Zonnestralen in School en Huis
Chapter 5
Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van 't bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: "Het huisje van de drie beertjes!" riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. "Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!" groette Frits, "hoe smaakt de honigsoep?" Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte.
Daar was eindelijk de rand van 't bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een tuintje er voor. "Daar woont de grootmoeder van Roodkapje," vertelde Appelsteeltje. "Och, och," begon Frits, "woont daar nu...." Maar daar vlogen de veulens, nu ze 't bosch uit waren, in eens weer met een' ruk vooruit: 't scheelde niet veel, of onze Frits was in 't zand gewipt.
Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant.
Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij 't beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. "'t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!" riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; 't scheelde niet veel, of hij was van den schok over den kop van 't veulen gevlogen.
"Let op!" waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. "Van den markies van Carabas!" riep Appelsteeltje.--Voort, altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! "Daarachter ligt Luilekkerland," vertelde Appelsteeltje. "Hè, Luilekkerland," zei Frits, "Luilekkerland achter den rijstebrijberg!" Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. "Maar kom," dacht hij, "dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op 't bal allemaal nog te zien krijg!"
Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu kon 't niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker 't bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor 't laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: "We zijn er!" Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar niets dan "hoezee," tot hij er schor van was.
Vooraan in 't bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerde licht, en hoe verder je in 't bosch kwam, hoe lichter het werd. "Nu de oogen dicht!" riep Appelsteeltje op eens, "en niet weer open, voor ik je waarschuw, hoor!" Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van 't veulen getild en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee--totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: "Open! en welkom in de balzaal!"
Toen Frits de oogen opendeed--ja, 't ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: 't was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in 't bosch, op eene groote, open plek in 't bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen leek zelf wel een lampje en 't was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.--De grond of neen--ik moest liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, die schitterden als kleine diamantjes.--Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van 't dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo'n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan 't dansen waren.
Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits _kende_ al die lieve danseresjes, en toch--had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch--had niemand hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena--Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.--Naast Lena stond--nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op 't hoofd, een mandje aan den arm!
Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. "Ja, ja," zei het grootere meisje, "Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met één bloot beentje!" Maar wat was dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! "Die ken ik ook, die ken ik ook!" riep Frits vroolijk. "Mooi, mooi," zei Appelsteeltje, "maar nu moet je ook kiezen."
Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af tot Goudkindje toe. "Nu?" vroeg Appelsteeltje. "Of, wacht eens!" Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. "Wil je misschien deze liever?" lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... "Neen, neen, neen!" riep Frits, "die niet, dat is Pietje Smeerpoes!" Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een' boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.--Toen aan het dansen--neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in 't rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, 't ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook--kijken naar al de prettige drukte om hem heen.
Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op 't bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Daar dansten er twaalf in een' kring om Appelsteeltje heen. "Hoe leuk!" riep Frits, "daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!"--Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. "Pas op je krullen, Liesje!" riep hij plagend. 't Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes toch niet inhalen kon.
Wat was 't eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.--Peter huppelde er alleen in 't rond met zijne gouden gans in den arm.--Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet.
En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak bij. "Smulhans!" riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze 't gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.
Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:
"Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn, Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!"
En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en--de mooie, domme prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven.
Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.--Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in 't rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan 't proesten blijven, de kaboutertjes.
Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. "De booze Toovenaar," fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel--die stond hem al lang weer aan 't andere eind van de zaal uit te lachen.--Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en de handen onder 't hoofd. Een poosje zat hij--daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. "Toovenaar," zei ze met een vleiend stemmetje, "waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!" De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en--begon met Goudkindje in 't rond te dansen.
Frits had den heelen tijd, bij 't kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.--
En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen--neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. 't Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.--Hazenoor ging met zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: "Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen."--Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.--Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.--Maar wat van Sterkenrug deed, dat was nog 't aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op 't bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen--moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. 't Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.--Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op 't bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook--feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.--Maar midden onder 't kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. "Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje," riep hij, "je wordt niet alle dag op een bal in 't bosch gevraagd!"
Ja, 't was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan 't dansen. Wacht, daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.--Toen gedanst met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt was.--Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over--ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was--Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen' tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen.
Daar op eens klom er een dwergje in een' boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En zie--dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker was. In een oogenblik stonden er in 't rond, 'k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.--Nu ging de fee weer rond en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een' poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.
Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Er was er maar één, die geen tijd had, om pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.--
Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: "Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!" Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog en zei: "Ik drink op de gezondheid van _mijn_, ik meen van _ons_ vriendje Frits! Hij leev', hij leev', ons Fritsje leve lang!"--Allen dronken en klonken mee. En toen--hoe het kwam, wist hij niet--maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes--_alle_ gasten van 't bal. En allemaal zongen ze: "Hij leev', hij leev', ons Fritsje leve lang!" O, wat was 't mooi!
Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En--als door een' tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn' rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop--in vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.--Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover op zijn veulen. Op 't laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en--ze vielen toe. Frits sliep.
Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en--onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer liggen, hoor! In een' wip was hij er uit, in een' wip aangekleed, in een' wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe'n kostelijken droom hij gedroomd had.--
Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien heerlijken nacht.
EEN DIEF--EN GEEN DIEF.
Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen, dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.
Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren, daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken, en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet we nog aan dat heertje beleven!"
Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit, om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze, laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer je toch niet veel goeds uit."
En Tom ging zijn' gang.
Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.
Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen," bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet," hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom, "maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten", maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste.
Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers uitgelachen werd.
Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken."