Zonnestralen in School en Huis

Chapter 18

Chapter 184,491 wordsPublic domain

Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder noemde haar de koningin van 't bal. Wat klopte Hilda's hartje van plezier! In 't begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht te hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot misschien zóó liggen te zuchten, dat ze 't hier hooren kon?

't Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en ook--hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen op haar zat te wachten. En op 't laatst dacht ze nergens anders meer aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in 't rond, lachte, praatte.....

Maar hemel, wat was dat! "Boem, boem, boem, boem!" klonk het door de zaal. Alles dreunde en kraakte, 't Was, of er vlak bij kanonnen werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, en alle gasten liepen angstig door elkaar.

En het bleef niet bij een paar slagen: 't ging maar zonder ophouden: boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.--

En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. _Toch_ het horloge! 't Was, of het zeggen wou: "Stop me maar weg, zoover je wilt: ik laat je niet met rust, je _zult_ me hooren!"

Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor 't gezicht en begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de voeten, de straat op.

Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard naar huis was gereden, dan zou het horloge op 't zelfde oogenblik stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame straten, altijd maar den kant uit, waar 't geluid vandaan kwam. De voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind blies haar om 't hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette nergens op: ze liep maar voort, altijd voort. En onderwijl dreunde het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.

Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde Hilda haar dunne kleedje aan een' struik, wel gleed ze telkens uit; maar wat kon haar dat alles schelen, als ze 't horloge maar had!--En ja, daar zag ze het glinsteren in 't maanlicht, daar had ze het in de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien verging er Hilda bij.

"O, wat ben je toch een afschuwelijk ding," riep ze bevende van boosheid, "ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan, ik zal....."

En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien--toen ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.

Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór haar?.... Niemand anders dan--de fee!

Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.

En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: "Maar kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?--En meen je nu heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je 't horloge tegen den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar 't andere eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen en zeeën heen. 't Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd te doen, wat je doen moet!"

Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda's hals. Hilda's oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: "Kindlief, denk toch nooit: 't horloge is mijn vijand, het wil me plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: 't horloge is een vriend, die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je dan om je heen zult zien en hoe 'n prettig, tevreden gevoel je zelf altijd zult hebben!--Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal 'Juffertje Te Laat' heette? 'k Geloof er niets van!--Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.--Dag, lieveling!"

Toen kuste de fee Hilda op 't voorhoofd en.....

Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu zag. Als door een' tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar--ze zat in haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, tevreden gezicht en stak haar de hand toe.--

Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.

De fee--was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.--En hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: "Tik, tik, tik, tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!"--Ja, eene enkele maal moest het nog wel roepen: "_Tik, tik, tik!_" Maar nooit meer: "Tak, tak, tak!" En nog veel minder: "Tok, tok, tok!" of "Boem, boem, boem!"

Dat was alleen in den tijd van "Juffertje Te Laat". En die bestond nu niet meer.

DE VISSCHER EN ZIJNE VROUW.

Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een' mesthoop, niet ver van de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en hij vischte.

Zoo zat hij ook eens bij zijn' hengel, en hij tuurde in het heldere water: en hij tuurde en tuurde.

Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: "Och, visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in 't water en laat mij zwemmen."--"Nu," zei de visscher, "je behoeft niet zooveel woorden te gebruiken: een' bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten zwemmen." Met liet hij hem weer in 't heldere water; daar ging de bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje bij den mesthoop.

"Man," zei de vrouw, "heb je niets gevangen?"--"Neen," zei de man, "ik ving een' bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen heb ik hem weer laten zwemmen."--"Heb je je dan niets gewenscht?" zei de vrouw. "Neen," zei de man, "wat zou ik mij wenschen?"--"Ach," zei de vrouw, "'t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een' mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel."--"Ach," zei de man, "waarom zal ik er nog heengaan?"--"Heden nog toe," zei de vrouw, "je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het natuurlijk. Ga dadelijk heen."

De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.

Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar 't water bewoog zich niet: 't was stil. Hij ging aan den oever staan en riep:

"Mannetje, mannetje Timpetee, Botje, botje in de zee, Mijne vrouw, mijn Ilsebil, Wil niet, zoo als ik wel wil."

Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: "Zoo, wat wil ze dan?"-- "Ach," zei de man, "nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen, ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje bij een' mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben."

"Ga maar heen," zei de bot, "ze heeft het al."

Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem bij de hand en zei: "Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het toch veel beter." En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden' en eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En achter 't huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en andere vruchten. "Zie," zei de vrouw, "is dat nu niet aardig?"--"Ja," zei de man, "nu is 't goed, en nu zal 't ook goed blijven, nu willen we tevreden leven."--"Daar zullen we nog eens over denken," zei de vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.

Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: "Hoor eens, man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet."--

"Ach, vrouw," zei de man, "het huisje is immers goed genoeg, wat hebben we een aan kasteel?"--

"Och, kom," zei de vrouw, "de bot kan het gemakkelijk doen."--"Neen, vrouw," zei de man, "de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik heb geen' lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om worden."--"Kom, ga toch heen," zei de vrouw, "hij kan het gemakkelijk doen en wil het graag doen." Het werd den man zoo zwaar om 't hart, hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: "'t is verkeerd;" maar hij ging toch.

Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd.

Toen ging hij staan en riep:

"Mannetje, mannetje Timpetee, Botje, botje in de zee, Mijne vrouw, mijn Ilsebil, Wil niet, zoo als ik wel wil!"

"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot.

"Och," zei de man, half treurig: "nu wil ze in een kasteel wonen." "Ga maar heen," zei de bot, "ze staat al voor de deur."

Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op de trap van 't kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: "Kom maar binnen." Hij ging met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren vloersteenen. En 't was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En achter het huis was ook een groot plein met een' koestal en een' paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar wenschen kon.

"Nu," zei de vrouw, "is dat nu niet mooi?"--"Och, ja," zei de man, "'t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het prachtige kasteel wonen en tevreden wezen."--"Daar zullen we nog eens over denken," zei de vrouw, "daar zullen we ons nog eens op beslapen." En zoo gingen ze naar bed.

Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: "Kijk toch eens uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, dat we koning en koningin willen wezen."

"Och, vrouw," zei de man, "wat zal het beduiden, dat wij koning en koningin zijn. Ik heb er geen' zin in, ik mag niet graag koning zijn."-- "Nu," zei de vrouw, "mag jij niet graag koning zijn, ik mag wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin wil worden."--"Ach, vrouw," zei de man, "wat zal 't beduiden, dat jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet vragen."--"Kom, waarom niet," zei de vrouw, "je gaat straks maar heen en zegt, dat ik koningin wil worden."

En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.

En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er van. Toen ging de man staan en riep:

"Mannetje, mannetje Timpetee, Botje, botje in de zee, Mijne vrouw, mijn Ilsebil, Wil niet, zooals ik wel wil!"

"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach," zei de man, "ze wil koningin worden."--"Ga, maar heen, zij is 't al," zei de bot.

En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig lofwerk en beelden: een heel paleis.

En voor 't paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken slaan. En toen hij in 't paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open, en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had eene prachtige kroon op en een' scepter in de hand van zuiver goud en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.

Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: "Och, vrouw, ben je nu koningin?"--"Ja," zei de vrouw, "nu ben ik koningin!" Toen stond de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele poos aangekeken had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets meer wenschen."--"Och, wat," zei de vrouw, en ze schoof onrustig op haren troon heen en weer, "praat mij er niet van. 't Heeft mij al weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan worden."--"Och, vrouw!" riep de man, "wat zal het beteekenen, dat je keizerin wordt?" "Man," zei ze, ga heen, "ik wil, ik moet keizerin worden."--"Och, vrouw," zei de man, "keizerin kan hij je niet maken, ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet."

"Hoe durf je zoo te praten!" riep de vrouw, "ik ben de koningin, en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk, hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin maken. Ik _wil_ keizerin wezen. Ga dadelijk heen."

Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij: "Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan den bot op 't laatst ook wel te veel worden."

Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken joegen, en 't werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en 't water bruiste en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was de hemel. Alleen in 't midden was nog een plekje blauw te zien. Toen werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:

Mannetje, mannetje Timpetee, Botje, botje in de zee, Mijne vrouw, mijn Ilsebil, Wil niet, zooals ik wel wil!"

"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach, bot," zei de man, "mijne vrouw wil keizerin worden."--"Ga maar heen," zei de bot, "ze is 't al."

En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden, of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne vrouw op een' troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: "Ben je nu keizerin?"--"Ja," zei ze, "ik ben keizerin." Toen stond de man en bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in 't gezicht gezien had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt het mooi, dat jij keizerin bent." Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, ze verroerde zich niet. Toen zei de man: "Nu wees tevreden vrouw, nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden."--"Daar zal ik mij eens op bedenken," zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen, al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?

De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in 't bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de zon op zag komen, dacht ze: "Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op laten gaan?! En--man," zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, "man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil als onze lieve Heer!"

De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en hij wreef zich de oogen uit en zei: "Och, vrouw, wat zeg je!"--"Man," zei de vrouw, "als de zon en de maan op zullen gaan, dan moet _ik_ ze laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, dat hou' ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven." En ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de leden ging. "Dadelijk heengaan!" riep ze, "ik wil worden als de lieve Heer!"--"Och, vrouw," zei de man, en hij viel voor haar op de knieën, "wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en blijf keizerin!"

Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: "Ik hou' het niet uit, en ik hou' het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!" Toen schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit.

Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man, en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:

"Mannetje, mannetje Timpetee, Botje, botje in de zee, Mijne vrouw, mijn Ilsebil, Wil niet, zoo als ik wel wil!"

"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach!" zei de man, "ze wil worden als onze lieve Heer!"--"Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje bij den mesthoop," zei de bot....

Daar zit ze nog tot op dezen dag.

DE GELUKSKLOK.

Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed was wat duur, dan zei Moeder: "Och, ze moet hem maar hebben, we hebben ook maar één kind."--Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje maar mee. "Och, we hebben er ook maar één," zei Vader. Liesje kreeg, wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf--niets. Nooit behoefde ze eens hare mooie plaats bij 't raam af te staan aan een zusje, nooit was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van 't wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze kousen voor moest breien--als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel zei Moeder eens: "Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader breien?" Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten, en Vader zei: "Och, laat haar maar, als ze geen' lust heeft."

Dachten Vader en Moeder bij alles: "we hebben maar één kind om plezier te doen," Liesje dacht nooit: "Vader en Moeder hebben maar één kind, om hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader en Moeder graag willen." Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.

Als de meid eens vroeg: "Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij even rijst voor me halen?" dan zei Liesje: "Dank je, ik hou' niet van boodschappen doen!"--Neen, _zij_ hield niet van boodschappen doen.

Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had er op dat oogenblik lust in, en of de hond het _niet_ prettig vond, dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te spinnen, dan zou ze juist met de hand aan 't behang krabbelen, om Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.