Zonnestralen in School en Huis
Chapter 4
Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij 't nooit recht geprobeerd had.
Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar--hij moest nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: "Och, ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!" Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.
Eens op een' dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! 't Was ook zoo'n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon 't hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: "Hier ben ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet." De koe schudde den kop. "Nooit tevreden!" zei zij. "Als ik je ergens anders breng, zal je 't eerder minder dan beter hebben, mijn jongen."--"Dat kan me niet schelen!" riep Gustaaf. "Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem." 't Was of Gustaaf op eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. "Nu toe maar," zei hij. En de koe liep met kleine stappen verder. "Je loopt niet vlug," zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken.
"Neen," zei de koe. "Ik heb geen' haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier."
"Ik heb van morgen nog niets gegeten," zei Gustaaf. "'k Heb honger." "Daar is mijne melk goed voor," zei de koe. "Hè, ja!" en in een' wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn' mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.
Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. "Och, als ze mij nu eens weer naar mijne ouders bracht," dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.
't Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. "Ziezoo, we zijn er," zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om 't hart. Bij 't licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag het hutje daar. "We zijn er," zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. "Hier?" riep Gustaaf, "dat kun je niet meenen, 't is _te_ leelijk!"
"Stap af, zeg ik je," antwoordde de koe, "en ga binnen. Ik blijf bij je."--"Ik blijf bij je," dat was wel een troost; maar de gedachte in zoo'n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een' zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: "Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken."
"Och," zei Gustaaf, "och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?"
"Maak, dat je wegkomt; bedelaar," riep de vrouw. "Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen."
Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof hij hem wou bijten.
"Je _moet_ hier blijven," fluisterde de koe.
Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, 't Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht.
"Ik neem geen bedelaars in huis," zei hij. "Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen."
"Je _moet_ hier blijven," zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen.
"Heb medelijden, beste Mijnheer," .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn' leeftijd, maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. "Ik wil hem hier houden," riep hij, "hij is een vriendje voor mij, hij zal bij ons wonen." Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en--"nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier," zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond te trekken.
Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken.
Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo'n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. "Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen," zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen--alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze.
Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.
Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet laten den neus een beetje op te trekken. 't Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was.
Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar--'t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk aan. Hij viel 's avonds dadelijk in slaap en was 's morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo'n verdriet--hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.
Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: "beste jongen!" 't Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.
Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. 't Was altijd "mijn jongen" vóór, "mijn jongen" na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij voor 't eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.
De eenige, die hem 't leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: "of hij niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen."--De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het "mijnheertje van de koe" te noemen. En nu ging het maar elken dag: "Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?" In 't eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden.
In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. "Kom aan," zei hij, "je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!"
Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep: "Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!" Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een' kus op den neus!....
Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en--toen hij ze weer open deed--stond er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen--toen zag hij, dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo'n wijsneuzig, zoo'n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.
"Gelukkig!" riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, "je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je."
't Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.
"Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was," zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, "'t Is nu juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was." Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. "Hier, Moeder," riep ze, "hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het."
Te vertellen, hoe 'n gezicht de vader en de moeder zett'en en hoe gelukkig ze waren, 'k zou het niet kunnen. De moeder was dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde handen van zijn' jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een' stoel bij de deur van blijdschap te schreien.
Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: "Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?"
"Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf," zei de fee lachend.
Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden, meende Zus.
Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij was--was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.--Eén ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.
Wie ook mee feestvierden?
Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een' brief schreef, om--neen, meer zeg ik niet.
EEN DROOM.
Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan 't spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: "Ziezoo, nu is 't voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog van droomen."--Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had, wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo'n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...--
Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo'n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!
"Oompje," zei Frits op een' keer, "je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?"--"Leeren droomen!" lachte Oom, "wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?"--"Ja wel," zei Frits, "maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil."--"O, is 't anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren," riep Oom. "Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd op 't kussen."--"Hè Oom, je plaagt me ook altijd!"--"Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en de beide handen onder 't hoofd en dan--ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt--niets!"
Wat was die Frits in zijn' schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu--Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.
"Je bent toch niet ziek, jongen," vroeg Moeder. "Och ja," plaagde Oom, "hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!"--Oom begreep wel, waarom Frits zoo'n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom--en als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.
Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in 't oor: "Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?" Oom knikte lachende van "ja." Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars, de handen onder 't hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. "Zoo is 't goed," zei Oom, "nu maar denken aan--weet je al, wat je droomen wilt?"
Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen--wou de slaap niet komen. 't Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn' linkervoet eens boven zijn' rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en--daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens wil gaan vertellen.
Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in 't eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling--neen, 't was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen--twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. 't Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: "Jongeheer, 'k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!"--"Zoo," riep Frits vroolijk, "ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!" en hij schudde het dwergje de hand. "En hoe gaat het je petekind?"--"Dank je, jongeheer, best," zei Appelsteeltje, "maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in 't bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen."--"Op een bal?" riep Frits, "maar ik kan niet dansen!"--"O, dat komt er niet op aan," meende Appelsteeltje, "op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren kan."--"Maar, met wie zal ik dansen?" vroeg Frits weer. "Dat is eene verrassing," lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. "Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen," zei Frits. "Daar is voor gezorgd," zei Appelsteeltje.
Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett'en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. "Maar," begon hij nu weer, "hoe komen we op 't bal, dat is zeker heel ver." "'t Komt alles in orde, jongeheer Maar!" riep Appelsteeltje. "Voorwaarts, marsch!"
Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar 't bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op ieder veulen twee. 't Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in 't midden Frits, achter hem weer drie veulens met zes dwergjes.
"Nu naar 't bosch," kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en Frits riep uit alle macht "hoezee! leve Appelsteeltje!" Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. "Zijn we er al?" vroeg Frits. "Ha, ha!" lachten de dwergjes, "hij vraagt, of we er al zijn!"
Daar schemerde licht door de boomen. 't Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn' schouder toe: "Het betooverde kasteel!" Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.