Niederländische Volkslieder

Part 19

Chapter 193,842 wordsPublic domain

1 Het was op eenen avond laet, dat ik gong wandelen al langs de straet, en de maen die scheen er zoo duister, jae jae jae duister, dat ik schier geen sterreken en zag. 2 'Or doeget open, myn engelin, or doeget op, laet uwen minnaer in! ik heb hier zoo lang staen wachten, jae jae jae wachten, dat ik schier vervroren ben.' 3 'Ik doen er voorwaer niet op, ik en laet er geenen minnaer in, gy moest er my dan ook zeggen, jae jae jae zeggen, of gy my bemint alleen.' 4 'Ik bemin u maer alleen, zoete lieveken, ook anders geen. ik heb hier zoo lang staen wachten, jae jae jae wachten, dat ik schier vervroren ben.' 5 Maer 's nachts, maer 's nachts, maer 't middel van de nacht, op haer slaepvensterken quam haer een slag, en de moejer die dat hoorde, jae jae jae hoorde: 'lieve dochter, wat is dat?' 6 'Moejer, 't is dat katjen klein, dat daer speelt met het muiselyn en de muis die is er gevangen, jae jae jae gevangen, en zy heeft er recht moeite gekost.'

Vlämisch: Büsching u. von der Hagen, Sammlung deutscher Volkslieder, Anhang Nr. 1. Aufgezeichnet 1795 in Brüssel und in ganz schlechter Schreibung mitgetheilt. Das Lied hat viel Mundartliches: 1, 2. gong f. ging; 2, 1 und 2. doeget f. doet; 5, 3. moejer f. moeder.--6, 2. muiselyn, ich möchte dies Diminutiv bezweifeln, das gewöhnliche ist muiseken oder das alte muisekyn; Wörter mit -lyn finden sich nur in der alten Sprache u. dort auch nur sehr selten; vgl. Grimm Gr. 3, 676.--Bei v. d. Hagen steht 2, 1. für engelin ein unverständliches engâerdin, das am Ende ein vervlämschtes franz. en-coeurken sein könnte, wie denn or weiter nichts ist als auch das frz. or, nun wolan!--3, 1. ist der Vers im Original sehr lang: ik doen er voorwaer myn slaepkamerken niet open.

¶ 2, 3. wachten, warten--6, 5. moeite, Mühe.

¶ Nr. 126.

WAS GOTT WILL GESCHIEHT.

1 Het windje dat uit den oosten waait, dat waait tot allen tijden: al die er in zijn liefs armen leit, die mag hem wel verblijden, Lief mondelijn rood! die hoeft er niet meer te vrijden. 2 Hij ging er voor zijn liefs venstertje staan met een zoo droeve zinne: 'slaapt gijder of waakt gij, mijn zoete lief? staat op en laat mijn inne! Lief mondelijn rood! en mij dunkt, ik hoor jouw stemme.' 3 Het meisje uit haar slaap ontsprong: 'wie klopt hier alzoo laate? gij meugt wel weder naar huis toe gaan, gaan t' huis wat leggen slapen, Lief mondelijn rood! ik zalder u niet inlaten.' 4 'Staat daar een ander in uw hert geprent, van de min word ik versmeten. mogt ik eens weten, wie het mij doet! het wordt mij dikmaals verweten, Lief mondelijn rood! wat hebben wij een schoone tijd versleten!' 5 Zij zei: 'jongman, houd goede moed, kiest een ander jong van jaren! als de liefde van een kant komen moet, zoo valt het zwaar te dragen. Lief mondelijn rood! mogt ik vangen dat ik jage!' 6 'Dat gij jaagt dat vangtje wel, lief, en wilt daarom niet treuren! al waren wij duizend mijlen van een, dat god voegt zal gebeuren, Lief mondelijn rood! laten wij daarom niet treuren!'

Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 24. und Volksliederbücher.

¶ 4, 1. geprent, gedruckt, hier: eingedrückt--4, 2. versmeten, verstoßen--4, 4. wordt verweten, wird zum Vorwurf gereichen-- 4, 6. den tijd verslijten, die Zeit verbringen--5, 3. d. h. wo keine Gegenliebe ist--kant, Seite--6, 3. van een, von einander --6, 4. gebeuren, geschehen.

¶ Nr. 127.

WAS SOLL ICH NUN BEGINNEN?

1 Ghenade mach hi verwerven, van sinen liden boet, god gheef hem een salich sterven, die den vroukens wenschet goet al om een joncfrou fijn, die is boven al die daer levet die liefste int herte mijn. 2 Help god, hoe mach dat wesen! mijn hertjen dat lidet pijn, ten can jo niet ghenesen met enighe medicijn, ten ware dat mi die joncfrou rein in haren armen liet rusten: god weet wel wien ic mein! 3 Rustichlic is si van leden, haer aenschijn wel ghedaen, daer toe van goeden seden, die ic in mijn hertjen haen. si is daer al mijn troost aen steit: och woude si dat bekennen, verwonnen waer al mijn leit. 4 Ten is niet langhe gheleden dat ic die liefste sach, lustelic quam si ghetreden, ic boot haer enen goeden dach, daer schoude ic haer schoon aenschijn: dat was tot minen liden die beste medicijn. 5 Al woude mijn hertjen tebreken in also corter stont, mochtic die joncfrou spreken, si maecte mi wel ghesont. mer lacy neen, si acht mi niet! hier om so moet ic truren ende bliven in dit verdriet. 6 Quaet rat van Avonturen, hoe vaettu mi dus hart! hoe laettu mi dus truren ende liden so grote smert! slaestu niet om in corter tijt, so beghere ic niet te leven in deser warelt wijt. 7 Wes sal ic nu beghinnen? die liefste en acht mi niet. mi dunket ic moet verwinnen wes mi van haer gheschiet. slaet op, schoon lief, dijn oghen claer, laet mi dijn aensicht schouwen voor al mijn lidens vaer!

Weim. Hs. 1537. Nr. 24.--Hs. 2, 1. 6, 3. woe (hoe)--3, 1. Rostelich--7, 3. annschawen (verwinnen)--7, 7. baer (vaer).

¶ 3, 1. rustichlic, frisch, wohlgefällig--3, 2. aenschijn, Angesicht--5, 5. lacy, och lacen, allaes, Clignett bijdr. 326. Grimm Gr. 3, 297. vom roman. lasso, müde, unglücklich, s. Diez etymol. Wb. 201.--6, 1. Ueber das Rad der Fortuna, Avonture, Glücksgöttin s. Hor. belg. 8, 19.--7, 7. vaer, Gefahr.

¶ Nr. 128.

ANGENEHME RUH!

1 'Wij willen nog niet scheiden, het is nog een paar uurtjes te vroeg, den tijd willen wij verbeiden van nu tot morgen vroeg. waar heefter mijn liefje zoo lange geweest? ik heb om harent wille zoo zeer verslagen geweest.' 2 'Hebt gij om harent wille zoo zeer verslagen geweest: gaat maar na huis toe stille en toont u onbevreesd. want het rouwt mijn en 't is mijn leed, dat u dat mooije meisje zoo zeer bedrogen heeft.'-- 3 'Ik ging nog gister avond zoo heimelijk aan den dans, al voor mijn zoete liefs deurtje die ik er gesloten vand. ik roerde, ik klopte aan den ring: staat op, mijn alderliefste, staat op en laat mij in!' 4 'Ik doe voor u niet open en laat u ook niet in, mijn deurtje is gesloten en daar mag niemand in. daar leiter een ander veel liever als gij, gaat t' huiswaart leggen slapen en peinster niet meer om mij.' 5 'Is daar een ander lief inne, dat ik u niet spreken mag, blijft bij malkander in minne en slaapt te zaam tot den dag! ik zal weder na huis toe gaan: mijn koejen zijn ongemolken, en mijn werk leit ongedaan.'

Holländisch: Thirsis Minnewit 1. D. bl. 55. Die ersten 4 Zeilen kommen daselbst bl. 29. in einem Hochzeitsliede vor und lauten also:

wij willen nog niet scheiden, het is nog tijds genoeg, wij willen nog wat beiden tot aan den morgen vroeg.

¶ 1, 3. verbeiden, warten--1, 3. verslagen, in Angst und Unruhe--2, 4. onbevreesd unerschrocken.

¶ Nr. 129.

ABKÜHLUNG.

1 'Waakt op, waakt op, 't is meer dan tijd! wij hebbe verslapen dat's beide ons tijd, en ik hoorde des wachters stemme, schiet mijnder tot uwen klein venster uit, ik zalder zoo lustig zwemmen.' 2 Die maagd die heeft het zoo haast verstaan, zij is na haar slaapkamer gegaan, na haar slaapkamer zeer rasse. zij schoot hem tot haren klein venster uit in een zoo diepen grafte. 3 Doe hij er dat graftje ten halven quam, zijn vaders hooge toorn dat hij er vernam, van graauwe steenen de muuren. 'gants zelden is dat van vrouwen gekomen: het zwemmen valt mij zoo zuure!' 4 Doe hij er dat graftje ten einde quam, zijn kleederen onder zijn arrem hij nam en hij sprong op 's heeren straten. hij klopten aan een klein venstertje aan, daar heeren en krijgslui zaten. 5 Zijn vrienden riepen verblijd van geest: 'o knaapje, waar hebje zoo lange geweest? wij hebben van u niet vernomen, of heeft u een heere hier overgebracht? wij meenden, gij waart verloren.' 6 Die ons dit nieuwe lied heeft gedicht het was een knaapje, zijn hertje was licht, hij heeft het zoo wel gezongen; hij heeft het al van zijn zelfs gedicht spijt alle quaa nijderstongen.

Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anf. des 18. Jahrh. Das Lied hat die Ueberschrift: "Een oud vermakelyk Minnaers Lied, Op een aengename Voys."

¶ 2, 5. graft, gracht, Wassergraben--6, 5. spijt, sonst in spijt van, trotz, zum Trots von.

¶ Nr. 130.

DER OSTINDIENFAHRER.

1 Wie wil hooren een nieuw lied? hoort toe, ik zal 't u gaan verklaren al van een oostindischvaar met zijn lief, hoe zij beide in zorge waren. 2 'Zoete lief, als gij na Oostindien vaart, hoe lang zal de reis duren? mocht ik u om 't jaartje eens wederzien en zoo goelijken avonturen?' 3 'Zoete lief, dat mag alzoo niet zijn: zet mij derd'half jaar uit zinne, en draagter stadig liefde tot mijn en kijkt te met zeewaart inne!' 4 'Of ik er al zeewaart inne kijk, ik en mag u zien of spreken. als gijder uw buidel vol daalders draagt, zult gij mij dan ook vergeten?' 5 'Schoon lief, betrout gij mij dat wel toe? zoud' ik doen als de ontrouwe? ik hebber geen liever op aarden als jou, hei! de fleur van schoon jonkvrouwen!' 6 Die ons dit nieuw lied heeft gedicht, die hevet zoo wel gezongen; hij heeft 't al van zijn liefjen gedicht en spijt alle quaanijderstongen.

Holländisch: Scheltema's Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts.

¶ 1, 3. vaar für vaarder, Fahrer--2, 4. goelijk, angenehm--3, 3. stadig, gestadig, beständig--3, 4. te met, mitunter, dann und wann--6, 4. spijt, trotz.

¶ Nr. 131.

GRÜSSEN SIE IHRE FRAU MUTTER!

1 Bonjour, ma petite mignonne! jert van hier, gy rotten Wael! quelle réponse que vous me donnes! ik zeg, spreekt een ander tael! je ne sais parler Flamande: loopt dan nae de galge toe! je suis natif de Normande. ik ben uw praetjens moê. 2 Mon père a beaucoup de bètes, gy zyt zeker van 't getal! il a un château bien nette, misschien als een verkenstal-- il a cent tonneaux de terre, al en had hy niet een zier. croyez-moi il est riche mon père! loopt maer, stoffer, jert van hier! 3 Weet gy nu nog iet te praten? non, madame, je demande pardon. gaet, haelt er een by de Waelen! mais ceux-là ne sont pas bons. wel hoe konde gy dan dogen? parbleu, je ne suis pas femme! ik zal uwen kost niet mogen. adieu, adieu, madame! 4 Gaet maer in uw land vertellen, hoe gy hier gevaren zyt, gy en moet my niet meer kwellen, men wordt hier genoeg gevryd. Va-t'en donc futile Flamande, parce que vous êtes bien trop lourd. je m' en vais dans la Normande, où je trouve mieux d'amour.

Vlämisch: Nieuwen Lied-boek genaemt het Brabandsch Nagtegaeltjen. t' Antwerpen By Josephus Thys, bl. 33. mit der Überschrift: "Waele gezang." Auch im Deutschen sind dergleichen Wechselgesänge vorhanden: statt der fremden Sprache aber ist eine beliebige deutsche Mundart gewählt. So singt der Liebhaber hochdeutsch und das Bauermädchen oberdeutsch:

Liebe Kleine, holder Engel! Dich als Göttin bet' ich an. Du kannst geben mir das Leben, Lindre meines Herzens Brand! Trudel heß ich, gar nicht weß ich Was 'ne Göttin für e Thier ff.

s. Walter's Samml. (Lpz. 1841.) Nr. 29.--In einem andern Liede singt der Liebhaber ebenfalls hochdeutsch und der Nachtwächter niederdeutsch:

Dunkel ist schon jedes Fenster ff.

s. Erk, Volkslieder 2. Bd. 6. Heft Nr. 34.

Das Französische ist sehr fehlerhaft, ganz wie es die gemeinen Wallonen zu sprechen pflegen, hier um eine noch lächerlichere Wirkung hervorzubringen. Im Dr. 2, 5. cent tonnerre de terre.

¶ 1, 2. 2, 8. jerren, sjerren, entspricht unserm: sich fortscheren, wird nur noch in der Volkssprache gehört. Es bedeutet auch fortscheren machen, schmeißen. In einem Lustspiele: De weergadeloze Bedrieger ontmaskerd heißt es bl. 42. ik sjer ze al t'zaam liever uit de schuit in 't water.--rotte Wael, stinkender Wale, eine uralte Schimpfbenennung der Wallonen, s. Hor. belg. 6, 230--2, 6. niet een zier, nicht ein Härchen, Stäubchen. Vgl. meine Anmerk. zu Reineke Vos 1386--2, 8. stoffer, Großsprecher, Windbeutel--3, 5. dogen, alt für deugen, taugen--4, 3. kwellen, quälen, belästigen--4, 4. es wird hier um einen genug gefreit.

¶ Nr. 132.

DER RITTER OHNE FURCHT UND TADEL.

1 Ende doen ic door dat wout reet, daer moetet mi een slecke. was ic niet een coene man? ic dorst mijn mest wel trecken! Nu moghi horen, hoe coene dat ic si op alle mijn ghelt! wie wat van mi hebben wil, die come int velt! 2 Ende moete mi dan een velthoen, ic dorst dat wel bedwinghen, ende steke het dat hooft al door den tuin, ic dorst daer wel over springhen! Nu moghi horen, hoe coene dat ic si op alle mijn ghelt! wie wat van mi hebben wil, die come int velt! 3 Ende waer ic dan ghewapent van hoofden tot den voeten, ende moete mi dan een vette capoen, ic dorsten ooc wel groeten! Nu moghi horen, hoe coene dat ic si op alle mijn ghelt! wie wat van mi hebben wil, die come int velt!

Weimar. Hs. 1537. Nr. 47.--Hs. 1, 4. dorfft (dorst) und so immer--1, 5, wie (hoe)--2, 2. beginnen (bedwinghen)--2, 3. ain steksz hem (ende steke het)--2, 3. 3, 3. an, ann (ende).

¶ 1, 2. moeten, begegnen--slecke, Schnecke--1, 4. mest, Messer--2, 1. velthoen, Rebhuhn.

¶ Nr. 133.

KLUNKERIG UND GEMALIN.

1 Klompertjen en zijn wijfjen, Die zouën vroeg opstaan, Om eiertjens te verkoopen, En naar de markt te gaan. 2 Ze waren halleverwegen, Halleverwegen den dijk, Daar braken al haar eiertjens, En 't botertjen viel in 't slijk. 3 Het speet er niet om de eirtjens, Maar om er mooien doek, Die ze gisteren nog gemaakt had Van Klompertjens besten broek.

Holländisch: Bauernlied in Camera obscura van Hildebrand (Nicol. Beets) 3. druk 1. Deel (Haarlem 1851.) bl. 76.

¶ Nr. 134.

MUTTER GIB MIR EINEN MANN!

1 'Moeder, lieve moeder, nu gheeft mi enen man, die mi desen couden winter so waermkens decken can! Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 2 'Och dochter, lieve dochter, ghi wacht noch wel een jaer!' 'moeder, lieve moeder, het valt mi veel te swaer. Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 3 'Och dochter, lieve dochter, ghi wacht noch wel een maent!' 'och moeder, liefste moeder, nu siet aen mijn ghedaent! Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 4 'Och dochter, lieve dochter, ghi wacht noch wel een weec!' 'och moeder, liefste moeder, nu siet aen mijn ghebrec! Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 5 'Och dochter, lieve dochter, nu wacht die maeltijt uit.' 'och moeder, liefste moeder, hoe gherne waer ic die bruit! Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 6 'Och dochter, lieve dochter, waer crighe ghi dan die keur?' 'och moeder, lieve moeder, die man staet voor die deur! Alle mijn leden beven, beven, alle mijn leden beven mi.' 7 'Och dochter, lieve dochter, die man is u te groot, ende crijcht hi u op het bedde, hi ketelet u ter doot.' 'Alle mijn leden beven, beven. alle mijn leden beven mi.

Weimar. Hs. 1537. Nr. 34.--Hs. 1, 5. 6. alle mein glider Leffen Leffen alle mein Lietiens Leffen mich--3, 4. glatt (d. i. ghelaet für ghedaent)--5, 4. wie (hoe)--6, 2. kor--7, 3. denn (het).

¶ 2, 2. wachten, warten--3, 4. ghedaent, Gestalt, körperliche Beschaffenheit--5, 2. maeltijt d. h. bis zur nächsten Malzeit, het etmael, einen Tag von 24 Stunden--6, 2. keur, Wahl.

¶ Nr. 135.

AUS DEM REGEN IN DIE TRAUFE.

1 Ic quam tot enen danse daer menich joncfrouken was, ende daer vant icse alleine die seer bedroevet was. ic boot haer vriendelike mijn groete, si loondes mi, haer soete woorden bevielen mi. 2 'Mijn moerken is ghestorven, die mi ten besten riet; een ander hebbe ic verworven, des lijdt mijn herte verdriet. si gaven mi enen ouden man, al om des goedekens wille ghinc ic dat houwelic an. 3 So coomt hi voor mijn bedde, al voor mijn beddeken staen, sijn coussen ende ooc sijn schoenen heeft hi al uit ghedaen. hi heeft so veel masselen aen sijn been, ende dan moet ic hem gaen verwermen den leliken ouden man. 4 Dan sit hi aen den dische, hi heeft van als ghenoech, van wiltbraet ende ooc van vische veel meer dan hijs behoeft, hi sit ende babbelt al waert een gans: hi en heeft in alle sinen mont och! niet meer dan enen tant. 5 Dit claghe ic u, lieve ghespele, och lieve ghespeelken goet, dat ic mijn jonghe leven aldus versliten moet ende al met enen ouden man, dan moet icker bi te bedde gaen die gheneuchte noch vreucht en can.'

* * *

6 'Die oude man is ghestorven, den ouden en die is doot. enen jonghen heb ic verworven, hi gheeft mi slaghen so groot. dan denke ic op den ouden man: och, vonde ic weder sijns ghelijc, nemmer meer en schede icker van!'

Antw. LB. 1544. Nr. 85.--Dr. 2, 4. herteken--6, 7. scheyde. Das deutsche Lied, in sehr verdorbener Lesart in den "Bergkreyen" von O. Schade Nr. 50, schließt nicht mit der Sehnsucht der jungen Frau nach dem alten Manne, sondern:

der alt man was gestorben tot, die frau het ein jungen erworben, dem alten genad got!

¶ 2, 1. moerken, Mütterchen--2, 7. houwelic, Heirath--3, 5. massel, schwarzer Fleck--3, 7. lelijc, hässlich--4, 4. behoeven, nöthig haben--4, 5. babbelen, babbeln, plappern--5, 4. sijn leven versliten, sein Leben verbringen.

¶ Nr. 136.

DIE MÄDCHEN VON KIELDRECHT.

1 Te Kieldrecht, te Kieldrecht, daer zyn de meiskens koene: zy vryen tot den middernacht en slapen tot den noene. ik maei: is dat niet fraei? en slapen tot den noene. 2 Als ze opstaen, als ze opstaen, dan kyken ze in de wolken; zy zeggen: 'wel hoe laet is 't al? myn koe staet ongemolken. ik maei: is dat niet fraei? myn koe staet ongemolken.' 3 Als ze uitgaen, als ze uitgaen, komt haer de koster tegen: 'wel koster, zeg hoe laet is 't al? wat uer is 't daer geslegen? ik maei: is dat niet fraei? wat uer is 't daer geslegen?' 4 'Het uer dat daer geslegen is, dat kunt gy wel bemerken: de hoogmis is al lang gedaen en 't volk komt van der kerken. ik maei: is dat niet fraei? en 't volk komt van der kerken.' 5 En als zy komen in de weî, zy zeggen: 'koeiken blare! ik ben hier met myn lieveken, en zal u dat niet varen? ik maei: is dat niet fraei? en zal u dat niet varen?'

Vlämisch; Willems Nr. 124. Snellaert Liedjes Nr. 64.--¶ 1, 4. noen, Mittag--5, 2. blare, schwarze Kuh mit einer Blässe, s. Hor. belg. 6, 223.

¶ Nr. 137.

DAS KOMMT DAVON!

Stem: Van daech ist nu.

1 De mey, de mey, de mey, de ghenoechlijke tijt! maer als de vrijers uit vrijen gaen, uit vrijen gaen, uit vrijen gaen, dan zijn de meisjes bly. 2 Dan gaen sy naer de doelen en al over de ossesluis. des morghens als den dach comt aen, den dach comt aen, den dach comt aen, so comen sy wederom thuis. 3 Dan beghint de moeder te kijven en te roepen also seer. 'ei lieve moeder, en roept so niet, en tiert so niet, en tiert so niet! jouw kijven en is gheen eer.' 4 'Soud ick niet luide roepen? mijn dunct, ick heb ghelijc: sy segghen dat gh 'er een kindeken draecht, een kindeken draecht, ghy benter gheen maecht, jouw eertje benje quijt.' 5 'Soud ick een kindeken draghen, moy meisje sonder man! de coele wint uit den oosten, de coele wint uit den westen, die waeyter gheen kindeken an.' 6 'De coele wint uit den oosten die heeft het jou niet ghedaen, maer jouw dansen en jouw springhen, by de jonghe vrijers singhen, en jouw avont spelen gaen, dat heeft het jou ghedaen.'

Holländisch: Oudt Amsterd. LB. bl. 80. Oudt Haerl. LB. 16 en 27 druk.

¶ 2, 1. doelen, Schützenplatz, wo nach dem Ziel, doel, geschossen wird--3, 4. tieren, lärmen--4, 2. ghelijc hebben, Recht haben--4, 4. ghy bent für sijt.--

¶ Nr. 138.

ROSENTANZ.

1 Nu wil ik eens ommegaan, roozen aan mijn hoedje! en zien of ik ze vinden kan, roozen, roozebloemen aan mijnen hoed! hadden wij geld, wij hadden moed! roozen aan mijn hoedje! 2 Ik zei: schoon lief geeft mij de hand roozen aan mijn hoedje! en treedt met mij aan dezen dans! enz. 3 Ik zei: schoon lief, wij moeten knielen! roozen aan mijn hoedje! ik hoop, het zal ons wel gelieven. enz. 4 Ik zei: schoon lief, wij moeten kussen! roozen aan mijn hoedje! ik hoop, het zal ons wel gelusten. enz. 5 Ik zei: schoon lief, gij dient mij niet! roozen aan mijn hoedje! al benje wat zwart, gij smet mij niet. enz. 6 Ik zei: schoon lief, wij moeten scheiden! roozen aan mijn hoedje! ik hoop, 't zal ons wel geleiden. enz.

Holländisch: Haerl. LB. 27. druk 1716.--Im Druck 1, 2. u. 6. hoedeken und so immer--4, 3. gelucken (gelusten).

Hat eine auffallende Ähnlichkeit mit dem Reigentanzliede, wie es in der Gegend um Bonn gesungen wird:

1 Jungfer, gebt mir die weiße Hand Und geht mit mir an diesen Tanz! Rosenblumen auf meinen Hut! Hätt' ich Geld, und das wär' gut; Blumen an mein Hütchen! 2 Jungfer, ihr sollt tanzen In diesem Rosenkranze! 3 Jungfer, springt wacker auf die Schuh'! Morgen woll'n wir sie lappen thun. 4 Jungfer, ihr sollt küssen! Das thät die Jungfer lüsten. 5 Jungfer, ihr sollt nichen (nicken)! Das thät die Jungfer strichen (ihr lieb sein). 6 Jungfer, ihr sollt scheiden! Das thät der Jungfer leide.

Nach meiner Mittheil. nebst Melodie in Erk, Volkslieder 2 Bd. 4/5. Heft Nr. 78.--Das niederl. Lied mag aus Deutschland herübergekommen sein. 6, 3. hat nur Sinn, wenn man geleiden für ein altes leeden, leid sein nimmt, wie es der deutsche Text verlangt.

Auch in den südlichen Niederlanden ist dieser Reigentanz heimisch gewesen, aber seine Bedeutung längst erloschen; in Kortryk singen nur die Mädchen:

¶ Nr. 139.

ROSENTANZ.

1 Zou ik niet mogen ingaen? ingaen? rosabloemen op mynen hoed! waren wy, waren wy alzoo zoet! rosabloemen op mynen hoed! Rosa myn alderzoet! 2 Zou ik niet mogen kiezen? kiezen? rosabloemen enz. 3 Zou ik niet mogen kussen? kussen? rosabloemen enz. 4 Zou ik niet mogen wafels bakken? wafels bakken? rosabloemen enz. 5 Zou ik niet mogen uutgaen? uutgaen? rosabloemen enz.

Snellaert bei Willems bl. 297.

Noch bruchstücklicher das Lied, welches Willems von unbekannter Hand erhielt, Nr. 127.

1 Rosa, willen wy dansen? danst Rosa, danst Rosa! rosabloemen op haren hoed, zy hadde geld, maer weinig goed. danst, Rosa zoet! 2 Rosa, willen wy kussen? kust Rosa, kust Rosa! enz. 3 Rosa, willen wy kroonen? kroont Rosa, kroont Rosa! enz.

¶ Nr. 140.

DAS PATERCHEN.

Tanzlied.