Zoo'n lastige jongen

Part 3

Chapter 34,204 wordsPublic domain

„Denk er aan, William,” zei hij, een paar dagen later, bij ’t heengaan, „als Corrie over drie weken bij me komt, met Kerstmis, dat de jongen ook mee moet komen.”

„Wat!” riep de heer Holmer. „Wat!” riep Corrie. Mevrouw Holmer voegde er geen derde „Wat!” bij, maar ze zei: „Werkelijk, Johan, dat is onmogelijk. Onze Jo is zoo’n beste, goede, eerlijke jongen als er maar een op de wereld bestaan kan, maar hij zou veel hebben van een jongen wilden stier in een porceleinwinkel, als je hem daar bij je hadt in je mooi gemeubeld, keurig ingericht huis.”

„Als je hem niet zendt, zal-je me de moeite en den last geven dat ik hem zelf moet komen halen,” zei Oom Johan. En met dat beslissende antwoord nam hij afscheid, en ging heen.

V.

EEN ONRUSTIGE OCHTEND.

Corrie Holmer had tot nog toe ’t logeeren bij haar oom altijd heel aardig gevonden. Alles ging daar even rustig, stil en geregeld zijn gang. Geen van de dienstboden scheen ooit krakende laarzen te dragen, en zelfs de zwartzijden Zondagsche japon van de huishoudster scheen er in geoefend te zijn volstrekt niet te ruischen. Maar als een korte afwisseling van haar eigen vroolijk, druk tehuis, had Corrie die rustige, ongewone omgeving wel prettig gevonden. Nu ze er echter te zamen met haar broertje was, voelde ze, hoeveel ze ook van hem hield, zich er niet zoo volkomen zeker van of zijn tegenwoordigheid daar haar wel zoo héél gewenscht voorkwam; en die twijfel rees onwillekeurig opnieuw bij haar op, toen ze, den derden dag van hun bezoek, vriend Jo de trap hoorde afglijden, onder luid gefluit en gestommel.

„Wat een ellende toch, die winter, en die vorst, en alles,” bromde de heer Holmer, toen hij dien ochtend binnenkwam om te ontbijten. Hij was buiten geweest op het achtererf, om, zooals hij gewoonlijk deed, zijn lievelingshond goeden morgen te zeggen, en als bewijs van zijn genegenheid had hij aan Trust een been gebracht. En in zijn haast om te toonen dat hij de vriendelijkheid van zijn baas op prijs stelde, had die groote, brave, domme oude Trust, zich verslikt. En daarna had hij, in zijn benauwdheid, zijn bak met water omgegooid.

„Arme stumperd!” zei de heer Holmer, en hij raapte den bak op en liep er mee naar de waterkraan op het erf om dien op nieuw te vullen. Maar door den vorst, of de roest, of doordat er nooit gebruik van gemaakt werd, of door welke reden dan ook, in elk geval bleek de kraan vast te zitten. Hij draaide er eenige malen aan, van rechts naar links, en van links naar rechts, maar ’t hielp niemendal; hij kon er niet de minste beweging in krijgen. Dus gaf hij aan den knecht order den bak van Trust te vullen, die in den tusschentijd al zonder water van zijn benauwdheid was bekomen; en toen trad de heer des huizes de ontbijtkamer binnen, brommende en pruttelende over ’t weer en over alles, totdat hij ’t vriendelijke, opgewekte gezichtje van zijn nicht in ’t oog kreeg, en toen verdwenen op eens alle rimpels, en hij riep uit:

„Och, och, wat een oude knorrepot van een oom heb-je toch, kind-lief! Ik zal nog maken dat je bang voor me wordt en naar huis terugloopt, als ik niet oppas. Schenk me maar eens een kop koffie in, misschien is dat wel geschikt voor iemand die uit zijn humeur is.”

Corrie voldeed lachende aan dat verzoek, en toen ze den bedarenden drank aan haar oom bracht, vroeg ze naar de meer speciale oorzaak waarom hij op dat oogenblik zoo ontstemd was.

„’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien,” riep Jo, toen ’t verhaal uit was, en hij sprong van zijn stoel.

„Jawel, natuurlijk, en tegelijk de tafel ondersteboven gooien,” zei zijn oom wrevelig, want elk kopje en bordje, dat op tafel stond, rammelde, en de helft van zijn koffie was op ’t schoteltje gemorst.

„Corrie, beste meid,” voegde hij er bij, „je zult dit zeker wel willen schoonmaken; en zou je dan alsjeblieft ’t bord van je rumoerigen broer eens willen vullen met alles wat je maar denkt dat hij lekker vindt, zoodat er kans bestaat dat jij en ik eens tien minuten rust hebben.”

„Bedoelt u terwijl ik eet, oom?” vroeg Jo.

„Ja, jongen, terwijl je eet. Je praat toch niet terwijl je eet, hoop ik?”

Jo hield zijn hoofd op zij, met een nadenkende uitdrukking.

„N—een, dat geloof ik niet; niet als de dingen lekker zijn ten minste. Maar ik schop onder ’t eten wel eens met mijn voeten tegen de tafel—Corrie en moe zeggen ’t ten minste—en u weet niet hoe de dingen dan soms rinkinkelen. Kijk, zoo!”

En vóórdat de arme Corrie een waarschuwing kon doen hooren, of om de tafel heen naar haar broer kon toevliegen, had Jo de daad bij het woord gevoegd, en een heel duidelijk voorbeeld gegeven van wat hij bedoelde. De heer Holmer sprong overeind, met, voor ’t oogenblik, een uitdrukking van bepaalde woede op ’t gelaat. En Corrie stond, bevend en met in elkaar geklemde handen, toe te kijken. De kleine schuldige staarde met ernstigen blik naar den inhoud van zijn kopje, die over het tafelkleed stroomde, en toen merkte hij, op een toon van diepe afkeuring en ergernis, op:

„Hè, oom, wat is dat een vrééselijk waggelachtige tafel! Hè, u is nog ouder dan papa, en papa zou zoo’n waggelachtig ding niet in zijn ontbijtkamer willen hebben, dat weet ik zeker.”

„Maar, Jo, hoe durf-je toch?” riep Corrie hem met gedempte stem toe. Verbazing over de vermetelheid van haar broertje, en vrees voor de straf, die daarvan een noodzakelijk gevolg zou wezen, streden in haar binnenste om den voorrang. ’t Was een beproeving getuige te moeten zijn van Jo’s onbehoorlijk gedrag, maar er getuige van te moeten zijn dat hij gestraft werd en zich verdrietig en ongelukkig voelde, was een nog zwaardere beproeving. Nog eenmaal wierp ze een blik op ’t gelaat van haar zeer stipten, nauwgezetten oom. En de uitdrukking, die ze daarop las, verbaasde haar nóg meer dan ’t gedrag van haar broertje. Gedurende één oogenblik was de heer Holmer letterlijk sprakeloos geweest van boosheid, maar in ’t volgende oogenblik barstte hij in een onbedwingbare lachbui uit. Bij dat volkomen onverwachte geluid zonk Corrie weer in haar stoel neer, terwijl haar oom uitriep:

„Zeg eens, vriend Jo, ik heb wel eens van brutale menschen gehoord, en ik heb er ook wel eens een paar ontmoet in mijn leven, maar ik heb er nooit een ontmoet, die met jou te vergelijken is! Dat gaat me daar, in de eerste plaats, uit louter baldadigheid tegen mijn arme tafel schoppen, en mijn mooi wit tafellaken totaal vuil maken, en nu wordt van mijn meubilair waarachtig nog kwaad gesproken op den koop toe!”

Snel hief Jo zijn hoofd op.

„Maar ik zal van ú nooit kwaad spreken, Oom Johan,” stamelde hij haastig. „U is een vreeselijk leuke, gezellige oom. Ik dacht dat ik een klap om m’n ooren zou krijgen, en—en—” de krachtige jongensstem begon een héél klein beetje te trillen—„ik had ’t bijna maar liever gewild. Wat ziet dat schoone tafellaken er uit! Als ik een beetje verstand van wasschen had, dan zou ik probeeren om die vlekken er voor u uit te krijgen.”

„Probeer ’t dan maar niet, alsjeblieft,” zei zijn Oom lachend. En toen stond hij op, en, onder voorwendsel van ’t met koffie overstroomde bord van zijn jeugdigen gast voor een ander te verruilen, boog hij zich over hem heen, en voor de eerste maal sinds Jo ’t zich kon herinneren, raakte hij diens voorhoofd met zijn lippen aan. Zijn neefje mocht dan ondeugend en al te vrijpostig wezen, terwijl die plek op zijn hoofd, waar de knobbel van den eerbied moest zitten, wel totaal afwezig scheen te zijn; maar wat zijn hart betrof, dat scheen toch blijkbaar op de rechte plaats te zitten; en daar de heer Holmer zelf, ondanks zijn uiterlijke deftigheid en strengheid, een heel goedhartig man was, was ’t niet onmogelijk, dat zich in den loop der jaren, een meer innige band tusschen hem en zijn petekind zou ontwikkelen, dan als vriend Jo een neefje was geweest, heelenal naar ’t eigen model van zijn peetoom geknipt, en zoo beleefd en onderdanig als er maar één bestaan kon.

De bewijzen daarvan zouden evenwel pas in de toekomst kunnen blijken. Intusschen ging het ontbijt zijn gang en kwam tot een eind, zonder dat er verder iets meldenswaardigs voorviel, met uitzondering van een kort, half fluisterend uitgesproken praatje tusschen Corrie en haar broer, toen ’t maal bijna afgeloopen was. De heer Holmer had zijn bord en kopje achteruit geschoven, en was bezig zijn courant te lezen, naar allen schijn doof voor al wat hem omringde.

„Zeg, Corrie! Waarvoor doe-je dat?”

„Wat bedoel-je, Jo?”

„Wel, om de gelei daarginder te zetten? Ik zou zeggen dat je al moe genoeg moet zijn van ’t koffieschenken en al die dingen, en dat je je dus geen moeite hoeft te geven voor niemendal.”

„O, dat was zoo heel veel moeite niet om dien pot hier te zetten.”

„Neen—maar om ’m dan ook weer terug te geven, zie-je.”

Na dit op veelbeteekenenden toon geuite gezegde volgde er zulk een ongeduldig geritsel met de courant, dat Corrie een oogenblik wachtte, vóórdat ze, met gedempte stem en op gedwongen kalmen toon, antwoordde:

„O, natuurlijk zou ik den gelei-pot niet aan dezen kant van de tafel hebben gezet, als ik gedacht had dat die aan den anderen kant nog noodig kon zijn. Ik heb ’m niet verzet voordat ik zag dat je genoeg hadt gehad.”

„Voordat je dat zag?” zei Jo, terwijl hij heel ernstig zijn hoofd schudde. „Dan kan ik je zeggen, Corrie, dat je je totaal vergist hebt. Ik heb nog niet eens half genoeg gehad, en omdat ik de andere helft ook graag hebben wou, zal-je je de moeite moeten geven den pot nog even hier neer te zetten, waar hij gestaan heeft.”

Corrie schudde haar hoofd. „Onmogelijk. Die extra inspanning zou net ’t laatste stroohalmpje kunnen zijn, zie-je, waardoor mijn arm, die nu al zoo moe is, pijn zou gaan doen.”

„Goed,” zei Jo; „dan zal ik ’m zelf dienen te gaan halen; maar je hebt me gezegd dat oom ’t liever niet had dat ik van mijn stoel opstond als we aan tafel zitten.”

„Dat heeft hij ook niet,” zei Corrie, die eindelijk in ’t nauw gebracht werd en zich genoodzaakt voelde ronduit te spreken. „Er is volstrekt geen reden voor dat je nu zou opstaan, dan alleen om te gaan spelen, want je hebt overvloedig genoeg gelei gehad, eigenlijk al meer dan goed voor je is.”

„Neen, hoor eens, Corrie, dat is ’t nu juist waar je je in vergist,” bracht Jo hier op dringenden toon tegen in. „Ik heb nog altijd een bepaalde leegte binnen in me—en, je weet wel, oom heeft gezegd dat ik hier pleizier moest hebben.”

Daar kwam de ritselende courant naar beneden, en Oom sprong van zijn stoel op, met een nieuwe uitbarsting van gelach. „Jou lastige kleine woelwater, waarom kan je je ouden oom niet rustig zijn courant laten lezen, zeg?”

„’t Spijt me erg, Oom,” luidde ’t berouwvolle antwoord. „Maar ’t is ondeugend van Corrie, is ’t niet, dat ze me niet laat doen wat u me gezegd hebt?”

„Natuurlijk,” zei Oom, „bijna zoo ondeugend als dat ze zelf ongehoorzaam was. Maar omdat ik gezegd heb dat je hier plezier moest hebben, en je gehoorzaamheid aan die order blijkbaar in het eten van gelei schijnt te bestaan, wat zou je er nu van denken als we omtrent dat punt eens een afspraak maakten, terwijl Corrie je uit dien pot nog één lepeltje-vol geeft.”

’t Gezicht van Jo helderde op, en hij reikte zijn zuster zijn bord toe. „Flink zoo, Oom. U begrijpt me, dat merk ik wel—u is niet zoo krenterig als een meisje. Hè, Cor! je hadt dien langen straal wel op mijn bord kunnen laten vallen, in plaats van weer terug in den pot. Dat zou een man nooit gedaan hebben, dat weet ik zeker.”

„En een man zou er niet zooveel spijt van hebben als je ziek werdt,” zei Corrie, verwijtend. „Werkelijk, Oom, ik ben bang dat hij nog ziek zal worden, als u hem zoo overlaadt met lekkernijen. We leven thuis zoo eenvoudig.”

De heer Holmer trachtte een heel ernstig gezicht te zetten, en streek Corrie bemoedigend over ’t blonde haar.

„Kijk eens, kind-lief, je hoort wel dat Jo en ik een afspraak samen zullen maken, en omdat ik zeker weet dat we ons daar allebei aan zullen houden, hoef-je je, dunkt me, niet langer ongerust te maken. Je logeeren hier, Jo, zal, dat weet-je, nog elf dagen duren, als alles goed gaat; dus nu zal ik tegen de keukenmeid zeggen dat ze zes potjes gelei apart zet, die speciaal voor jou zijn bestemd—Corrie en ik zullen van een ander gebruik maken. Zoolang die zes potjes gelei niet op zijn, kan je hier blijven; je zult er heelenal de vrije beschikking over hebben, maar als ze op zijn, vóórdat de elf dagen om zijn, dan is ’t met logeeren hier ook uit.”

„’t Is te hopen waarlijk, dat ze dan nog niet op zullen zijn!” riep Corrie uit. „Meer dan een halve pot per dag!”

„En massa’s en massa’s andere lekkere dingen nog er bij,” zei Jo, met een zucht van tevredenheid.

„Jawel,” stemde de heer Holmer toe, „maar, je begrijpt, geen andere soort van gelei of jam, of zoo iets van dien aard.”

„O, neen. Natuurlijk niet,” antwoordde Jo, met een nadenkend gezicht. „Maar zes potten voor elf dagen—ik zal maken dat ik daarmee toekom. En, ziet u, dan zal ik er nog wel eens met de keukenmeid over spreken ook. Ze zal stellig wel groote voor me uitzoeken, als ze hoort dat ’t voor een pleiziertje moet dienen. Ze zei gisteren nog, dat een beetje pleizier maken en lekker eten wel eens goed was nu en dan, voor jongens die in hun groei zijn. Uw keukenmeid is aardiger dan die bij ons thuis, Oom Johan. Ze maakt ’t heelemaal goed dat u een meer waggelachtige tafel heeft!”

„Maar Johan, houd-je mond toch!” riep Corrie.

Oom Johan zei niets; hij was de kamer uitgegaan.

„’t Is wel aardig een oom te hebben, vind-je niet, Corrie?” zei Jo.

„Heel wat aardiger dan een zuster te hebben, geloof ik dat je denkt,” zei Corrie Holmer, met een halven zucht. En toen verliet ook zij de kamer, om te probeeren, vóór haar broertje, onder vier oogen een woordje te hebben met de al te gulhartige keukenmeid.

Corrie had zich niet zoo behoeven te haasten. Jo’s kleine krullebol was gedurende de laatste twintig minuten heelenal vervuld geweest van nog een andere gedachte, behalve die omtrent de lekkere dingen die hij bij zijn ontbijt kreeg; en, om hem recht te doen weervaren, moet gezegd worden, dat die andere gedachte voor hem verreweg de meest belangrijke geweest was van de twee. Hij zou zelfs zijn twee laatste boterhammen met gelei hebben opgeofferd, om zijn plan gauwer ten uitvoer te kunnen brengen, als hij kans had gezien zijn oom en zijn zuster vóór dien tijd uit den weg te krijgen.

Maar die nieuwe plannen van hem vereischen een nieuw hoofdstuk.

VI.

EEN MOEILIJK OOGENBLIK.

Op een tentoonstelling heeft eens een schilderij gehangen, met den titel die boven dit hoofdstuk staat. Een klein kind, dat in een hoogen stoel zijn boterham zit te eten, ziet zich, tot zijn grooten schrik, op eens belegerd door een ontelbare massa kippen en ganzen en dergelijke indringers. „Een moeilijk oogenblik,” inderdaad!

Maar als de knappe maker van die schilderij een tweede voorbeeld van een moeilijk oogenblik noodig had, dan is ’t jammer dat hij niet op het erf achter het huis van den heer Holmer tegenwoordig was, drie dagen nadat diens neef en petekind, dien hij in een ondoordacht oogenblik te logeeren had gevraagd, bij hem was gekomen.

De heer Holmer was de ontbijtkamer binnengetreden, al brommende en pruttelende over een waterkraan, die niet open wou gaan, en hoewel de daarop gevolgde wanorde en strubbelingen aan zijn anders zoo rustige ontbijttafel hem de zaak voor ’t oogenblik hadden doen vergeten, was dit met zijn neefje niet ’t geval. Lekker eten deed Jo heel graag, maar ’t genot daarvan was niets, vergeleken bij ’t genot dat hij zich voorstelde te zullen smaken, door die kraan eens flink onderhanden te nemen, en de koppigheid er van te overwinnen. Water was een element, waar Jo een bepaalden hartstocht voor had, en al menigmaal had die hartstocht hem in allerlei ongelegenheid gebracht. Ook nu zou dit weer ’t geval zijn.

Van uit de ontbijtkamer ging Corrie Holmer naar de zitkamer, om een halfuurtje aan ’t instudeeren van een zangstukje te besteden, dat haar oom haar den vorigen avond gegeven had; en de heer Holmer zelf ging een bezoek brengen aan zijn stallen.

„En daar zal hij wel een goede poos blijven, zooals altijd,” zei Jo tot zichzelf, terwijl hij heel wijs met zijn hoofd knikte, in antwoord op ’t verzoek van zijn zuster om niet ondeugend te zijn. En dadelijk toen hij haar de zitkamer had hooren binnengaan, vloog hij naar het achtererf, dat ’t tooneel moest worden van zijn overwinning. Hij was vol verlangen zijn oom eens een dienst te bewijzen; maar de ondervinding had hem geleerd, dat de menschen uit zijn omgeving wat al te veel geneigd waren bij dergelijke menschlievende plannen tusschenbeide te komen, als ze die ontdekten vóórdat hij tijd had gehad ze in praktijk te brengen.

„Oom zal heel blij zijn, als hij merkt dat ik die kraan voor hem open heb gekregen, dat ’s natuurlijk,” zoo luidde Jo’s alleenspraak, toen hij er een oogenblik vóór bleef staan, voordat hij met zijn werk begon. „Maar als ik er eerst iets van gezegd had, dan zouden hij of Cor stellig gedacht hebben dat ik me zeer zou doen, of ’t een of ander kapot zou maken, of zoo iets, dat is wel zeker.”

En Jo moest stellig wel gelijk hebben. Trust was in die paar dagen bijzonder goede vrienden met hem geworden, maar zelfs hij kwam, met zijn ketting rammelend, uit zijn hok te voorschijn, en legde zijn grooten, harigen kop tusschen zijn twee voorpooten, terwijl hij met ernstigen blik den kleinen indringer aanstaarde, toen deze met alle macht aan de waterkraan begon te wrikken.

„Hè! wat zit dat ding vast!” zuchtte Jo, nadat hij gedurende een minuut of tien vruchteloos bezig was geweest, en zoo rood zag als een boos kalkoensch haantje.

Hij richtte zich overeind en nam een oogenblik rust, om weer op adem te komen, en terwijl hij wachtte, vóórdat hij zijn werk hervatte, keek hij om zich heen, keek naar Trust, keek naar het klimop op den muur, en ’t zou maar goed zijn geweest als hij niet verder had gekeken. Maar ongelukkig kreeg hij ’t in zijn hoofd ook in een berghok te gaan kijken, dat zich op het erf bevond, en daar zag hij, zooals hij met een juichkreet uitriep, „precies ’t ding dat hij noodig had.”

Op een plank binnen in ’t hok lag een groote, zware oude hamer, en Jo pakte dien met gretige handen op. Toen hij, daarmee gewapend, weer naar buiten trad, drukten de oogen van Trust nog meer bepaalde afkeuring uit dan te voren, en hij uitte zelfs een gedempt gebrom, als wilde hij een soort van waarschuwing doen hooren. Maar zijn metgezel was heelenal doof voor dergelijke wenken.

„Nu zullen we eens zien wie ’t winnen zal, jou oude, koppige kraan, jij of ik,” riep hij uit, met de voldoening van iemand, die zich van zijn overwinning al zeker voelt. Te zeker, want bij slot van rekening bleef de kraan toch overwinnaar in den strijd. Hij liep er naar toe, hief den hamer op, met de bedoeling dien op het handvat van de kraan te doen neerkomen, maar, zooals gezegd is, ’t gereedschap was, zoowel wat omvang als gewicht betrof, bijzonder ongeschikt voor de handen die er op dat oogenblik gebruik van trachtten te maken.

Op echte werkmansmanier werd de hamer omhoog geheven, over zijn schouder, en met inspanning van al zijn kracht kwam die weer omlaag—maar niet tegen het handvatsel.

Bij ’t neerdalen ging de hamer, in de onervaren handen die hem bestuurden, een weinigje op zij, en hij kwam met een slag neer, niet tegen het handvatsel, maar op de pijp zelf.

„O—o—o!!” barstte Jo uit, toen de hamer met een tweeden slag uit zijn verkleumde handen op de steenen viel. Voor de eerste maal in zijn leven was hij ernstig ontsteld over de onmiddellijke uitwerking van iets wat hij had gedaan. Dat de benedenhelft van zijn lichaam al door en door nat was, beteekende niet veel. Maar wat zou zijn oom zeggen, wat zou Cor zeggen, wat zouden zijn vader en moeder zeggen, als ze hoorden wat hij had gedaan? Dat waren de vragen, die hem als een bliksemstraal door ’t hoofd schoten, terwijl het water uit de pijp hem overstroomde.

De hamer had aan het water den vrijen loop bezorgd, dat was zeker, want hij had, met dien ongelukkigen slag, de heele kraan, en een flink stuk looden pijp er bij, weggeslagen, en het water stroomde naar buiten met een kracht, dat ’t wel leek alsof ’t nooit meer te stelpen zou wezen. In zijn wanhopig verlangen om dien verschrikkelijken waterstroom tegen te houden, klemde Jo zijn handen, de een over de ander geslagen, tegen ’t gebroken stuk pijp aan, maar hij had even goed kunnen probeeren den waterstraal met een oud stukje spons tegen te houden. ’t Eenige resultaat dat hij bereikte was, dat de groote straal zich nu in kleinere stralen verdeelde, die naar alle kanten heenspatten, zoodat hij, binnen weinige oogenblikken, van zijn hoofd tot zijn voeten, druipnat was.

Met een gebrom, dat weldra in een droevig gejank over den jammerlijken stand van zaken veranderde, stond de arme oude Trust van de doornatte steenen op en trok zich terug in zijn hok, juist toen Corrie aan de achterdeur verscheen om naar haar broertje te zoeken.

„Maar, Jo,” riep ze verbaasd uit, toen ze de overstrooming zag, „wat ben-je nu toch begonnen?”

„’t Kwam niet door mij, maar door den hamer,” luidde ’t op treurigen toon geuite antwoord. „Kom maar eens kijken.”

En de niets kwaads vermoedende Corrie voldeed, onder den indruk van het oogenblik, aan die uitnoodiging. Ze snelde naar Jo toe, maar liet op haar beurt een heel verschrikt „O—o—o!” hooren, toen ze onverwachts een stortbad over zich heen kreeg. De vloed op den grond had ze getrotseerd als iets dat onvermijdelijk was, maar ze was in ’t minst niet voorbereid op den waterstroom, dien ze op zich kreeg, toen Jo op eens zijn handen wegtrok en, met de kalmte der wanhoop, opmerkte:

„Kijk, Cor, dat heeft die ellendige hamer nu gedaan! En ik denk dat er wel geen stelpen aan zal wezen.”

In de eerste oogenblikken scheen ’t wel alsof Corrie, in haar schrik, die laatste hopelooze veronderstelling volkomen deelde; ze deed werktuigelijk precies hetzelfde wat haar broertje had gedaan, en trachtte den waterstroom met haar handen tegen te houden, natuurlijk met hetzelfde resultaat, dat ze druipnat werd. Maar eindelijk viel haar toch, te midden van haar verwarring en ontsteltenis, één verstandige gedachte in.

„Ga eens iemand roepen, Jo, en vraag of ze zoo gauw als ze kunnen wat tobben en emmers willen brengen. Och, och! wat zal oom toch wel zeggen?”

„Dat is ’t juist waar ik ook over sta te denken,” zei Jo, met een uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij plan maakte zichzelf tot een levenslang in bed blijven en een levenslange water-en-brood straf te veroordeelen.

Intusschen vloog hij heen om aan ’t verzoek van zijn zuster te voldoen, maar in plaats van het huis binnen te gaan aan den kant waar hij er uit gekomen was, liep hij er om heen, om, zoo druipnat als hij was, geen grooter stuk gang vuil te maken dan noodig was. Juist toen hij den hoek van het huis was omgegaan, zag hij een man, en zonder te wachten om te zien wie ’t eigenlijk was, riep hij hem, vol haast en angst, toe:

„Loop alsjeblieft gauw naar ’t achtererf om Corrie te helpen! Haar handen zullen al wel half bevroren zijn, denk ik, net als de mijne.”

„In orde, hoor,” riep een stem terug. Maar die stem behoorde noch aan John, noch aan James, noch aan een van de andere bedienden, waarmee de jeugdige bezoeker tot nog toe had kennisgemaakt. Maar wie ’t dan ook wezen mocht, hij was in elk geval al verdwenen, toen Jo even stil stond en zich omkeerde, om den man, dien hij tot hulp van zijn zuster had afgezonden, wat nauwkeuriger te bekijken. Toen snelde hij voort naar de dienstboden-ingang. Weer zag hij twee mannen daar in de buurt, die samen stonden te praten. Ook nu weer was hij vlugger met zijn woorden dan met zijn oogen.

„Breng een troep emmers naar het achtererf,” gilde hij, „een heelen troep, anders verdrinkt Trust, en—en Corrie misschien ook—en alles.”