Zonnestralen in School en Huis

Chapter 7

Chapter 74,499 wordsPublic domain

"Dag, soldaat!" zei ze. "Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook dapper gevochten?"--"Nu, of ik!" lachte de soldaat.--"En ben je nu ook te trotsch, om zoo'n oud vrouwtje, als ik ben, een' dienst te bewijzen?"-- "Zeker niet," zei de soldaat.--"Nu," zei het vrouwtje, "je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel geld voor geven, als je dragen kunt."--"Sapperloot," zei de soldaat, "dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, wat ik doen moet." "Deze boom," zei het vrouwtje, en ze klopte op den stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, "is van binnen heelemaal hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op."--"Maar, wat moet ik daar onder in den boom?" vroeg de soldaat. "Geld halen," zei het vrouwtje. "Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen, met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen, als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens; maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je 's middags van eet. Je behoeft daarom niet bang te wezen: laat mijn schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt."

"Dat lijkt mij niet verkeerd," zei de soldaat, "maar wat moet ik nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen, stuur je me toch zeker niet alleen."

"Neen," zei het vrouwtje, "voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij lief, als eene herinnering aan hem."

"Zoo," zei de soldaat, "is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje zoo graag hebben? Maar waarom heb je 't dan nog nooit door een ander laten halen?"

"Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd," zei het vrouwtje, "maar nooit heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, ga maar, je doet er mij zoo'n genoegen mee. Hier is mijn schort--ze doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je 't?"

"Kom aan dan maar," zei de soldaat, "bind me het touw maar om het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!"

Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand voor 't oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.

Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om--ja hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes, en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen--als je geen soldaat was.

"Een aardige jongen ben je," zei de soldaat, "maar brom nu maar niet zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van haar hebben. Geef mij nu maar eens je een' poot, nu den anderen, zie zoo, daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist." Gezegd, gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als een bord.

"Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt," zei de soldaat. "Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer, brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen, maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, hé, die zitten vol centen! Weet je wat, 'k heb liever guldens dan centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht eens: in mijn' ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer op je kist, hoor, ik groet je."

Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, 't Klonk wel als het brullen van een' leeuw. Hij wou toch eerst eens om 't hoekje zien. Neen maar, wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een' wagen. En de oogappels draaiden--daar zou zelfs een soldaat raar van worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. "Goeden avond!" zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een' generaal groette; want voor zoo'n hond had hij eerbied, "goeien avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar plaats te nemen?" Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den boezelaar zitten. "Zie zoo," zei de soldaat, "nu laat mij eens zien, waar jij zoo knap op gepast hebt," en hij deed de kist open.

Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen soldaten van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako--in alle hoekjes en gaatjes. Op 't laatst was hij stijf van 't geld. Toen riep hij den hond weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.

"O, hoi, ho! trek op, Moedertje!" riep hij door den hollen boom. "Heb je het lucifersdoosje?" riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot, neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, hoor. Toen arm--nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.

"Beste jongen," zei het vrouwtje, "weet je, wat je nu doet? Je gaat met mij naar mijn huisje, hier in 't bosch. 't Is al zoo laat geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je bij mij logeeren, en 'k zal je een kistje of een' zak geven voor je geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen." Dat leek den soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.

't Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd er wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een' dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.

Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.

De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste, zei wel: "wat oude laarzen heeft die mijnheer," maar den volgenden dag konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.

En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens toen de soldaat weer een' rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren een groot gebouw staan. "Wat is dat voor een gebouw, koetsier?" vroeg hij. "Dat is het paleis van de prinses," antwoordde de koetsier. "Maar waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?" vroeg weer de soldaat. "O, weet U dat niet, mijnheer?" zei de koetsier, "hebt U nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, eene prinses met een' soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een' soldaat ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er kon immers eens een soldaat voorbij loopen!"--"Hoe jammer," zei de soldaat, "ik zou die mooie prinses wel eens willen zien," en hij was er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.

Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen; maar kwam er geen einde aan de pret--er kwam wel een eind aan iets anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had niet begrepen, dat als je van een' zak vol geld altijd wat afneemt en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet meer naar 't paardenspel gaan, en niet meer naar 't bal, en niet meer in zoo'n mooie kamer wonen. Op 't laatst kwam hij in een klein zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer en armer werd onze soldaat.

Eens op een' avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje--want licht branden kostte ook geld--te denken en te denken. Wat was het toch treurig met hem afgeloopen--al zijn geld op! Ja, en 't was zijne eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het doosje was leeg, en 't was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens--dat was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde er al eentje--maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen gezien had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Wat mij belieft," riep de soldaat, ook niet dom, "wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen." Weg was de hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en ja wel, hoor, een' zak met centen in den bek! Dien netjes voor den soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert--weg was de hond.

De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee te gelijk. Dat was nog jammer. Neen--het was geen jammer, want--wie bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar met eene nog zwaarder stem: "Wat belieft, Mijnheer?" Niemand anders dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond, die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en krijgen wat zijn hart begeerde, en--doen! wat zijn hart begeerde. Ja, _doen_ ook; dadelijk gaf hij van zijn' overvloed aan arme menschen; want goedhartig was hij.

En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd de soldaat op 't laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet, en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: 't was eene tooverdoos en daarmee uit. Alles was immers tooverachtig--de honden met de groote oogen, die praten konden en--alles. Onze soldaat was nu voor goed rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou--'t leek wel, of de kisten ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker weer aan, net als de lucifers.

Dus--kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk van den soldaat, en toen kwam er "een varkentje met een' snuit, en 't vertelseltje is uit"--denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan 't geld, maar wel aan 't geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er was geen oorlog. Pret maken--daar had hij ook niet altijd zin in. Nu zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé, dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, dat niemand haar ooit mocht zien.

Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf--'t was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, toen hij met zijne bromstem vroeg: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Ik zou zoo _heel_ graag de prinses eens zien," zei de soldaat. "Zou je daar ook raad op weten?"--"'t Zal wel gaan, Mijnheer," bromde de hond, en weg was hij.--Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou er nu gebeuren?.....

Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast niet gelooven .... 't was de hond en--niet alleen! Op zijn' rug lag de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn grooten kop. En--ze sliep!!--Had de hond haar slapende uit het bed getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat wist er niets van. Hij vroeg ook niet--hij keek maar naar de mooie prinses. Hoe lief lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!

Nu was hij tevreê--hij had de mooie prinses gezien. "Dank je wel, brave hond," fluisterde hij, "breng het lieve kind nu weer terug."--

Weg was de hond--weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde van beiden.

En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?

Toen ze den volgenden morgen aan 't ontbijt zat met den koning en de koningin, zei ze: "Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde, dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een' soldaat, en die streelde mij over 't haar!"

"Foei! wat een nare droom!" zei de koningin.

"Een soldaat! ba!" riep de koning. "Droom toch niet van een' soldaat!" En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of dat--neen, waar kon het toch niet wezen!

En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses--wat zou het gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij 't zelf recht goed wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet--hij deed haar immers geen kwaad!

Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, dat ze het dier volgen moest--loop je niet, zoo heb je niet, om te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog net op tijd--in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen morgen. Maar--'t was zoo donker,--zou ze morgen 't zelfde huis nog weer kunnen vinden? Wacht,--ze had juist een stukje krijt in den zak--ze zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen al dadelijk gezien? Het kruis op de deur! En die, ook niet dom, maakte op al de deuren in de stad net zoo'n kruis. Nu kon de hofdame de deur van den soldaat niet vinden--op alle deuren was immers een kruis.

Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter--het was geen droom. Ze vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. "Daar is het!" riep de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. "Neen, daar is het!" riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. "Maar daar is nog een kruis! en nog een!" riepen beiden, en nu begrepen ze, dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden--alle deuren hadden immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die kon ook nog wel wat anders doen, dan in een' wagen met vier paarden rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.

En 's nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.--Ja, als hij gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf altijd bij mij--ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En--de koning dan!

Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen--dat er een klein paadje van grutjes liep van 't paleis van den koning naar 't huis van den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en die liet den soldaat uit zijn huis halen en--in de gevangenis brengen!

Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar wel was het: "O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En weet je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de menschen uit de heele stad om je uit te lachen,--dat heeft de koning zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen zullen roepen: 'Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en 't is maar een gewoon soldaat!'"

Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.

Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.

Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de straat van wonder en geweld, 't Was, of de heele stad leegstroomde; alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij liep zich het vuur uit de schoenen--neen, uit de oude sloffen, die hem veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan, vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.

"Zeg, jongen," riep de soldaat, "je behoeft zoo'n haast niet te maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje verdienen." Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk "ja."

Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door de tralies, en de soldaat een kwartje en toen--geduld een beetje, dat komt later.