Zonnestralen in School en Huis

Chapter 20

Chapter 201,284 wordsPublic domain

Nu was het bijna een geluk, dat 's middags de kinderen van den timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, dat het toch ook wel aardig was, anderen plezier te doen. De menschen, die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: "Kijk die eens!" en voor 't eerst riepen ze Lize een vriendelijk: "Dag, Juffrouw!" toe.

Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: "Nu wordt het tijd om naar Meester te gaan." Vóórdat ze weer naar de klok ging, moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen, wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.

Toen ze bij 't huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze riep: "Poes, Poes! Mies! Mies!" Dat trof nu al heel raar. Lize bleef staan en vroeg: "Is uwe poes weggeloopen?"--"Ja," zei de meestersvrouw, "en 't kleine meisje heeft zoo'n verlangen naar het dier."--"Hoe is het met uw klein meisje?" vroeg Lize. "Niet zoo heel best," zei de vrouw, "ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar eens zien."

Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe oogen vragend aan. "Wacht een poosje, Marietje," zei de moeder, "er is visite. Poes zal zóó wel komen." Een oogenblikje hield het kind zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: "Komt niet!" De moeder bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. "Kom," zei de moeder, "ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen." Het kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize haar zachtjes schreien.

Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar het bedje van 't kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. "Mijn lieve, lieve Poeke," riep het kind, "mag niet weer weggaan!"--"O," zei de moeder, "dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, bij Poes kan ze altijd troost vinden."

Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.

Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. 't Was, of ze 't nu voor 't eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het dier een bos versch stroo, om op te liggen en een' bak vol schoon water. "Arm geitje," zei ze, "dat is alles, wat ik voor je kan doen op 't oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die nog iets kan geven, dat je goed doet." Maar toen Lize den volgenden morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar uit de oogen, maar toch zei ze: "'t Is zoo het beste."

Toen Lize nog aan 't ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk geblaf. Ze liep in het tuintje voor 't huis. Daar zag ze haar overbuurman met zijn trouwen Karo. "Zoo, buurman," riep ze, "al zoo vroeg op 't pad?"--"Ja," antwoordde de blinde, "ik kon 't van plezier niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is heelemaal weer beter!"--"Och, daar ben ik blij om," zei Lize, "je kon hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven."--"Och, Juffrouw," zei de blinde, "wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!"

Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo verschrikkelijk! "Zoo'n beste, melkgevende geit!"--"Ja," zei Lize, "'t is naar, maar 't is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit niet is. Ik kan me er beter zonder redden."--"Hoe lief van U, dat te zeggen," zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch--o, het gaf haar zoo'n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.

's Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan de hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een' pot met vette melk. "Ik dacht," zei de meestersvrouw, "nu U geene melk van de geit kon krijgen...,"--"Dat is aardig," zei Lize. "Is Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes had." Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar zoo dankbaar in de oogen. 't Was, of die twee elkaar voor altijd trouwe vriendschap beloofden.

Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen weg. Dan kwam het ongeluk in 't eene, dan in 't andere huis. Als Lize hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.

Eens vroeg de vrouw van den meester haar: "Zeg me toch eens, hoe het zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van je, nu hebben groot en klein je lief."

Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het mannetje en de geluksklok vertellen.

"Och," zei ze, "ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat mijne juffrouw op school altijd zei: 'De liefde is als de echo, die ongeroepen stom blijft.' Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn leven ben ik zoo gelukkig geweest."

Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht genas en haar gelukkig maakte.