Niederländische Volkslieder

Part 10

Chapter 103,758 wordsPublic domain

1 Mynheerken van Maldeghem ging er al buiten jagen drie mylkens buiten Brugge, daer stond er een linde breed; hy en vond er niets ter jagte dan een herderken kleene; hy moest hem tegenkomen, het was hem lief of leed. 2 'Wel herderken, wel herderken! ik zou er u geiren vragen wat wonder avonture is in dit bosch te zien? van waer komt deze horen, deze overschoonen horen? als ik hem laetst aenschouwde, behoorde hy aen myn.' 3 'Mynheerken van Maldeghem ga hier uit onze strate! want deze schoone horen en gaet er u niet aen; blies ik op mynen horen, myn overschoonen horen, de zesendertig ketelaers al zouden wezen gram.' 4 Mynheerken van Maldeghem en wilde 't niet gelooven, hy nam hem ende zette hem aen zynen rooden mond. de zesendertig ketelaers kwamen uit 't bosch gesprongen, gelyk de wilde hazen voor eenen tammen hond. 5 'Houdt op, o kameraden, van kappen ende kerven! en slaet er toch mynheerken van Maldeghem niet dood! ik heb met hem gereden door dorpen ende steden, zeven jaer gedronken en g'eten van zyn brood.' 6 Mynheerken van Maldeghem die schoot er al in zyn tassche en gaf drie gouden penningen aen dezen herder koen. 'wy zyn ons zesendertig mannen van avonturen, er is voor d' een of d' ander geen koussen ofte schoen. 7 Mynheerken van Maldeghem! gy moet ons hier beloven, g'heel vaste gaen beloven al op uw eerlykheid, dat gy het niet zult zeggen of met geen penne schryven, als dat het bosch van Maldeghem met roovers is beleid.' 8 Mynheerken van Maldeghem die heeft stille gezwegen, hy en heeft het met geen pennen geschreven of gezeid, maer heeft met zynen voete te Brugge in't zand geschreven, als dat het bosch van Maldeghem met roovers lag beleid.

Joh. Wilh. Wolf, Niederländische Sagen (Lpz. 1843.) Nr. 102. S. 153. ohne Angabe der Quelle (Uhland Nr. 161. B. mit alter Schreibung; Snellaert oude en nieuwe liedjes Nr. 72.) Bei Wolf noch eine 9-12 Str. von Prudens van Duyse hinzugedichtet.--Dr. 1, 2. uiter (buiten).

¶ 3, 7. ketelaers, Kesselflicker, loses Gesindel. Die Kessler gehören zu den unredlichen, ungeachteten Handwerkern. Wegen ihrer fahrenden Lebensweise galten sie schon frühe für Landfahrer und Betrüger: so wird ihrer unter dem Namen chaltsmide schon im 12. Jahrh. gedacht, s. Genesis Fundgruben 2,31. Zeile 24-30.--5, 1. 2. wird bei Wolf übersetzt: "Haltet ein mit Kappen u. Kerben". kappen, hauen--kerven, einschneiden--6, 8. koussen ofte schoen, Strümpfe oder Schuhe.

Willems hat einen von den obigen abweichenden Text in sieben Strophen. Er bemerkt dazu: 'Mir vorgesungen in der Umgegend von Maldeghem durch Hrn. Willems von Eecloo und andere. Man weist dort noch die Gruben, worin die Räuber wie man sagt eingekerkert waren.' Trotzdem scheint es mir, als ob der Willemssche Text Nr. 54. aus den beiden obigen zusammengesetzt ist. Doch wäre möglich, dass hier ein mündlicher Text zum Grunde liegt. Die drei letzten Strophen lauten in alter, von W. nicht recht durchgeführter Schreibung, also:

'Mijnheerken van Maldeghem, ghi sijt ons welghecomen! tghelach sult ghi betalen, wi drinken gheerne wijn. sweert dat ghijt noit sult segghen dat ghi in desen bosche met rovers hebt ghedronken of rovers hebt ghesien.' Si namen sijn ghesmide ende al sijn beste panden, hi moest sijn budel ruimen: 'houdt daer mijn penninc root! ic wil tghelach betalen, ic sal van u niet spreken, maer vrienden, uw gheselschap dat is mi al te groot.' Mijnheerken van Maldeghem mach weer naer Maldeghem riden. si gaven hem vri gheleide al om sijn edel bloet. hi hevet stil ghesweghen, maer op deerde neergheschreven hi Brugghe in die stede metten teen van sijn voet.

¶ Nr. 23.

THIJSKEN VAN DEN SCHILDE.

1 Het is goet vrede in alle duitsche landen sonder Thijsken van den Schilde, hi leit te Delder ghevanghen, hi leit ghevanghen so swaerlijc op sijn lijf. 2 Die vrou al van den Schilde si lach op hogher tinnen, si sach die heren, die borghers comen binnen, si en sach daer Thijsken haer liefste boele niet. 3 'Ghi ruiters, ghi rovers, ghi heren van der straten! waer hebdi Thijsken van den Schilde ghelaten? waer hebdi ghelaten die liefste boele mijn?' 4 'Och vrouken van den Schilde, nu en laet u niet verlanghen, dat Thijsken van den Schilde te Delder leit ghevanghen, hi leit ghevanghen so swaerlijc op sijn lijf!' 5 Dat vrouken van den Schilde en woudes niet gheloven, si dede haer paerdeken sadelen ende tomen, si reedt te Delder al voor dat hoghe huis. 6 'Och Thijsken van den Schilde dats bistu nu hier binnen? so steect uw hoofdeken al uit der hogher tinnen, laet mi aenschouwen uw fiere jonghe lijf!' 7 Thijsken van den Schilde en liets hem niet verdrieten, hi liet sijn hoofdeken ter hogher tinnen uit schieten, hi liet haer aenschouwen sijn fiere jonghe lijf. 8 'Thijsken van den Schilde, ghi en woudt mi niet gheloven, dat ghi bi daghe bi nachte soudt laten uw ruiten, uw roven, dat ghi soudt laten uw roven ter halver middernacht.' 9 'Ja vrouken van den Schilde, dat quam bi uwen schulden, dat ghi woudt draghen dat silver ende root gulden, dat ghi woudt draghen dat rode beslaghen gout.' 10 'Och Thijsken van den Schilde, haddi dat woort ghesweghen, met silver ende rode gout haddic u op doen weghen, dat u nu sal costen dijn fiere jonghe lijf.' 11 'Och vrouken van den Schilde, en soude u dat niet verdrieten, dat mi die raven, die voghelen souden eten, dat mi souden eten so menich clein voghelken?' 12 'Och Thijsken van den Schilde, en laet u niet verlanghen ic sal uw radeken met rooskens ombehanghen, daer op sal rusten dijn fiere jonghe lijf.'

Antw. LB. 1544. Nr. 59. (Hor. belg. 2, 137. Willems Nr. 108.)

¶ 8, 2. ruiten ende roven, plündern u. rauben--beslaghen gout, Goldplättchen, womit etwas beschlagen wird, an Kleidung u. Pferdegeschirr.

¶ Nr. 24.

DIE GESELLEN AUS ROSENTHAL.

Stem: Van mijn heer van Valkenstein.

1 Wie wil horen een nieu liet? hoort toe, ic salt u singhen van drie ghesellen uit Rosendael, op vrijbuit wast dat si ghinghen. 2 Si ghinghen bilo bi nachte niet, maer si ghinghen op avonture so lanc tot dat si gheldeloos waren, dat duerde een cort hallifure. 3 Als si ter halver weghen quamen, een coopman quam haer teghen: 'lech af, lech af jouw coopmans goet, wilt ghijder behouden uw leven!' 4 'Ic lech niet af mijn coopmans goet ende daer toe mijn jonghe leven, ic hebber noch silver ende rode gout ende dat sal icker jou gheven.' 5 Die coopman sinen tas ontsloot ende hi schonker wel hondert cronen: 'houdt daer, ghesellen van Rosendael, verteertse met vroutjes schone!' 6 Doe sprac de joncste al van de drie: 'die buit willen wi gaen clieven, ende gheven den coopman sijn half goet weer, so mach hi een coopman bliven.' 7 Doe sprac de outste al van de drie: 'die buit willen wi gaen houen, ende copen ons elc een appelgrau ros ende riden tAntwerpen binnen.' 8 Als si tAntwerpen binnen quamen, tAntwerpen binnen de muren, si wierden op een pijnbanc gheleit: dat deder haer jonc hert truren. 9 'Nu sijnder al ons leden lam: wat sullen wi gaen beghinnen? ic en wilder niet meer nae Rosendael gaen ende horen den nachtegael singhen. 10 O nachtegael, clein voghelkijn, hoe hebt ghi mijn bedroghen! ghi placht te singhen onder een pereboom, in veel schoon vroutjes oghen. 11 O nachtegael, clein voghelkijn, wilt ghi mi leren singhen?-- ic singher int wout, clein voghel stout, niemant cander mijn bedwinghen.-- 12 Bent ghi int wout, clein voghel stout, can jou niemant bedwinghen, so dwinct jou de haghel, de coude snee, het loof al van der linden.'

Oudt Amst. LB. bl. 26. (Willems Nr. 109.) Oudt Haerl. LB. 27. druk. In ersterem 9, 4. daer veel schoone vroutjens waren.

Ueber das Lied von der Nachtigall, Str. 10-11. s. Nr. 71.

¶ 2. 1. bilo, byloo, wol besser belo, wahrscheinlich aus den alten Interjectionen wê und lâ (noch im Engl. la, lo), ahd. wela, ags. vala; Interj. des Staunens u. Schmerzens, Grimm Gr. 3, 288 ff. Fehlt in den nl. Wb.--5, 1. tas, Tasche, Börse--5, 3. houdt daer, nehmt, das frz. tenez!--6, 2. clieven, spalten, theilen--7, 2. houen für houden--8, 3. pijnbanc, Folter--10, 3. placht, pflegtet--11, 4. 10, 2. mijn für mi--12, 1. bent für sijt.

¶ Nr. 25.

DER UNSCHULDIGE KNABE.

1 In Oostenrijk daar staat een huis zeer fraai en wel ten toone, van marmer en albastertsteen, en blinkt van goude schoone. 2 Daar op zoo leit een jongeling teer op zijnen hals gevangen, wel veertig vademen onder de aard bij adderen en bij slangen. 3 Zijn vader quam tot Rosenberg al voor den toorn gegangen: 'och zoone, liefste zoone van mijn, hoe zwaar legt gij gevangen!' 4 'Och vader, liefste vader mijn, zeer zwaar leg ik gevangen, wel veertig vademen onder de aard bij adderen en bij slangen.' 5 Zijn vader wel tot de heeren sprak: 'wilt mijn den gevangen los geven, drie honderd goudguldens zal ik u strak wel voor den jongeling geven.' 6 'Drie honderd goudgulden helpen u niet, die jongeling moet sneven: hij draagt een gouden keten ziet, die brengt hem om zijn leven.' 7 'Dat hij een gouden keten draagt, die en heeft hij niet gestolen, die heeft hem vereerd een schoone maagd uit liefden onverholen.' 8 Men haalde den jongeling uit den toorn en gaf hem 't sacramente. 'och rijke god van den hemel hoog, nu gaat het aan mijn ende!' 9 Men voerden hem voort ter poorten uit, die leere moest hij opstijgen: 'och meester, laat mijn een kleine tijd mijn jong leven beschrijen!' 10 'Een korten tijd en laat ik u niet, of gij mij mogt ontrinnen. geeft mij een zijden doekjen ziet, dat ik zijn oogen mogte verbinden!' 11 'Och mijn oogen verbind doch niet, ik moet de wereld aanschouwen; ik zieze nu en nimmermeer, dies leit mijn hert in rouwen. 12 Ik treur niet om mijn jonge lijf noch om mijn jonge leven, maar om mijn vrou moeder die t'huis zit in droefheid en sneven.' 13 Zijn vader onder 't geregte stond, zijn hert dat scheen te breken: 'och zoone, liefste zoone mijn, uwen dood zal ik wel wreken.' 14 'Och vader, liefste vader mijn, mijn dood en wilt niet wreken, op dat mijn ziel niet komt in pijn, onschuldig wil ic sterven.' 15 Des derden dags met klaren toon zag men een engel blinken: 'neemt af, neemt af den jongeling schoon, of de stad die zal verzinken!' 16 Omtrent drie maanden na dien dag zijn dood die was gewroken: daar waren al over de dertig man om den jongeling dood gestoken.

Holländisch: Scheltema's Sammlung. Anf. des 18. Jahrh. Ursprünglich deutsch, daran erinnern auch noch die Reime 10, 2. 4. ontrinnen (für ontrennen): verbinden und 8, 2. 4. sacramente (im Druck sacramenten schoon): ende. Im Dr. fehlt 8, 3. hoog.

¶ 1, 2. fraai, schön--ten toon, zur Schau--2, 1. leit, legt, liegt--teer, teder, zart--2, 4. adder, Natter--6, 2. sneven, sterben--9, 2. leer, ladder, Leiter--11, 4. rouw, Trauer--13, 4. wreken, rächen--16, 2. gewroken, gerächt.

Von dem deutschen Liede gilt für den ältesten Text der vom J. 1647, nur wenig verschieden davon sind die noch jetzt im Munde des Volks vorhandenen. Das Lied mag gegen Anfang des 16. Jahrh. entstanden sein; dass es um die Mitte desselben schon bekannt war, beweist eine musikalische Sammlung jener Zeit, s. Eschenburg's Denkmäler S. 447. Ausführliche Nachweisungen in meinen Schlesischen Volksliedern unter Nr. 8. S. 18, woselbst auch der dänische und schwedische Text besprochen wird. Uhland, Volkslieder Nr. 125. hat auch keinen ältern Text als den des Fl. Bl. vom J. 1647; er erwähnt auch einen niederdeutschen, in seinem unvollständigen niederd. LB. Nr. 72.

¶ Nr. 26.

LIEBESPROBE.

1 Daar zou er een magetje vroeg opstaan, om haar zoetelief te zoeken gaan, en zij zocht hem onder de linden, maar kon er haar liefje niet vinden. 2 Met een kwam daar een heer aangaan, die zei: 'kind, wat doet gij hier alleen te staan? of telt gij alle groene boomen en al de geele goude roozen?' 3 'Ik tel er de groene boomen niet en pluk ook alle goude roozen niet; ik heb er mijn liefje verloren en kan er geen tijding van hooren.' 4 'Heb gij er uw liefje verloren, kanje ook geen tijding van hem hooren? hij is er op Zeelands douwen en verkeert met alle schoone vrouwen.' 5 'Is hij er op Zeelands douwen, verkeert hij daar met schoone vrouwen, zoo mag de hemel zijn leidsman zijn met alle mooije meisjes die bij hem zijn!' 6 Wat trok hij uit zijn mouwe? een ketting rood van gouwe: 'die wil ik u, schoon kind, schenken, wilt op uw lief niet meer denken!' 7 'Al ware de ketting nog eens zoo lang, dat zij van de hemel op de aarde hang, veel liever wil ik ze verliezen, eer ik een ander liefje wil kiezen.' 8 Doe ontroerde de heer zijn bloed: 'schoon kind, ziet wel voor u watje doet! gij bent er mijn regte vrouwe en ik wil er geen ander trouwen!'

Holländisch: Volksliederbücher. Das holländische Lied ist alt und lebt wahrscheinlich jetzt noch hie und da im Munde des Volks; in Sammlungen des 16. und 17. Jahrhunderts habe ich es vergebens gesucht; nur in den Souterliedekens findet sich der Anfang zur Bezeichnung der Melodie: Aen gheender linden daer staet een dal--doch fangen mehrere alte Lieder so an, s. Uhland Nr. 27. und 15.

Den Anfang des deutschen Liedes gibt Fischart in seiner Geschichtklitterung 1575. Cap. 1.

Es ist eine Lind in jenem Thal, ist oben breit und unten schmal.

Es wird noch jetzt allgemein gesungen, s. die Nachweisungen in meinen Schles. Volksliedern S. 42. Den ältesten Text theilt Uhland mit in seinen Volksliedern Nr. 116 aus einem hdschr. LB. vom J. 1592, einen aus dem Ende des 17. Jahrh. Erk, Liederhort Nr. 1. a.

¶ 4, 3. douwe für ouwe, entstanden aus landouwe, was wiederum nur landsouwe ist. ouwe, wasser- und weidenreiches Grasland--6, 1. mouw, Ermel.

¶ Nr. 27.

DIE KÖNIGSKINDER.

1 Het waren twee conincskinderen, si hadden malcander so lief, si conden bi malcander niet comen, het water was veel te diep. 2 Wat stac si op? drie keersen, drie keersen van twaelf int pont, om daer mee te behouden sconincs sone van jaren was jonc. 3 Met een quam daer een besje, een oude venijnde bes, en die blies uit die keersen, daer verdronker dien jonghen helt. 4 'Och moeder, seidese, moeder! mijn hoofje doet mijnder so wee, mocht icker een cort half uertje spanceren al langhes de see?' 5 'Och dochter, seidese, dochter! alleen en meucht ghi niet gaen, wect op uw joncste suster en later die met u gaen.' 6 'Mijn alderjoncste suster dat is also cleinen kint, si pluct maer al de roosjes die si in haer weghen vint. 7 Si pluct maer al de roosjes en die bladertjes laet si staen, dan segghen maer alle de lieden: dat hebben conincs kindren ghedaen.' 8 De moeder ghinc nae de kerke, de dochter ghinc haren ganc, si ghinc maer also verre daer si haer vaders vischer vant. 9 'Och vischer, seidese, vischer, mijn vaders vischerkijn! woudt ghi een weinich vischen, tsoud u wel ghelonet sijn.' 10 Hi smeet sijn net int water, de lootjes die ghinghen te gront, hoe haest was daer ghevischet sconincs sone van jaren was jonc. 11 Wat troc si van haer hande? een vingherlinc root van gout: 'houdt daer, mijns vaders vischer! daer isser den lone van jou.' 12 Si nam hem in haer armen, si custen hem voor sijn mont: 'och mondelinc, cost ghi spreken! och hertje, waert ghijder ghesont!' 13 Si nam hem in haer armen, si spronker mee in de see: 'adieu mijn vader en moeder! van uw leven siet ghi mi niet weer. 14 Adieu mijn vader en moeder, mijn vriendekens alle ghelijc, adieu mijn suster en broeder! ic vaerder nae themelrijc.'

Oudt Amst. LB. bl. 79. (Hor. belg. 2, 112.) Oudt Haerl. LB. 27. druk (1716) bl. 53.

Bei Willems (Nr. 55) in 8 achtzeiligen Strophen, also 8 Zeilen mehr als hier, sonst nur hie und da abweichend. Obschon "aus dem Munde des Volkes", so kommen mir doch folgende beiden Strophen sehr verdächtig vor:

Wat deed zy? zy stak op drie keerssen, als 's avonds het dagelicht zonk. 'och liefste komt, zwemt er over!' dat deed 's konings zone was jong. Dit zag daer een oude quene, een alzoo vilijnig vel: zy ging er dat licht uitblazen, doen smoorde die jonge held.

Allerdings sind im alten Texte nicht hübsch die Kerzen von zwölf auf's Pfund', aber volksthümlich, dagegen Willems 'als des Abends das Tagelicht sank' doch höchst modern und selbstgemacht klingt! Das vilijnig (vilein, frz. vilain) vel ist sehr garstig und gewiss nur des Reims wegen von Willems beliebt worden.

Das Lied von den Königskindern ist in allen Ländern deutscher Zunge verbreitet, sogar bis hoch hinauf in den Norden, s. meine Nachweisungen Hor. belg. 2, 114. 115.

Außer den hochdeutschen Texten finden sich auch mundartliche: kuhländisch Meinert S. 137, münsterländisch Mone Anzeiger 6, 164 (Uhland Nr. 91), ostfriesisch Firmenich Völkerstimmen 1, 15.--Dänisch Udvalg af Danske Viser 1, 47; schwedisch Svenska Folkvisor 2, 210. 1, 103.--Es ist sogar übergegangen zu den Wenden, s. Volkslieder der Wenden von Haupt und Schmaler 1, 86. und 2, 13.

¶ 3, 1. besje, altes Mütterchen--3, 2. venijnde, venijnig, giftig--10, 2. lootjes, lodekens, die Bleikugeln am Fischernetze, das Gesenke--14, 2. vriendekens, Verwandte.

¶ Nr. 28.

TREUE UND UNTREUE.

1 'Het spruit een roosjen aen gheen lantsdouwe, ic heb ghedient so schonen vrouwe: rijc god wat loon sal ic ontfaen?' 2 'Hansken, wilt ghi daer uw loon af hebben, so comt noch tavont voor mijn bedde, ic sal u lonen met mijn eighen lijf.' 3 'Vrouwe, dat waer mi so groten schande! mijn edel heer is uit in vreemde lande, hi sal noch tavont comen thuis.' 4 Dat vrouken lacher op hogher tinnen, si sach haer edel here comen binnen, si hiet hem droevelijc wellecom. 5 'Joncfrou, dat ben ic seer onghewone dat ghi mi so droevelijc heet wellecome, of heeft u iemant groot leit ghedaen?' 6 'Joncheer, dat sal ic u gaen vertellen: ghi hebter een cnaepjen onder uw ghesellen die bat mi om te slapen bi.' 7 'Brenct mi dat cnaepjen al voor mijn oghen! heeft hi daer schult in, ic salt doen doden, ic sal hem doen sijn hooft af slaen.' 8 Si nam haer Hansken bi sine cleren, si bracht hem al voor den edel lantshere, daer liet si Hansken in sorghe staen. 9 'Hansken, sei hi, wie raet u so coene, dat ghi met mijn huisvrou hebt te doene, als ic in vreemde landen jaghen ben?' 10 'Heer, seide hi, heer, het is gheloghen! si heeft mi voor haer bedde doen comen, had ic ghewilt het waer al gheschiet.' 11 'Hansken, ic wil u seer wel gheloven, si heeft mi elf cnaepjes doen doden, maer selfs sal si de twaelfde sijn.' 12 Hi nam dat vrouken al bi der hande, hi leidese veer in vreemde lande, daer liet hi haer het hooft af slaen. 13 Hi nam dat hooftjen al bi den hare, hi smetet in een fontein was clare, al daer haer son noch maen bescheen. 14 'Lecht daer, lecht daer nu, ghi valsche tonghe! ghi hebt so menich vals liet ghesonghen, ghi hebt ghesonghen, maer singt het niet meer. 15 Hansken, sei hi, gaet nu uit mijn oghen! ghi hebt mi so schonen vrou doen doden en si had u gheen leit ghedaen.' 16 'Heer, seide hi, here, gheeft mi mijn hure, die mi so dicwils is gheworden sure! ic sal uit uwen oghen gaen.' 17 'Hansken, gaet ghi nu van stal tot stalle en neemt den besten ros van alle en reist daer mede ten lande uit! 18 En als ghi dan comt in vreemde lande, en spreect van uw lantsvrou ghene schande, want si heeft u gheen leit ghedaen!' 19 Hansken die ghingher van stal tot stalle, hi nam den besten ros van alle, hi reet daer mede ten lande uit. 20 Maer doe hi quam in vreemde lande, hi sprac van sijn lantsvrou ghene schande, maer hi heefter een liedeken af ghedicht.

Oudt Haerl. LB. 16. druk en 27. druk (Willems Nr. 105.)--Dr. 3, 1. was (waer)

¶ 16, 1. hure, Gesindelohn.

¶ Nr. 29.

LIEBE OHNE STAND.

1 Daar reed er een ridder al door het riet en hij hief op en zong een lied en een liedje met heldere stemme, dat het tusschen twee bergen klemde. 2 En dat verhoorde een jonkvrouw fijn, zij lag er op hare slaapkamer allein, en zy vlegtte haar haartje met zijde: met den landsknecht woude zij rijden. 3 De landsknecht had ze zoo lief en waard, hij zette ze voor hem op zijn paard en voerde ze in korte wijlen wel vierenzeventig mijlen. 4 Hij voerde ze over een akker was wijd, dat was er met roode roosjes bespreid, hij zeide: 'vrouw maget, gij moet achterwaarts staan, mijn graauwe ros is er zoo moede van gaan.' 5 'Waarom zoo zoude ik achterwaarts staan? had ik er mijn vaders raadje gedaan, daar toe mijn vrouw moedertjes wille, ik had er geweest een keizerinnen.' 6 'Had gij er geweest een keizerin, en ik er een markgraaf zijn zoontje bin, zoo laat het u, mooi meisje, niet rouwen, want morgen zal ik u trouwen.' 7 'Eer ik was uw getrouwde wijf, veel liever verloor ik mijn jonge lijf; eer ik was uw getrouwde huisvrouwe, ik liet liever mijn hoofdje afhouwen.' 8 Eer zij er dat woordje ten halve sprak, haar hoofdje al voor haar voeten lag, en met een al zoo scherp zwaarde sloeg hij er dat hoofdje ter aarde. 9 Hij nam het hoofdje bij het haar, hij wierp het in een fontein was klaar, een fontein was diep van gronde: 'leg daar jou lagchende monde! 10 Leg hier, leg daar, jou lagchende mond! gij hebt mij gekost zoo veel duizend pond en zoo meningen penning rood goude: uw hoofdje is al afgehouwen.'

Holländisch: De vrolyke Oost-indies-vaarder, Amsterd. VolksLB., vgl. Le Jeune bl. 292.--Ein offenbar altes Lied, das aber im Laufe der Zeit, da es sich nur mündlich fortpflanzte, gänzlich verdorben und deshalb unklar geworden ist. Auch dem entsprechenden hochdeutschen Liede ist es nicht besser ergangen, s. den Text bei Nicolai, Almanach 2. Jahrg. Nr. 21, und die aus mündlicher Ueberlieferung geschöpften neuen Lesarten, sowol bei Erk, Liederhort Nr. 28. als Wunderhorn, Neue Ausgabe 1, 39-41 haben ihm nicht aufzuhelfen vermocht.

¶ 1, 4. klemmen, gellen, s. Kiliaen ed. Hasselt 1, 299.

¶ Nr. 30.

UNTREUE SCHLÄGT SICH SELBST.