Zoo'n lastige jongen

Part 4

Chapter 44,256 wordsPublic domain

In ’t volgende oogenblik, toen hij zich wilde omkeeren, om naar ’t tooneel van het ongeval terug te rennen, werd hij door een van de twee mannen stevig bij zijn schouders gepakt, en merkte hij dat hij zich in de handen bevond van zijn oom. Met zijn druipnatte kleeren, zijn diep verslagen gezichtje, en zijn handen, die blauw zagen van de kou, leverde de arme kleine Jo in dat oogenblik een treurigen aanblik op.

„Of Corrie verdronken is, weet ik niet, maar ’t lijkt me dat jij ’t zeker wel bent,” zei de heer Holmer, op eenigszins strengen toon, hoewel dit voor ’t oogenblik meer ’t gevolg was van schrik dan van boosheid. ’t Volgende oogenblik keerde hij zich om, maakte de deur open, en riep naar binnen:

„Marian, kom eens hier!”

De keukenmeid snelde naar de deur.

„Och, mijn hemel!” riep ze ontsteld uit, toen ze Jo in ’t oog kreeg. „Die arme lieve jongen, hij zal zich nog een ziekte op z’n hals halen!”

„Daar heeft hij in elk geval z’n best voor gedaan,” antwoordde de heer Holmer; „neem hem dus maar gauw mee, en stop hem dadelijk in een warm bed, en verlies den kleinen deugniet geen oogenblik uit ’t gezicht, vóórdat ik je daartoe permissie geef.”

„Maar het eten, menheer!” waagde Marian even, op twijfelachtigen toon, te zeggen.

„Dat moet van zelf maar in orde komen,” luidde ’t antwoord. „James, breng een stuk of wat emmers naar ’t achtererf.”

En na dat bevel gegeven te hebben, begaf de heer Holmer zich haastig zelf daarheen, in de veronderstelling dat zijn ondernemend neefje er in geslaagd was de weerbarstige kraan open te krijgen, en dat de emmers noodig waren om het water op te vangen, totdat het handvatsel weer zou zijn teruggedraaid. Van de uitgebreidheid van de ramp had hij niet ’t minste vermoeden.

VII.

CORRIE IN VERLEGENHEID.

„In orde, hoor,” antwoordde de heldere, flinke stem van den eersten den besten persoon, tot wien Jo Holmer ’t verzoek richtte zijn zuster te gaan helpen. En als de eigenaar van die stem zei „In orde,” dan meende hij dat ook, en dan nam hij in den regel de meest vlugge en practische maatregelen, om datgene, wat ’t ook was, waar zijn hulp bij gevraagd werd, in orde te krijgen.

Jo zou onmogelijk een betere keus met zijn verzoek hebben kunnen doen, al had hij uit een paar duizend menschen te kiezen gehad. En toch is ’t óók waar, dat, als Juffrouw Corrie de zaak in handen had gehad, ze stellig en zeker nog liever tweemaal zoo nat en koud zou zijn geweest als ze nu was, dan te moeten ondervinden dat die onverwachts opgeroepen vreemdeling haar te hulp kwam, terwijl ze daar op ’t met water overstroomde achtererf stond, met slappe, druipnatte kleeren, bleek van de kou, en met in den wind fladderende haren.

Nog altijd stond Corrie gebukt over de gebroken pijp, met de palm van haar hand zoo stevig op de opening gedrukt als de verkleumdheid er van ’t toeliet, toen op eens een stem, vlak bij haar, op een toon van oprecht medelijden, zei:

„U mag daar niet zoo blijven staan in dat ijskoude water, en in dien scherpen wind.”

Ze had héél bleek gezien toen de spreker haar voor het eerst in ’t oog kreeg, maar ’t gaf hem een gevoel van verlichting, toen hij den frisschen blos zag die haar gelaat overtoog, nu ze haar verbaasden blik tot hem ophief, en in haar verwarring haar hand van de gebroken pijp terugtrok.

’t Was een vreemde die naast haar stond, een jonge man, met een flink, prettig gezicht, die er bovendien keurig uitzag, wat zijn kleeding betrof, zooals juffrouw Corrie, zelfs bij dien eersten, verschrikten blik opmerkte. Vol medelijden met haar verlegenheid en verbazing, haastte de vreemdeling zich zijn verontschuldigingen te maken dat hij zoo onverwachts te voorschijn was gekomen.

„Uw broertje—ik veronderstel ten minste dat ’t uw broertje was—zond me hierheen om u te helpen.”

„O!” zei Corrie, en onwillekeurig voegde ze er bij, „’t is ook zoo’n lastige jongen altijd!”

De vreemdeling kon niet laten even te lachen.

„Toch niet, hoop ik, omdat hij zoo goed is geweest mij gelegenheid te geven u te helpen?” vroeg hij, terwijl hij nu, op zijn beurt, naar het bewuste schuurtje snelde, om naar een of ander geschikt gereedschap om te zien.

Binnen vijf seconden keerde hij terug, met een voorwerp in de hand, dat voor zijn doel even geschikt was als Jo den hamer voor zijn doel geschikt had gevonden. En binnen nog weer vijf seconden had zijn stevige hand, met behulp van een stevige nijptang, de gebroken pijp voldoende dichtgeknepen om den verderen aanvoer van water tegen te houden. Er druppelde nog maar een klein straaltje uit de twee hoeken, toen de heer Holmer voor den dag kwam. Deze stond met zóó’n verbaasd gezicht ’t heele tooneel aan te staren, alsof hij zich van klinkklare verbazing tot spreken niet in staat voelde.

„Corrie,” riep hij eindelijk, „wat beteekent dit toch allemaal? Jij en Jo zien er uit als een paar verdronken ratten, en waar komt hier al dat water vandaan? En—en—waar is de kraan gebleven?”

„Ik weet ’t niet, Oom,” stamelde Corrie, terwijl ze zich omkeerde en haar best deed haar druipnatte japon wat uit te slaan, en haar verwaaide haren achter haar ooren te strijken.

De heer Holmer liet haar een oogenblik begaan, en hij wendde zich nu, nog altijd in de grootste verbazing, tot den vreemdeling, met de vraag:

„En hoe kom jij, in ’s hemels naam, hier, Russell? Ik had er volstrekt geen idée van dat je mijn nichtje kende.”

„Ik ook niet. Of ten minste”—dit werd er aarzelend en glimlachend bij gevoegd—„ik had er geen idée van tot vóór drie minuten. Maar ongevallen zijn prachtige dingen, geloof ik, om kennissen in eens in vrienden te veranderen. En omdat dit hier nu ’t geval is, en juffrouw Holmer en ik dus vrienden zijn geworden, een paar minuten nadat we elkaar voor ’t eerst hebben gezien, mag ik nu van ’t recht van een vriend gebruik maken en haar verzoeken onmiddellijk die natte schoenen en kleeren te gaan uittrekken? Ze zijn werkelijk gevaarlijk, met zulk weer als dit.”

Terwijl hij sprak, keek hij niet Corrie aan, die rood zag van verlegenheid, maar haar oom. En deze voegde zich dadelijk naar den raad van den vreemdeling, en gaf zijn nichtje de welkome order onmiddellijk naar binnen te gaan.

„Ik heb Jo naar bed gestuurd,” zei hij, „en ik geloof bepaald dat ’t maar ’t best zou zijn aan jou dezelfde order te geven, Juffrouw Corrie.”

„Ja, Oom,” mompelde Corrie, en ze begon, over ’t met water overstroomde erf, den terugtocht te aanvaarden naar de deur, die wel tienmaal zoo ver af leek als werkelijk ’t geval was. Ze had menigmaal tegen Jo gezegd dat hij een lastige jongen was, maar nog nooit had ze de volle beteekenis van dat gezegde zóó gevoeld als op dit oogenblik, terwijl ze vergeefsche pogingen deed om zich met nog eenigen schijn van waardigheid aan den blik van den vreemdeling te onttrekken. Sloep, sloep, klits, klats ging ’t door het water, terwijl haar druipnatte kleeren haar bijna ’t voortgaan beletten, en ze elk oogenblik gevaar liep haar doorweekte schoenen te verliezen. De arme Corrie voelde zich diep vernederd; ze was altijd uiterst keurig en precies omtrent dergelijke dingen, en ’t besef dat de heldere oogen van dien vreemden jongen man thans waarschijnlijk op haar rustten, maakte dat ze Jo’s laatste staaltje van ondeugendheid hoe langer hoe erger begon te vinden. Dat hij naar bed was gezonden, was een dubbel en dwars verdiende straf, vond ze.

„Maar, juffrouw!” riep de tweede meid ontsteld uit, toen ze binnenkwam, „u is net zoo doornat als Jo zelf! Marian is met hem naar boven, en ze heeft een warme kruik meegenomen. En wat zal menheer wel zeggen, juffrouw, als u met die druipnatte kleeren de trap opgaat? Neem me niet kwalijk dat ik ’t zeg, juffrouw, maar menheer is zoo erg precies, ziet u.”

„Ja, ja,” zei Corrie haastig, „ik weet ’t wel, ik zal hier maar binnen gaan.” En daar ze haar oom en den heer Russell hoorde naderen, wipte ze gauw ’t kleine zitkamertje van Marian binnen, naast de keuken, en, de meid met zich meetrekkende, deed ze de deur dicht, totdat de heeren veilig voorbij waren. Toen zond ze Sarah naar boven om een andere japon voor haar te halen, en alles wat ze verder noodig had. Marian’s kamertje werd tijdelijk in een kleedkamer veranderd; en een kwartier of zoo later begaf Corrie zich opweg naar de ochtend-zitkamer, met een ongewoon hooge kleur, gedeeltelijk veroorzaakt door de koude buitenlucht, waar ze in was geweest, en gedeeltelijk doordat ze er tegen opzag den vreemdeling weer te ontmoeten, dien Jo gezonden had om haar te helpen, waar ze dezen alles behalve dankbaar voor was.

„Zeg eens, juffertje,” riep haar oom uit, toen ze de kamer binnentrad, waar de twee heeren bij ’t vuur zaten te praten. „Zeg eens, is dat nu gehoorzamen aan mijn orders? Maar, dat ’s waar ook, hier, Menheer Russell, zei al, dat dat gedweeë „Ja, oom” van jou heel wat anders beteekende als naar bed gaan.”

De jonge man sprong op, en terwijl hij zijn stoel achteruitschoof, riep hij uit:

„O, juffrouw Holmer, neem me niet kwalijk, maar dat moet ik toch beslist tegenspreken. Uw oom beweerde ’t, en toen zei ik alleen dat ik ’t óók dacht.”

De heer Holmer lachte.

„Nu ja, je hebt in elk geval toch toegestemd, dat jij haar ook beschouwde als een echt exemplaar van ’t stijfhoofdig vrouwelijk geslacht. De jongen, hoe ondeugend en lastig hij ook is, heeft zich hierin veel beter gedragen, dat zie je, want die is ten minste naar bed gegaan.”

„Ja, oom, dat ben ik ook,” liet een schelle jongensstem zich hooren, in antwoord op die verklaring; en niet alleen de heer Holmer, maar ook juffrouw Holmer en de heer Russell keken hoogst verbaasd om zich heen bij dat geluid.

Vóórdat ze een van allen iets konden zeggen, ging de deur weer open, en Marian, de keukenmeid, stak haar hoofd naar binnen, met den onrustigen, zenuwachtigen uitroep: „Och, menheer, juffrouw, nou is hij weer weg!”

„Dat zou ik ook zeggen, Marian,” antwoordde de heer Holmer. „Maar hoe is ’t mogelijk dat je ’m hebt laten wegloopen?”

„Ja, ziet u, menheer, hij was zoo huiverig, en toen dacht ik, ’t zou maar goed zijn als ik de kachel aanmaakte; en toen, ik was nog geen minuut weg om ’t hout en de kolen te halen, daar is hij me weggeloopen, niemand weet waar naar toe.”

„O, ja, ze weten ’t al, Marian,” liet de schelle jongensstem zich weer hooren. „Oom zei dat ik naar bed moest, maar hij zei niet wáár, en daarom ben ik maar naar bed gegaan hier onder de tafel. Ik lig hier heel gemakkelijk en lekker, en ’t bespaart jou een heeleboel moeite, zie je.”

Marian bukte zich om onder de tafel te kijken, en toen nam ze haastig, onder den gesmoorden uitroep: „Och, och, hoe komt zoo’n jongen er bij!” den terugtocht aan, om buiten in de gang in lachen uit te barsten.

Intusschen hadden de heer Holmer en de anderen zich ook gebukt en onder de tafel gekeken, en allen uitten hun opmerkingen naar gelang van hun speciale gevoelens omtrent de zaak.

„Heel gemakkelijk, dat is zeker,” merkte de heer Russell droogjes aan.

„Maar, Jo! Jou ondeugende jongen! Hoe durf je?” stamelde Corrie, die zich door de vermetelheid van haar broertje heelenal uit ’t veld geslagen voelde. Hoe ’t hem mogelijk was ergens op zijn gemak te zijn, met de gedachte aan die gebroken pijp op het achtererf, ze kon er zich geen denkbeeld van maken. Maar dan nu hier, in een deken gerold, op zijn gemak te liggen onder de tafel van de zitkamer! Neen, tot zoo iets onbeschaamds had Corrie zelfs Jo niet in staat gerekend.

„Kom er eens uit, vriendje,” zei de heer Holmer, met een vertoon van gestrengheid, dat niet veel beteekende. „Was je niet bang voor straf, na al wat er gebeurd is, dat je zoo maar dadelijk weer een van je onbeschaamde streken gaat uithalen, zeg? Vertel me dat eens.”

Jo hief zich op zijn elleboog op en keek van uit zijn schuilplaats naar boven.

„Neen, oom; ik was niet bang meer voor u, na dat bemorste tafellaken van van ochtend, en die zes potten bessengelei. En, weet u, toen Sarah daar net tegen Marian zei: „Och, och! wat zal menheer toch boos zijn!” toen zei Marian: „Nou ja, hij kan den jongen in elk geval toch niet opeten, dus zoo’n vrééselijk gezicht hoef je niet te zetten.” En toen dacht ik, u zal me ook wel niet opeten, ook al ging ik niet heusch naar bed. Ziet u, zoo vóór ’t eten, en vóórdat ik de konijnen en ’t varken eten gegeven heb, en al die prettige dingen meer, dat zou ik zoo erg akelig hebben gevonden. En och, oom, zou u niet denken, dat ’t beter voor me zou zijn, als ik nu maar onder de tafel vandaan kwam, en liever daar wat op het haardkleedje ging liggen?”

Die vraag werd op zóó overredenden toon gedaan, dat de heer Russell zich tot zijn gastheer wendde, en zei:

„Iemand zou bepaald een hart van steen moeten hebben, om zóó’n nederig verzoek te weigeren. U heeft er zeker niets tegen, dat ik den kleinen smeekeling een meer gemakkelijke positie bezorg?”

En daar zijn gastheer toestemmend knikte, knielde de heer Russell op den grond en haalde een pakje deken en jongen te voorschijn, waarmee hij zich in een fauteuil neerzette, vóórdat hij ’t op het haardkleedje neerlegde.

„Ben ik niet nog al zwaar, zoo ingepakt?” vroeg Jo, toen zijn nieuwe vriend den deken terugtrok en hem ’t verwarde haar uit de oogen streek. „’t Zou, geloof ik, maar beter zijn als u me neerlei. Ik weeg heel wat, dat weet ik, ook zonder dat ding om me heen.”

„Ja,” zei de heer Russell, „nu je ’t zegt, merk ik ook dat je aardig zwaar bent; en toch wil ik dat vrachtje wel eens even vasthouden om je wat beter te bekijken, want je lijkt me een wonderlijke jongen. Wat was je idée daarmee, zeg, om voor je eigen plezier een ondeugende streek uit te halen, en dan weg te loopen en je zuster met half-bevroren handen en voeten aan haar lot over te laten, terwijl je zelf heel makkelijk in een wollen deken onder de tafel ging liggen? Was dat niet een klein beetje leelijk van je?”

Met een driftige beweging trachtte Jo zich uit den deken en uit de armen van den vreemdeling los te wringen, welke poging met een tuimeling op den grond eindigde. Maar vóórdat hij kon opstaan en iets had kunnen zeggen, boog Corrie zich voorover, en, met een zweem van verontwaardiging in haar stem, zei ze:

„Werkelijk, u hoeft mijn partij niet te trekken, dank u. Jo mag ondeugend zijn, maar iets leelijks zal hij nooit doen, dat heeft hij nog nooit in zijn leven gedaan.”

Jo keek naar Corrie om, met den glimlach vol beteekenis, waarmee hij die veelgeliefde zuster een heel enkele maal vereerde. En toen hij zich daarna tot den vreemdeling wendde, stond op ’t schalksche jongensgezicht een ongewoon ernstige uitdrukking te lezen.

„Leuk, hé, om zoo’n zuster te hebben?” zei hij. „Als u Cor maar kende, dan zou u wel begrijpen dat ik tegen haar nooit iets leelijks zou kunnen doen. Ik liep alleen maar weg omdat ze ’t tegen me zei, en omdat ik dacht dat ik haar al meer dan genoeg last bezorgd had. En, ziet u, u is zooveel grooter en handiger dan ik, en daarom zond ik u zoo gauw als ik kon naar haar toe.”

„Waar Juffrouw Corrie je alles behalve dankbaar voor was, kleine plaaggeest, dat kan ik je vertellen,” zei zijn oom lachend, terwijl hij zijn nichtje aankeek, die bij de herinnering aan die eigenaardige ontmoeting op nieuw een kleur kreeg. Algemeen werd de heer Holmer beschouwd als een deftig, tamelijk afgemeten man, maar zoo nu en dan had hij zijn plaagachtige buien, evengoed als zijn kleine neef en naamgenoot.

„Je hebt op school dansen en buigen en al die soort van dingen geleerd, hé, Corrie?” Verwonderd keek Juffrouw Holmer haar oom aan; maar vóórdat ze gelegenheid had iets te antwoorden, ging deze voort:

„’t Zou bepaald een idée wezen, dat voor een dansonderwijzeres geld waard zou zijn, als ze nu en dan haar leerlingen zich liet oefenen om in druipnatte kleeren netjes te loopen. ’t Vereischt veel talent om dat met eenige waardigheid te doen, heb ik gemerkt. Vind-je ’t ook niet, Russell? Ik zag dat je er ook de noodige aandacht aan wijdde.”

De heer Russell wierp een vluchtigen blik op ’t blozende meisjesgelaat tegenover hem, en toen zei hij, op een eerlijken, rondborstigen toon, die Corrie aangenaam in de ooren klonk:

„Foei, foei, Menheer Holmer, u heeft ’t plagen nog niet verleerd, merk ik. Weet u nog wel hoe wanhopig u me indertijd kon maken met uw geplaag? Ik weet ’t nog heel goed. Ik keek Juffrouw Holmer na toen ze heenging, dat ’s waar, maar ik deed ’t alleen omdat ik werkelijk bang was dat ze vallen zou. En hoewel ik heel veel houd van mijn vak, vind ik, als ik eens een dag vacantie heb, ’t zetten van gebroken beenen zoo heel prettig niet.”

„Gebroken beenen! O, dan is u zeker een dokter?” riep Jo uit, terwijl hij zijn nieuwen vriend met meer belangstelling dan te voren aanstaarde. „En waarom vindt u ’t niet prettig om op een vacantiedag gebroken beenen te zetten?”

„’t Is bepaald jammer voor Jo, dat hij u niet in uw waardigheid heeft kunnen zien optreden,” viel Corrie lachend in, om aan ’t gesprek over dat onderwerp een einde te maken. „Misschien hoopte hij wel zelf een of ander drankje van u te krijgen, na ’t koude stortbad van van morgen.”

’t Deed den bezoeker veel genoegen te zien, dat de verlegen blos van daareven verdwenen was, en dat de spreekster haar zelfbeheersching geheel had teruggekregen.

„Ik geloof ’t bepaald ook, Juffrouw Holmer,” riep hij vroolijk uit. „Nu, als ik hem daarmee plezier kan doen, dan wil ik hem wel eens een heel leelijk drankje ingeven. Zou u me den inktkoker even willen aanreiken?”

En in ’t volgende oogenblik lag Jo op zijn rug, over de knieën van den jongen dokter, als voorbereiding tot een zóó luidruchtige stoeipartij, als tot nog toe ooit in ’t huis van den heer Holmer had plaats gehad.

VIII.

EEN VERRASSING.

Bij Oom Holmer was ’t de gewoonte het brood in huis te bakken. De heer des huizes had een vooroordeel tegen ander brood, en dat vooroordeel was bepaald een van zijn stokpaardjes. Toen zijn nichtje als klein meisje voor ’t eerst bij hem kwam logeeren, had hij zijn keukenmeid op ’t hart gedrukt haar vooral in te wijden in de geheimen van ’t broodbakken, en bij elk volgend bezoek had ze daaraan meegedaan, om haar kennis er van niet te vergeten.

„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?” vroeg de heer Holmer, op een morgen aan ’t ontbijt, toen ’t logeeren van zijn nicht en neefje op ’t eind begon te loopen. Sinds het voorval met de gebroken kraan voelde hij altijd een zekere mate van belangstelling in de plannen die voor dien dag werden gemaakt, al wist hij ook bij ondervinding, dat op de uitvoering van die plannen nooit zoo heel vast kon worden gerekend, daar zijn jeugdige neef en naamgenoot nog al geneigd was een of andere variatie in ’t programma te brengen. Maar toch gaf ’t hem een zekere gerustheid als hij eenigszins op de hoogte werd gebracht, en dus had hij, sinds de bewuste overstrooming van het achtererf, de gewoonte aangenomen elken morgen te vragen, zooals hij nu deed:

„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?”

Corrie keek hem glimlachend aan.

„Ik ben van plan me van ochtend verdienstelijk te maken, Oom, want ik ga brood bakken. En dan zal ik, als Marian er ten minste niets tegen heeft, wat geslagen room voor u klaarmaken, of een blanc-manger.”

„Alsjeblieft geslagen room, hoor, Corrie,” zei de heer Holmer, met een goedkeurenden blik. „Dat is een tractatie, die ik alleen krijg als jij ze voor me klaar maakt. Maar als je van plan bent zoo in de keuken bezig te zijn, wat moet er dan in den tusschentijd van dezen jeugdigen uitvinder van kattekwaad worden?”

„Ik ga ook mee naar de keuken, om te kijken,” antwoordde vriend Jo dadelijk.

„Zóó!” luidde ’t eenigzins twijfelachtige antwoord. „’t Zal me benieuwen, baasje, hoe lang die bezigheid van toekijken je bevallen zal.”

Jo hield zijn hoofd weer op zij, op papegaaien-manier, zooals altijd als hij over iets nadacht.

„Wel, Oom, ik denk net zoolang totdat Corrie ’t brood in den oven heeft gezet.”

„En de geslagen room heeft klaar gemaakt?”

„Neen, zóólang niet, want ik ben er niks benieuwd naar hoe geslagen room gemaakt wordt. Mannen, die in woeste bosschen of in mijnen leven, zullen wel nooit geslagen room eten, denk ik.”

„Neen, dat denk ik ook niet,” zei de heer Holmer droogjes. „Maar zou je ons niet eens even een verklaring willen geven, jongeheer, van ’t geen je vertelt? Wat heb jij daarmee te maken, met den smaak van mannen die in woeste bosschen en in mijnen leven, zeg?”

„Wel, héél veel, Oom Johan,” luidde ’t bedaarde antwoord. „U herinnert u dat boek wel, dat u me verleden week heeft gegeven? Nu, als ik groot ben, dan wou ik worden net als de mannen in dat boek, dan wou ik in een woest bosch gaan wonen, of goud-delver worden, of zoo iets. Ziet u, dáárom wou ik leeren hoe je brood moet bakken; die mannen kenden ’t niet, en toen werden ze ziek omdat ze allerlei ongaar goed aten. Als Corrie ’t erg graag wil, mag ze later met me meegaan, en dan moet zij natuurlijk alles koken en zoo. Maar ik ben wel een beetje bang dat papa en mama ’t niet goed zullen vinden.”

„Dat ik het eten klaar maak voor de expeditie, bedoel-je?” vroeg Corrie, die moeite had haar gezicht in een ernstige plooi te houden.

„Neen, Corrie, dat niet; als je meegaat, zullen ze ’t, denk ik, heel goed vinden dat je ons wat helpt. Maar, natuurlijk, ’t zal wel een beetje eenzaam voor hen zijn zonder mij, en dus—”

„En dus—en dus, baasje,” viel de heer Holmer lachend in, „zal ik je, als je niet oppast, eens helpen aan die gelukkige eenzaamheid, door je op te pakken en je in een waschtobbe te laten verhuizen naar die mijnen daarginder, aan den overkant van den vijver.”

„Mij niet er bij, alsjeblieft, Oom,” zei Corrie vroolijk, terwijl ze haar stoel achteruit schoof, „want als dat de manier van reizen is van de expeditie, dan zou ik maar liever papa en mama in hun eenzaamheid gezelschap blijven houden.”

„Och, als je twee of drie waschtobben aan elkaar bondt, en je hadt wat zeilen en roeispanen, dan zou ’t haast net zoo goed zijn als een schip,” zei haar broer, half tegen zichzelf, op nadenkenden toon, terwijl ook hij zijn stoel achteruitschoof en zich gereed maakte met zijn zuster naar de keuken te gaan.

Een kwartier later stond Juffrouw Corrie, met een groote huishoudschort voor en morsmouwen aan, voor de keukentafel, waarop zich de verschillende artikelen bevonden, die ze voor haar werk noodig had. Alles stond daar bij de hand, met uitzondering van de witte suiker, die voor de geslagen room was bestemd. Deze was in een grijs steenen pot weggezet op de aanrechtbank, uit vrees voor vergissingen, omdat het zout, dat voor ’t brood noodig was, zich in zoo’n zelfden grijs steenen pot bevond, en ’t dus volstrekt niet onmogelijk was zich in die twee te vergissen. Maar nu de suiker veilig was weggezet, kon daar geen sprake meer van zijn.

Juist wilde Corrie aan ’t gewichtige broodmaken beginnen, toen de stalknecht haastig binnenkwam, om haar de boodschap over te brengen dat zijn heer al in ’t rijtuig zat, maar dat deze haar graag nog even iets zou willen zeggen vóórdat hij naar de stad reed.

Snel wierp de jonge dame een half onrustigen blik op ’t gereed liggende meel en op haar broertje, terwijl ze haastig vroeg: „Ga-je ook niet even mee, Jo?” en toen snelde ze heen om aan ’t verzoek van haar oom te voldoen. Aan háár uitnoodiging werd door Jo evenwel niet voldaan. Hij gaf er op dat oogenblik verre de voorkeur aan te blijven waar hij was; en hij vond dat dat wegroepen van zijn zuster al op een buitengewoon geschikt oogenblik was gebeurd.

Waarom de menschen toch zout in ’t brood deden, als ze ’t in hun macht hadden er suiker in te doen; dat was iets dat hij maar niet kon begrijpen.

„’t Is niets anders, wed ik,” mompelde hij in zichzelf, op nadenkenden toon, „als een van die dingen, die, zooals papa dikwijls zegt, alleen uit gewoonte worden gedaan, en ik geloof dat meisjes en vrouwen dat nooit goed kunnen begrijpen. Ik wed dat die goede Cor er niet van zou willen hooren, suiker in haar brood te doen in plaats van zout, maar ik vind ’t vreeselijk aardig dat ik dat nou net eens doen kan. En wat zal Oom ’t een tractatie vinden!”