Zonnestralen in School en Huis
Chapter 2
Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout; want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg, maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg.
Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond, en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer, die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe Majesteit behoeft geen zorg te hebben."
Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester, "o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen, een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden."
Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten bakken kan."
"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes, "kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."--
Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor de prinses, die .... je weet het wel.
Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en voort gaat het....
Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar .... geene van de drie kon pepernoten bakken!!
"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn."
De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: "Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, die--pepernoten kan bakken!"
Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me, 't spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild; want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o, dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.
En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_ eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning, "en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt, ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust heeft mijne vrouw te worden."
De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd met den koning van het land, waar de amandels groeien.
"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos, omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is," zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, ik heb haar niet noodig."
Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog, en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te trotsch voor.
De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei: "Zooals Uwe Majesteit beveelt."--
De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op, weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij 't paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep alles heel anders af, dan hij gedacht had.
Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook, hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.
Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren, hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was, die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk "ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.
Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben willen doen, als hij maar geweten had, wàt!
Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde boodschap te brengen.
Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.
Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester "au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn' opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en 's avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, alles ter eere van de lieve jonge koningin.
't Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje weer zoo gelukkig met haar koning.
Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.
Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin, wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen, dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.--
En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.
't Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee 's morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg!
Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende, het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden, dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!--
Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken, die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, 't Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en heelemaal niet in haar schik.
En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van 't feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en boos en heelemaal niet in zijn humeur.
De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was, zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan, _waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo verstandig, om op te houden met kibbelen.
En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een' lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning, je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_"
Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene, _die niet eens pepernoten kan bakken!_"