Zonnestralen in School en Huis
Chapter 9
Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk, dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om te ontsnappen. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi, om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: "Heb je het touwtje al in je zak?" of "Ben je ook moe van het trekken?" of "Waren de erwtjes al opgekomen?" en al zulke plagerijen meer. En telkens, als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op: van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt! En wie weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....
Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en vuurrood. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt, "wat is er in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"--"Verdiende loon," zei de vader streng, "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen, terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we ons toch niet voor de menschen vertoonen."
"Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip, flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had, voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet.
Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor 't venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.
Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om hem tegen te houden. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En--hij liep ook niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.
"O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn hoofd op Moeders schouder vallen. "Dat geloof ik graag, mijn jongen," zei Moeder, "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is."
Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was 't eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond. En toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....
Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand op zijn' mond en zei: "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven, wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf: 'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is 't wel?"
"O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep Hans. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei Moeder lachend. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd, om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons drietjes, ook nog eens--rijden!"--"O, Moeder, wat ben je toch lief," riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, "wat ben je toch lief!"
Dat was de geschiedenis. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had, hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen: "'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de grapjes." Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans was daar niet minder om.
TEN OOSTEN VAN DE ZON EN TEN NOORDEN VAN DE AARDE.
Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een' zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist, hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.
Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten, leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader."
Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets, want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer een ander deel van de weide plat getreden was.
Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?"
"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan, Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.
"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon, "daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och, jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig, je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader," zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader.
En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de weide plat werd.
Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij: "Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.
Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden."
"Zoo," sprak Paul. "Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook." Bij die woorden werd de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen, anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug, en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.
Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: "Ik heb natuurlijk geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in 't vervolg nooit weer plat getreden zal worden." Toen lachten de broers hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor den ander riep: "En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu--we zullen eens zien, of de droom ook uitkomt."--De vader lachte niet; de vader zuchtte: "We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn bedrog." Maar--de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de weide vergeten.
Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn' vader en verzocht hem een bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: "want ik ga trouwen," zei Paul. "Trouwen, jongen, maar met wie dan?" riep de vader. "Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!"--"Ik ga toch trouwen, Vader," zei Paul, "reken daar vast op. Maak maar alles klaar voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid." De vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.
Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was--de bruid. "Geen nood," zei Paul, "ze komt wel," en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen, alsof de bruid goed en wel naast hem zat.
't Werd avond, 't werd laat in den avond--geene bruid. De gasten keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd vroolijker en vroolijker. Daar op eens, 't was twaalf uur in den nacht, 't was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een' voerman vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen--Paul de voordeur uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken, en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed, en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep: "Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!" En den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd, hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze: "Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen, als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen, maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis van mijn' vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet nu vertrekken." Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: "O, neen, je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!" Maar de prinses zei: "Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven."
Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger, en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren.
Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had hij plezier--altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij 't niet langer uithouden van verlangen. "Vader," zei hij, "ik moet haar zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb."
"Beste jongen," zei de vader, "ga je gang; maar ik vrees, dat je teleurgesteld terug zult komen."--"We willen het beste hopen," zei Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.
Dat was reizen. 't Ging maar als in het liedje:
"'k Moet dwalen, 'k moet dwalen Langs bergen en langs dalen ..."
En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets van te zeggen.
Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.
Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier bang. "Wat nu, jongens" riep hij, "wat is er te doen, waar krib jullie om?"--"Och," riep de eene reus, "onze vader is gestorven, en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar dat wil Kwak niet."--"Neen," riep de andere reus, "wat heb je aan één laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik niet!"--"Neen," zei weer de eerste reus, "want het zijn tooverlaarzen; je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden."--"Nu," zei de andere, "als _hij_ er dan mee loopt, dan word _ik_ wèl moe en dan kan ik hem niet bijhouden."--"'k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen hadden," riepen beide reuzen, "want vroeger hebben we nooit ruzie gehad, en nu kribben we om die laarzen."--"Ik weet goeien raad," zei Paul, "geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en behoef je er ook niet meer om te twisten." "Dat is waar ook," zeiden de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen.
Of Paul in zijn' schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer zoo'n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een' mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: "Och, jonge man, raad ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel hebben.--"Gekheid," riep de andere reus, "wat heb je aan een halven mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel."--"Dat doe ik niet," riep de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil je zien, Flikje, want ik hou' zooveel van je, en ik kan niet alleen wezen."--"En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden," riep de andere reus. "Weet je wat, jongens," riep Paul, "geef mij den mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene ruzie meer te maken."--Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen, en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om, die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder.
En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee reuzen aan 't vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de helft moesten hebben. "We weten niet, hoe het moet," riepen de reuzen, "want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt, sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken."--"O," riep de eene reus, "krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis."--"En," klaagde de andere, "krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen, om weer levend te maken."--"Weet je wat, jongens," zei Paul, "geef mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het hebben zal."--"Hé ja," zeiden de reuzen, "dat is een goeie raad." En Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den mantel over de schouders. "Ziezoo," dacht hij, "als ik nu niet voor eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet."--"Goeiendag!" En toen was het: "zoo zie je me, en zoo zie je me niet," want Paul was op eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen.
Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een paleis. 't Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld, en in dat hutje woonde een oud, och zoo'n oud vrouwtje. Ze leek wel zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Dag, Grootmoedertje, hoe is het met U?"
"Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude vrouwtje. "Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één' nacht in Uw hutje mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U den weg daarheen ook, lief Moedertje?"--"Neen," zei het oude vrouwtje, "ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen, misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld tot morgen en leg je eerst te rusten." Paul dankte het goede vrouwtje en ging slapen op een bed van eikeblaren.
Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren, vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: "Wat bevoelt Uwe Majesteit?"--"Is er onder jullie" vroeg de koningin, "die langs zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?" Toen kwam er een hevig gebrom, 't was of al de dieren elkaar om raad vroegen; maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gezien had. Toen zei het vrouwtje: "Jonge man, dan kan ik je ook niet helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen." Paul dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.
Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een' avond door een reusachtig bosch, en aan 't eind van dat bosch was eene zee, en aan het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! "Die is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, "als eene gewone grootmoeder weken oud is."--"Dag, oud Moedertje," zei Paul, "hoe is het met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij voor één' nacht te herbergen."