Zonnestralen in School en Huis

Chapter 3

Chapter 34,345 wordsPublic domain

Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de canapé en begon bitter te schreien.

"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om, of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker."

Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd heb. Wat ben ik begonnen!"

De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep: "Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar haar toe, om alles weer goed te maken."

Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs den muur schoof, om zich niet te stooten.

"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht, bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van ...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: "Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat, "ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--"

"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.

OP DE HORENS GENOMEN.

Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, vind je dat niet raar? 't Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in--eene koe. Gelukkig niet voor altijd, maar 't was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar van pure liefde een' kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.

Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een' dag en andere koeien worden toch maar twee keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een' emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar--ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op.

Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een' jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook.

Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!

Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn' vader sprak hij, alsof ze weinig meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief--ja, 't is haast zonde om het te zeggen, maar 't was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. 't Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn' zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo'n naren jongen.

Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu--ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een' knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo'n gouden dingetje had een arme man wel een' zak aardappelen kunnen koopen. Zóó rijk was Gustaaf--ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen.

Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett'en. 't Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: "Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is."

Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en bedelde: "Hè, laat mij eens zien! wat mooi!" Maar pas had het kind een' vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op de handjes en riep: "Brutale jongen, dat zal je leeren ...." Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo'n hollend dier kon hij toch niet inhalen.

Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een' vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.

En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. 't Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie, dat ze weer weg kwam.

Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de knieën bij Gustaaf neer. "Arm ventje," zei ze, "hij slaapt!"--"'t Lijkt wel een jongetje van rijke menschen," zei de heer, "maar 't is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan de kinderen hier."

"O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!" riep de kleine jongen.

En wezenlijk, nu voor 't eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was genomen. "Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?" riep hij. "'t Is waar ook," zei de mevrouw, "de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem."

Nu moest Gustaaf aan 't vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn' vader noemde, schudd'en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets van.--Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. "Wat zijn dat nu voor praatjes?" zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. "Nu," zei de mevrouw, "'t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen."

"Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet," zei Dolfs vader, "maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier."--"Och, ja, Pa!" riep Dolf. "Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!"--"Neen, mijn jongen," zei de moeder, "'t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen."

Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toen haar daar zoo'n vreemde jongen gebracht werd. "Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen," bromde ze. "'t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo'n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het is!"--"Een bedelaarsjongen!" en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! "Och! hou' je stil! je weet niet, van wien je spreekt!" riep hij. "Wel zeker!" riep de kindermeid, "ik zou mij stil houden voor zoo'n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in 't vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen." Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in 't slot omdraaien.

Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn' vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen.

Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar--vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: "Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen' zin om op te staan."--"Zóó," zei de kindermeid, "zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf te laten wachten." Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen' lust in heeft.

Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en dacht: hè, wat is het 's morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.

Na 't ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn' verjaardag gekregen had. 't Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: "O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?"--"Dat kun je begrijpen!" riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die riep: "Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem toch!"--"Neen!" schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: "Ondankbare jongen!" riep ze. "Hier, je zult den riem geven." En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.

Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. "Ziezoo!" riep hij, "ik zal je leeren den baas te spelen over mijn goed!" en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.

Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. 'k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens "heertje" af zijn.

Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een' koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo'n paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. "Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!" riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij 't oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. "Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!" riep hij met gevouwen handen. "Ik ben niet op Uwe balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid."--"Die koe?" riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een' leugenaar hield. Maar--het hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. "Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?" riep de koopman. "Eene koe heeft je hier gebracht? En je hebt hier geen huis--je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, en ik wil je wel houden. 'k Heb net een' loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt."

Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo'n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. "Zie je," zei de koopman, "hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer dan dat er zoo'n arme jongen met hem gaat."

Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. "Kijk eens," zei de vrouw, "wat heeft hij mooie dingen aan zijn' horlogeketting hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo'n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken."

Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem bij den arm en: "Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!" klonk hem in 't oor. "Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan 't werk." Toen werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo'n rijken heer met een' veger aan 't werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij 't oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. "Kom aan, kleine man," zei hij, "zet maar niet zoo'n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed, misschien zul je 't dan ook nog wel eens zoo ver brengen."

Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar--dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van 't huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, 't was maar: "haal mij dit!" en "breng mij dat!" en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo'n toon tegen de dienstboden gesproken had. Nu kon hij 't ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem.

Eens op een' dag gaf ze Gustaaf een' appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees--dat was het ergste. O, als hij 's avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn' vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.

Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem blijven. "Och," zuchtte Gustaaf, "zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe 'n nare jongen ik was."