Zonnestralen in School en Huis
Chapter 8
Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage, gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning en de koningin--die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.
Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit, om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de soldaten zouden een' roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. "Mijn zakdoek! mijn zakdoek!" riep de soldaat. "Zijn zakdoek! geef hem zijn' zakdoek!" riep het volk. En toen--waren op eens zijne handen los, om den zakdoek te kunnen krijgen en toen--rrrt! rrrt! rrrt! daar brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: "Wat belieft Mijnheer?"--"Helpt mij!" riep de soldaat, "grijpt den koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, en ik heb haar zoo lief!"
Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje geslagen was, en ze riepen: "Wij willen wel! hij mag de prinses zien, hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!"--"Ja! ja!" riep het heele volk, "hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor hem willen doen, moet hij wel goed zijn!"
Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen: "Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!" En de prinses kwam achter de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat stond haar wel aan.
Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat, die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.
APRIL!
Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo'n jongen heb ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.
O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als ik wou--ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor!
Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.
Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! "Hm, hm, ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.
"Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem, "dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al 't mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, 'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan."
Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in. "Hoor eens, Hans;" riep zijne moeder hem nog uit het venster na, "ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!"
Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn' tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens--hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van 't versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer, dat er een "maar" bij was, een leelijk "maar." Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.
Maar nu, neen _nu_ ging hij eens _niet_. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi. Hans keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door 't gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem. Niemand was er, die naar hem keek. En--zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf uur, 't was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor op 't kiezelpad! 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor. "Wat loop je vlug," dacht Hans. "Wacht eens even, dat ik je beter bekijken kan!"--Maar het diertje was hem te gauw af, 't verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.
Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. "Maar waar zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!" dacht Hans trotsch.
Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij misschien ook eens _hooren_, dat hij mooi gevonden werd. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.
Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al dichter en dichter in de buurt van 't hek. Maar--toen hij er eindelijk vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen!
Hans keek eerst op zijn' neus. Toen--deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. "Zeker bang voor me geworden," dacht Hans, "wie weet, of hij me niet voor een' heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van 't dorp is het, geloof ik niet."
Hans liep den weg verder op. "Tot aan de eerste bocht," zei hij, "en dan keer ik om."--Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders. En dat was--de werkplaats van Baas Martens!
Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!
Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig knipoogje: "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?"
Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk: "Och ja, 't is omdat we straks uit rijden gaan, weet je."--"Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?" vroeg de baas. "Hoe zoo?" zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht. "Hoe zoo?" vroeg Hans weer. "Nu, ieder moet weten, wat hij doet," zei de baas eindelijk, "maar ik weet wel: _ik_ ging niet uit rijden met zulk weer." "Met zulk weer!" lachte Hans, "neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer van de wereld."--"O zoo," zei de baas, "weet jij 't beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden."
Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: "Maar Baas, hoe weet je toch, dat het weer veranderen zal?" De baas wees naar 't haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. "Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes op los!"
Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was.
De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: "Praatjes van dien regen!" Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij: "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle pret ging bederven!"
De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op 't laatst nader dan 't lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs: "Er is wel een middeltje om te maken, dat er geen regen komt."--Het heele gezicht van Hans klaarde op. "Wat dan?" riep hij vroolijk. "Wel," zei de baas heel leuk, "we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde."--"Ja, ja," riep Hans, "als dat kon!"--"O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn' wijsvinger tegen den neus--"waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen."
Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van den buurman. "Hei, Jansen," riep de baas, "waar zit je?" Dadelijk kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje. Toen zei hij: "Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten draaien, wezen kan?"--"Het touw, om den wind te doen draaien?" vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, "ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer."
Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn' bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: "Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid."
"Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens, "de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even heen te loopen." Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee--driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof. Maar dat kon hem nu weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: het _mocht_ en het _zou_ niet regenen. De wind _moest_ draaien.
Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen.
"Teunissen ...." hijgde Hans, "is hier ook ...."--"Drop te koop?" maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. "O ja, jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?"--Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. "Wàt moet je hebben?!" riep hij. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien," zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. "Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn."--Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.
"Nu?" vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had, "kan ik het touw krijgen?"--"Wacht eens, jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, "ik zal mijne vrouw even gaan vragen."
Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen.
Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei "neen". Daarop zei de man "ja". Toen zei de vrouw weer: "Zijn vader zal boos worden;" waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. "O, die nare vrouw Teunissen," dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu--_zij_ zou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!
Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed! Waarom zeiden ze niet gewoon weg "neen" of "ja"! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in de hand? Wat moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw geven.--Maar Teunissen zei: "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, _die_ wou graag regen hebben op zijne erwtjes."
Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen; want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind van Teunissen af.
Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was, kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als een dolleman den tuin in kwam vliegen. "Och, Pietersen," zei Hans, nog buiten adem, "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen gestuurd om het touw."
Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing aan: hij begreep er niets van. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens weer. Je wilt van me hebben ...." En toen nu Hans heel onschuldig nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen liepen, en hij riep maar aanhoudend: "Neen maar, Hansje, wat heb je daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog niet gehoord. Het touw, om ...." En dan barstte hij opnieuw in lachen uit. Hans werd er verlegen onder. "'t Is geene grap," bromde hij half boos en toch met tranen in de oogen, "heelemaal niet. Toe, Pietersen, geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen."
Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht. Wezenlijk--de jongen meende 't! "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"--"Nu òf ik," zei Hans, "'k heb er al een uur om geloopen."--"Och, zeg dat nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. "Ik heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig.
"Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk, "want nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen kunt, dan haal je ze misschien nog in."
In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de paarden achterna. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen en van 't roepen: "Hei daar, ho, veldwachters!" Maar je begrijpt, al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!
Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den kruidenier, je weet wel. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans, en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield hem stevig vast. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze goedig. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je begreep me niet."
Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was): "Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!"
Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!