aan den drank gemaakt. den eenen zal men houden, den ander zal men slaan, wij zullen alle drie met het g'lag door gaan. 2 't Waardinnetje in de kamer quam met eenen blank zwaard al in haar hand, met eenen blank zwaardetje en eenen roer, zoo sprong dat waardinnetje over de vloer. 3 Zij zeide: 'sa gasten, 't en mag er zoo niet zijn! voor u en is er geen biertje of geen wijn, voor u en is er geen biertje of geen wijn, of daar moest eerst een goudguldentje zijn.' 4 De jongste in zijn binnebeursje schoot, hij haalde daar uit drie kroonen waren rood, hij haalde daar uit drie kroonen waren rood, die worp hij 't waardintje in haar schoot. 5 Hij zeide: 'waardinnetje, daar is er jouw geld! 't isser niet te veel, maar 't isser wel geteld, 't isser niet te veel, maar 't isser wel genoeg: kom, laat er ons drinken tot morgen vroeg!'

Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 106.

¶ Nr. 173.

WEIN MEDICIN ALLEIN.

1 In de eeuw van Adams tijden was den wijngaard onbekend: niemand kon de ranke snijden, wijngaardswerk was niet bekend. nu weet men de konst te vinden van het snijden en het binden, wijn wijn wijn is medicijn, wijn doet ons nu vrolijk zijn. 2 Men zag haast aan alle kanten van des werelds druiven zoet, ieder een die ging hem planten aan de zoete watervloed, om te mengen hun verheugen, om te drinken groote teugen, wijn wijn wijn is medicijn, wijn doet ons nu vrolijk zijn. 3 Wijn is goed voor vieze grieken, die in 't voorhoofd zijn gewond; wijn is dienstig voor veel zieken, en ook voor die zijn gezond; wijn doet zingen, wijn doet springen, wijn doet al te bedde bringen, wijn wijn wijn is medicijn, wijn doet ons nu vrolijk zijn. 4 Wijn is goed voor veel gebreken, is den stok van d' ouderdom, wijn die doet de stemme spreken, groote klappers maakt hij stom, wijn doet veelderhande dingen, wijn doet dansen, wijn doet springen, wijn wijn wijn is medicijn, wijn doet ons nu vrolijk zijn. 5 Wijn stelt zeer veel instrumenten, wijn doet pijp ensnaaren slaan; speelmans, messieurs, studenten, sangers, kosters, kapelaan laten hooren hunne stemmen, als in wijn hun tongen zwemmen, wijn wijn wijn is medicijn, wijn doet ons nu vrolik zijn. 6 Wijn is goed voor de zoldaten, om te scheppen verse moed. wijn is goed voor advocaten, want hij d' herssens open doet. wijn doet al de wereld dansen, Duitsen, Waalen, Geuzen, Fransen, paap, non, quezel en bagijn, wijn die doet ons vrolik zijn. 7 Wilt gij eenen vriend tracteeren aan de tafel of den dis, gij zult voor een vrek passeeren, zoo daar geenen wijn en is. wilt gij een gezondheid drinken, zonder wijn en zal 't niet klinken. wijn wijn wijn is medicijn, wijn die doet ons vrolijk zijn. 8 Oorlof, wagt u wel van 't drinken! schenkt de roemer niet te vol! 't zop mogt in uw voeten zinken en dan maakt het herssensdol en doet roepen als de knoeten: ach mijn handen! ach mijn voeten! maatig wijn is medicijn, maar te veel dat is vernijn.

Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 53. Der Druck hat 5, 6. Als hun tong in de wyn swemme.

¶ 1, 2. wijngaard, Weinstock--2, 5. verheugen, Vergnügen--3, 1. vies, wunderlich, grillenhaft--5, 1. stellen, in Gang bringen--5, 2. snaar, Saite--6, 4. herssens, jetzt de harssenen, Gehirn--6, 6. Geus, Bettler, ursprünglich Spottbenennung der Reformierten--6, 7. quezel, Betschwester--7, 2. dis für disch--7, 3. vrek, Filz, Geizhals--8, 2. roemer, Römerglas--8, 5. knoet, Lümmel, Flegel, Tölpel, dasselbe was heutiges Tages noch in der Studentensprache Knote, obschon zunächst nur der Handwerksgesell so genannt wird--8, 8. vernijn für venijn, venenum, Gift.

¶ Nr. 174.

TABAKSLIED.

1 Isser iemand uit Oostindien gekomen, die er wat van weet? heeft hy daer niet van den toebak vernomen? geeft my bescheed! is hy wel goed voor 's menschen bloed? of hy deugd doet? zegt het my vroed! 2 Al de vroukens zyn er zeer vileinig tegen den toebak, en zy achten zyn deugd zeer weinig, geven hem een lak: zy zeggen er van, dat daardoor de man verdroogen kan--is daer iet van? 3 Zou de toebak kunnen doen verdooven der mannen vuer? d' Indiaensche vrouwkens hem wel gedoogen dag ende uer. al even koen haer mans daer doen avond en noen 't vrouwensermoen. 4 Toebak drinken is een goed medecyne: stelt u te vreê! d' asschen is goed voor de tandepyne, wryft ze daer meê! zoo is den rook voor den man ook, al is 't maer smook, beter dan look. 5 Alle dingen doet in goede maten naer 's wyfs bevel! al te veel waer' zeker beter gelaten, dat weten wy wel. zoo drinkt dan hier naer uw pleizier een pyp of vier by wyn of bier!

Vlämisch. Dies Tabakslied ist nicht so jung wie es aussieht: es stammt mindestens aus dem zweiten Jahrzehend des 17. Jahrhunderts. Willems Nr. 60 entlehnte es aus einem handschriftlichen Liedekensboek met emblemata vom J. 1635. Der Anfang kommt zur Bezeichnung der Melodie bereits vor in Nederlandtsche Gedenck-clanck. Door Adrianum Valerium (Tot Haerlem 1626. 4o.) bl. 164. Damals wurde erst das Tabakrauchen allgemeiner, seit englische Kriegsvölker im J. 1620 aus ihren kleinen irdenen Pfeifen rauchend Holland durchzogen waren. S. Rusdorf, Consilia et negotia politica p. 284.

¶ 1, 6. vroed zeggen, kundthun--2, 1. vileinig, garstig, aufgebracht, das frz. vilain--2, 4. lak geven, eins anhängen--3, 1. verdooven, dämpfen, schwächen--3, 3. gedoogen, erlauben--4, 1. toebak drinken, so auch in Deutschland früher, und noch jetzt in vielen Gegenden des Südens, im baier. Gebirge (Schmeller Wb. 1, 493.), im badischen Oberlande (Hebel's allemann. Gedichte). Wie wir jetzt rauchen u. schmauchen sagen, so die Holländer rooken en smooken--4, 3. tandepyn, Zahnschmerz--4, 4. wryven, reiben.

¶ Nr. 175.

BAUERNLIED.

1 Wy boeren en boerinnen, wy werken dag en nacht, wy ploegen en wy spinnen, en wy zingen uit ons magt: Lieve heer, kost en kleêr, hemelryk, en dan niet meer! 2 Wy spitten en wy spaeyen geheele dagen lang, wy zaeyen en wy maeyen in groot geneugt met dezen zang: Lieve heer, kost en kleêr, hemelryk, en dan niet meer! 3 Wy eeten alle dagen 's morgens boekweite-pap, zoo vullen wy ons magen en wy zingen even rap: Lieve heer, kost en kleêr, hemelryk, en dan niet meer! 4 Wy eeten zoete boter, melk is voor onzen dorst, dan zyn wy veel devoter en wy zingen uiter borst: Lieve heer, kost en kleêr, hemelryk, en dan niet meer! 5 Wy decken zelden tafel, een stuxken uit ons hand dat smaekt ons als een wafel en wy zingen langs den kant: Lieve heer, kost en kleêr, hemelryk, en dan niet meer!

Vlämisch: Passi, Paesch, en Pinxter-gezangen enz. t' Amsterdam 1722. blz. 97. Aus dem 17. Jahrh. Steht unter den "Stigtelyke Wereltsche Liedekens", mit der Weise "Lantur lu".

¶ 2, 1. spitten en spaeyen, spaden, das Land umgraben--3, 2. boekweite-pap, Buchweizenbrei--3, 4. rap, flink--5, 4. langs den kant, am Ufer entlang.

Der Text bei Willems Nr. 242, dessen Quelle von ihm nicht angegeben worden, hat sieben Strophen, für Str. 3. diese:

Wy gaen met houten blokken, en dikwils zonder hoed; wy gaen met pye zokken, maer wy zingen wel gemoed: geef, lieve heer, enz.

und am Schlusse noch folgende zwei:

Wy gaen een pintje drinken des zondags naer de noen; wy dansen en wy klinken en wy zingen in het groen: geef, lieve heer, enz. Gy edel en gy ryken, wy zeggen 't u zeer vry: wy willen u niet wyken, gy en zingt niet half zoo bly: geef, lieve heer, enz.

Alle drei Strophen wol spätere Zusätze. In: De alder-nieuwste Leyssem-liedekens, Antw. Verhulst 1684 hat das Lied acht Strophen, vgl. Snellaert bei Willems bl. 503.

¶ Nr. 176.

VIVAT DER BETTELSACK!

1 Veel geld, veel goed, wat zou dat baten? het geeft bekommernis, een ongerust gemoed. wat baten pracht en hooge staten, daer men 't toch al verlaten moet? ik houw my vast aen minder last, het kleinste pak is myn gemak. vivat den bedelzak! 2 De schooyers leven zonder zorgen, het is al zuiver winst wat zy tot 's avonds doen. zy slapen rustig tot den morgen, al noemt men hem schavuit, kapoen. zy leven vast in kleinen last, het minste pak is hun gemak. vivat den bedelzak! 3 De beedlaers stellen druk bezyen, geen angst, geen bange zorg en steekt in hunnen kop, zy zien door niemand zich benyen, zy teeren daglyks alles op. zy hebben vast den minsten last, het kleinste pak, het grootst gemak. vivat den bedelzak!

Vlämisch: Willems Nr. 240, ohne Angabe der Quelle. Stammt aus neuerer Zeit.

¶ 1, 1. baten, nützen--1, 3. staten, Stände--2, 1. schooyer, Bettler--2, 3. rustig, ruhig--2, 4. schavuit, eigentlich Schuhu, dann Lumpenkerl--kapoen, Capaun, wahrscheinlich mit einer verächtlichen Nebenbedeutung wie im Deutschen--3, 1. druk, Ungemach--bezyen, by zyden, bei Seite.

¶ Nr. 177.

DANKLIED.

1 Nu laat ons allegaâr dankbaar zijn ons heer, ons god, ons vader, die ons alhier van brood, van wijn verzaâd heeft allegader, van vlees, van vis, van ander spijs, bereid zoo menigerhande wijs! bemint hem in dit leven! hij zal u niet begeven. 2 Den zoone gods gebenedijd, die willen wij mede loven, die ons van zonden heeft bevrijd, toen wij waren verschoven, die ons zoo minlijk heeft verzaâd, en in der nood niet af en gaat, op hem zet uw betrouwen, 't en zal u niet berouwen. 3 Zoo danken wij ook den heiligen geest, van zijnder visitatie, want had hij bij ons niet geweest, ons vreugd was tribulatie; hij is ons trooster in verdriet, zonder hem en vermogen wij niet. wilt hem uw hert bereiden, hij zal niet van u scheiden. 4 Zoo danken wij onze lieve bruid, dat zij bij ons wil blijven, en drinken dit bekerken nog eens uit, die heer die wil 't al op mij schrijven. den boog mag niet gespannen staan, ik hoop het zal ons wel vergaan, 't is nu geen tijd van scheiden, wij willen ons gaan vermeiden. 5 Die waard willen wij danken zeer, dat hij heeft laten koken; hij heeft zoo wel bewaard zijn eer, want ons heeft niet ontbroken. zoo bidden wij dit gezelschap zoet, vrolijk te wezen met herten vroed. dat wij hier zijn gekomen, dat wordt in dank genomen. 6 Zoo willen wij ook vergeten niet die van hier zijn gescheiden, datze den heer uit alle verdriet in zijn rijk wil geleiden. zoo als wij doen zal ons geschien, wanneer wij uit dit leven vlien. hierom zoo wilt voor dezen een Paternoster lezen.

Holländisch: Thirsis Minnewit III. D. bl. 113. und Passi gezangen, Amsterd. 1712, worin Str. 4. fehlt, jedoch einige bessere Lesarten sind, die ich daraus entlehnt habe. Passi gezangen: 1, 7. und 8. waer van wy hem nu zeere danken met grooter eere.--Minnewit: 6, 7. 8. daarom zoo wilt na dezen wel doen en vrolijk wezen. Schon die Überschrift "oud gracy lied" zeigt an, dass es ein altes Lied ist. Es wurde wahrscheinlich zu Ende des Hochzeitschmauses gesungen.

¶ 2, 4. verschoven, verstoßen--4, 5. der Bogen kann nicht gespannt stehen, sprichw. d. h. man kann nicht immer arbeiten--5, 6. vroed, verständig.

¶ Nr. 178.

BAUER, SEI KLUG UND BLEIB BEI DEINEM PFLUG!

1 'Sidi een crigher oft sidi een boer? hoe siedi uit uwer cappen so suer? wildi een crijchsman werden, so neemt vijfhondert gulden met u! den crijch sal ic u leren.' 2 Hansken swoer enen dieren eet: 'al waert mijn vader ende moeder leet, den crijch en sal ic niet laten: ic wil gaen ruiten, roven, stichten brant al op des heren straten.' 3 Hansken dede sijns selfs raet, hi vercochte caf ende haversaet, hi woude al nae den crighe; corte cleideren dede hi aen al nae die ruitersche ghise. 4 Hi clopte voor een schipmans dore: 'sidi daer binnen, so comter vore ende voert mi overt water! ic ben een rijc boermans sone, den crijch en can ic niet ghelaten.' 5 Die schipper was een goet ghesel, hi voerde hem overt water snel, dat water was onghehure: 'rijc god, waer ic thuis ghebleven in mijns vaders schure!' 6 Doen Hansken quam ter halver see, sijn hooft dede hem so wee, den coop was hem berouwen: 'rijc god, waer ic thuis ghebleven! mijns vaders acker woude ic bouwen.' 7 Doen Hansken over dat water quam, een stroom in sinen bec dat hi vernam, doen wast hem seer berouwen: 'haddic den ploechsteert metter hant, mijns vaders acker soude ic wel bouwen!'

Antw. LB. 1544. Nr. 13. (Uhland Nr. 171. C. Willems Nr. 103.)--Dr. 1, 1. Bistu (Sidi)--bistu (sidi)--1, 3. crijschman--zijn (werden)--3, 2. haueraet--4, 2. Bistu (sidi)--5, 3. ongeduere--5, 4. tsoheyme (thuis)--6, 4. tsoheyme (thuis)--7, 2. stram (Uhland scram) (stroom.)

Ursprünglich ein niederdeutsches Lied, vgl. Uhland Nr. 171. A. nach einem Fl. Bl. in Bragur 2, 312. ff., das auch wol schon früh hochdeutsch vorhanden war. Daher erklären sich dann die deutschen Wörter bistu, zeheime und das 5, 3. missverstandene ungeheure.

¶ 2, 4. ruiten ende roven, eine im 16. Jahrh. gewöhnliche Redensart: verwüsten, plündern und rauben, vgl. Kiliaen--3, 5. ghise, frz. guise, Weise--5, 3. onghehure, mhd. ungehiure (im Nd. dat mêr gans ungehüre), unheimlich--7, 2. einen Strom in seinem Maul (bec, Schnabel, Maul) er verspürte, d. h. er wurde seekrank. strâm im Nd. dasselbe was strôm.

¶ Nr. 179.

DER KUCKUCK UND DIE NACHTIGALL.

1 De koekoek in den mei die hoorde den nachtegael fluiten en op zyn stemmeken tuiten. hy zeî: 'gy klein gebras! 5 wat komt al dit stoffen te pas? gy zyt hoveerdig, myn stem is ook weerdig geprezen, maer ziet, ik en roem daerop niet. dus zwygt, dus zwygt, dus zwygt, 10 eer dat gy van my veel verwytingen krygt!' maer de nachtegael sprak: 'koekoek, houdt uw gemak! want gy zyt tegen my veel te zwak. als ik kom tierelieren, 15 verheugen zich menschen en dieren, maer gy, maer gy, maer gy, 't is koekoek! geheel de maend mei, maer gy, maer gy, maer gy maekt niet éen vogelken bly; 20 al die u aenhooren, die zouden zich stooren. dus kruipt in den hoek, gy droeve koekoek! of als ge uw bek nog niet en stilt en dat ge u voor my niet vernederen wilt, zoo roep ik de vogels te gaêr, 25 om ons te vonnissen onder malkaêr. welaen! welaen! welaen!' die koekoek die sprak: 'zoo gezeid, zoo gedaen!' en zy zyn henen gegaen. 2 De vogels kwamen te saêm, en als zy nu waren gezeten, zoo liet men den nachtegael weten, dat hy met zyn stemmeken gauw 5 het eerste kauwetteren zou. hy zong met veel iever, hoe langer hoe liever, hy miek met zyn bek menig aerdigen trek. hy zong, hy klong, hy sprong, 10 hy draeide zyn steertjen en wrong zyne tong. maer de koekoek op 't lest deed ook wonder zyn best, doch 't en was niet als koekoek! koekoek! 't was koekoek! 't een op het ander, 15 de vogels bezagen malkander, maer ziet, maer ziet, maer ziet, 't was koekoek! en anders ook niet. maer ziet, maer ziet, maer ziet, zy kregen op 't leste verdriet. 20 de koekoek was bly, want hy meende dat hy al de vogels getrokken had op zyne zy'. het vonnis was dat de nachtegael was fraeyer van toonen en zoeter van tael, maer 't koekoeksken van over lang 25 vaster in maet en kloeker in zang. hier meê, hier meê, hier meê vertrok elk vogelken naer zyne steê en zoo was alles in vreê.

Vlämisch: Willems Nr. 258. Obschon sehr künstlich und schwerlich je im Munde des Volks, doch sehr volksthümlich. Der Dichter hat, wie es scheint, den Streit der Harmoniker u. Melodiker zu schlichten versuchen wollen. In einem deutschen Liede des 16. Jahrh. nimmt die Sache eine andere Wendung, da ist zwischen Nachtigall u. Kuckuck der Esel Richter.

Der Kuckuck drauf anfing geschwind: Kuckuck! sein Gsang durch Terz, Quart, Quint, Und thät die Noten brechen; Er lacht auch drein nach seiner Art. Dem Esel gfiels, er sagt: 'nun wart, Ein Urtheil will ich sprechen. Wohl sungen hast du, Nachtigall; Aber, Kuckuck, du singst Choral Und hältst den Takt fein innen. Das sprich ich nach meim hohn Verstand, Und kostets gleich ein ganzes Land, So lass ich dichs gewinnen.'

S. meine Gesellschaftslieder Nr. 178.

¶ 1, 4. klein gebras, etwa: armer Wicht--1, 5. stoffen, großthun--1, 10. verwytingen, Zurechtweisung--1, 12. zyn gemak houden, sich still verhalten--1, 20. stooren, erzürnen--1, 25. vonnissen, Urtheil sprechen--2, 5. kauwetteren, kauwetten, schmettern--2, 8. miek für maekte, so biek für bakte--2, 10. wringen, winden--2, 24. van over lang, bei weitem--2, 27. vertrekken, heim gehen.

¶ Nr. 180.

DER RIESE GEHT UM.

(De reus gaet om.)

1 Die zeidt: wy zyn van reuzen gekomen, zy liegen daer om. keert u eens om, reusken, reusken! keert u eens om, reuseblom! 2 Sa moeder, zet den pot op 't vier! de reus is hier. keert u eens om, reusken, reusken! keert u eens om, reuseblom! 3 Sa moeder, snydt een boterham! de reus is gram. keert u eens om, reusken, reusken! keert u eens om, reuseblom! 4 Sa moeder, tapt van 't beste bier! de reus is gier. keert u eens om, reusken, reusken! keert u eens om, reuseblom! 5 Sa moeder, stopt nu maer het vat! de reus is zat. keert u eens om, reusken, reusken! keert u eens om, reuseblom!

Vlämisch: Willems Nr. 128. mit folgender Anmerkung: 'Dies Lied wurde seit undenklichen Zeiten gesungen; jetzt hört man es besonders bei großen Feierlichkeiten, wenn bei den Umgängen in meist allen Städten, sogar in einigen Dörfern Ostflanderns u. Brabants das Volk den Riesen umherführt. Die berühmtesten Riesen sind die von Antwerpen und Wetteren. Zu Kortryk erscheint von Zeit zu Zeit mit großem Gepränge eine Riesin, Mevrouw van Amazonië, doch man kennt dort das Lied nicht. Diese Gewohnheit kann wol zusammenhangen mit der Überlieferung dass wir von Riesen abstammen, worüber man Picardt, Oudheden van Drenthe bl. 28 zu Rathe ziehen kann.'

Den Antwerpener Riesen beschreibt mir mein Freund Preller, der ihn oft gesehen hat, also: es ist ein riesiger Mann von Holz in Tracht eines römischen Feldherrn mit Helm und Schuppenharnisch, bloßen Armen und Beinen, in sitzender Stellung auf einer Art Triumphwagen im Rococo-styl. Der Kopf ist beweglich u. wird von einem Kerl im Innern des Bildes gedreht.

Die von Willems gegebene Variante des Kehrreims u. der ersten Strophe scheint mir der ursprüngliche Text zu sein, Willems hat dafür:

Al die daer zeidt: de Reus die kom'! zy liegen daer om. keere weêrom, Reusken, Reusken! keere weêrom, reuzegom!

Das reuzegom wol nur selbstgemacht, obschon es wie bruidegom (ahd. gomo, Mann) vorkommen könnte!

¶ 3, 1. boterham, Butterbrot--4, 2. gier, begierig--5, 2. zat, trunken.

¶ Nr. 181.

MARTINSLIED.

1 Martijn! turref in de murref in de maaneschijn, gooi in de mos, gooi in de wijn! hier woont sunte Martijn. 2 Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen, Martijn had een messie, dat wou niet snijen, Martijn had een touwetje, dat wou niet knoopen. geef me-n-een turrefie of een houtjen en laat me daarmeê loopen. 3 Hier woont 'n rijkman, die veul geven kan, veul kan i geven, zalig zel i leven, zalig zel i sterreven, de hemel zal i erreven, god zal em loonen met honderdduizend kroonen, met honderdduizend rokkies an! hier komt sunte Martijn an.

Holländisch: De Navorscher 1. jaarg. bl. 64. So sangen sonst die Kinder zu Amsterdam in den ersten Tagen des Novembers vor den Thüren und sammelten Torf und Holz und Geld. Am Martinstage zündeten sie dann ein Feuer an, wobei sie tanzten und sangen. In Leiden lautete das Lied (Navorscher 1. jaarg. bl. 227):

Sinte Maarten is zoo koud, geef m'een turfjen of een hout, om mij wat te warremen met mijn blanken arremen! geef wat, houd wat! 't ander jaartje weêr wat.

Wenn sie nichts bekamen, sangen sie:

Een zakje met zemelen, een zakje met kruid-- hangt de gierige duivel uit.

Neben dem Amsterd. u. Leidener Texte wird noch ein anderer mitgetheilt, 10 Zeilen, die sich theilweise in jenen wiederfinden, Navorscher 1. jaarg. bl. 9.

¶ 1, 2. murf, in der Volksspr. Mund--2, 1. schaartje, Scheere--2, 2. knippen, schneiden.

¶ Nr. 182.

NICLASLIEDCHEN.

1 Sint Niklaas, kapoentje! leg wat in mijn schoentje! al wat er niet inne kan, leg dat dan maar achter an, achter an dat glaasje! 'k dankje, sint Niklaasje! 2 Sint Niklaasje bibabon gooi wat in de regenton! gooi wat in de huizen voor al de ratten en muizen! geef wat, houd wat! een ander jaartje weêr wat. 3 Sinte Nicolaes, nobele baes, brengt wat in myn schoentje, een appeltje of een citroentje, een nootje om te kraken, dat zal wat beter smaken, een pintje om te drinken, dat zal wat beter klinken! 4 Sint Niklaas, goed heilig man, trek je besten tabbert an, rijd er meê naar Amsterdam, van Amsterdam naar Spanje, twee appeltjes van Oranje, twee peertjes van den besten boom, 't kind zal hebben een gouden kroon, een gouden kroon van dokkeblâren, 't kind zal naar Oost-Inje varen, van Oost-Inje weêr naar Sluis, zoo komt dan het kind weêr t'huis. 5 Sint Niklaasje, heilig man, trek je mooije tabbert an, rijd er meê naar Amsterdam, van Amsterdam naar Spanje, drie appeltjes van Oranje, drie peertjes van een peerenboom, sint Niklaas is mijn oom. Hossebosse, paardje, met jou vlossen staartje: zóó rijden de heeren met haar' bonte kleêren; zoo rijden de vrouwen met haar' bonte mouwen; zoo rijdt de akkerman met zijn paardjen achteran.

Nr. 1. 2. 4. 5. aus dem Navorscher 1. jaarg. bl. 361, Nr. 3. aus Wodana bl. 195.

¶ 2, 2. gooijen, schütten--3, 2. schoentje, Schühchen--3, 4. kraken, aufknacken--3, 6. pintje, Mäßchen--4, 2. tabbert, Rock--4, 6. peertje, Birne--4, 8. dokkebladeren, Pestwurzel, cacalia--4, 10. Sluis in Seeland. Für kind der Name des Kindes--5, 8. hossebossen, zuck zuck machen, zuckeln, traben. Im Druck steht hossen blossen paardje--5, 9. vlos, los wie Wolle.

¶ Nr. 183.

NEUJAHRSLIED.