Zonnestralen in School en Huis

Chapter 17

Chapter 174,348 wordsPublic domain

De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles wist. Maar nu ze zag, hoe'n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. "Nu, kindje," zei ze troostend, "wees maar bedaard, we zullen zien. Kom eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld."--Hilda kwam. Toen streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden over Hilda's japon. En zie--daar is het eenvoudige kleedje in eens omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda's voetjes steken in fijne goudleeren schoentjes!--De vader sprong van zijn' stoel op en wist zich geen' raad van vreugde. En Hilda's tranen, of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda's verdriet en berouw? O, daar dacht ze al niet meer aan. 't Was nu immers alles nog in orde gekomen: ze kon nog met haar vader naar 't feest gaan en--toen ze even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die lieve, beste fee! 't Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. "Och," riep nu de fee, "laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen, dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten."

Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje kwam te voorschijn--een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden horloge aan een fijnen gouden ketting! "Mij dunkt, lieve kind," zei de fee lachende, terwijl ze den ketting om Hilda's hals hing, "een beter present kan ik je wel niet geven. 'k Hoop, dat dit dingetje, zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat je in 't rijtuig komt. Veel plezier, kind!"--En voordat Hilda tijd had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.

Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: 'k geloof, dat ze veel liever een' armband of zoo iets zou gehad hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers ook veel gemakkelijker. Maar-- _dit_ horloge was veel, veel mooier en kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.--

Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.--

De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! "Dat is een goed begin," dacht Hilda's vader, en hij wreef zich de handen van plezier over de vriendelijkheid van den prins.

In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was, verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst om negen uur beginnen--tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen, wat hij wilde.

"Kom, Vadertje," zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den arm. "Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? 't Zal daar zoo heerlijk zijn!"--

"Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de groene boomen 't klokje van negen niet vergeten?" fluisterde er op eens iemand aan haar oor. 't Was de prins, die bij haar gekomen was, zonder dat ze 't merkte. "Denk er aan, dat U me voor 't begin van mijn feest een mooi lied beloofd hebt!"

Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch heel vervelend.--"Zeker, zeker, prins," zei ze daarom maar gauw, "U kunt vast op mij rekenen."

Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste bloemen. Tusschen 't fluweelige gras en langs de keurige paden stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote vijvers met statige boomen er om heen.

Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar kostelijk! De bloemen geurden en 't water ruischte, de maan scheen helder over 't water, en de lucht was zoo zacht!--Langzaam aan kwamen er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het zachte gras.--Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens opzeggen zou. 't Was een heel mooi vers; maar lang, lang--er kwam geen eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren--aan uur of tijd dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.----

Daar op eens, toen 't vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel duidelijk door de stilte van den avond: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat is dat?" riep de man met het vers. "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat is dat?" riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen. _Zij_ behoefde niets te vragen, _zij_ had dadelijk wel begrepen, wie daar met zijn helder stemmetje tik, tik gezegd had. "Dank je wel voor de boodschap, kleintje," zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen riep zoo vroolijk: "Komt mee, dames en heeren, 't is tijd voor het avondfeest!" Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.

Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog lachende voor haar en--zei: "Dat noem ik eerst op zijn' tijd passen!"

Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het een lust was. Toen 't lied uit was, kwam er aan 't handengeklap geen einde. Maar wie nog 't hardst van allen klapte, dat was de prins, die zoo dol veel van zingen hield.--En weer moest Hilda zingen en nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn' schik geweest was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... "O, als 't anders niet is," riep de prins lachende, "graag, hoor! En wel dadelijk ook!"--Zoo ging Hilda's vader dan met den prins naar eene andere kamer, waar ze rustig konden praten.

't Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins, weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda dankbaar toe. "Verbeeld je," dacht Hilda, "als ik nu eens niet op tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!"--

't Was al laat in den nacht, toen Hilda van 't feest naar huis reed.

"Kind," zei haar vader, "wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!" Hilda klapte in de handen van plezier. "Heerlijk, heerlijk!" riep ze. "En gaan we hem dan samen koopen morgen?"--"Zeker, zeker, kind! zorg dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het druk!"--Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken, die tegen elf uur bij haar zou komen.

Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van 't feest en had niet den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe begon dat nog maar weer?...

"Tik, tik, tik, tik!" Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind in haar bed en keek verschrikt rond. "Tik, tik, tik, tik!"....

Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: "O, 'k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik, tik, tik.... Ja wel, 'k begrijp het: 't is tien uur, en eigenlijk moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik, tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, maar 't is nu toch al te laat, 'k blijf er nog vijf minuten in!"

En Hilda vlijde haar hoofd weer op 't kussen. Maar--daar klonk het veel harder: "tik, tik, tik, tik!"--"Kleine levenmaakster!" riep nu Hilda, "kun je me niet met rust laten!"

"Tik, tik, tik, tik, tik!"--"Nu als het dan niet anders kan, zal ik je den zin wel geven. Daar ben ik al!" En meteen sprong ze, half boos, half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.--

Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en 't was nog maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda klaar was met het kiezen van een' armband. Wat een armbanden moest de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.

Daar--midden in het drukke gesprek met den goudsmid--wees de klok in den winkel elf uur aan. En op 't zelfde oogenblik, daar had je 't weer: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat blieft u, Juffrouw?" vroeg de goudsmid. "O, niets," zei Hilda, "'t is mijn horloge maar.--En hoeveel kost die armband, zei U?"--"Tik, tik, tik, tik!".... klonk het weer. "Ja, ja, weet 'k er alles van," bromde Hilda ongeduldig in zichzelf, "'t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje wachten, ik kan niet dadelijk weg." Toen weer tegen den goudsmid: "Dat is toch wel wat duur. Zou...."

Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. "Neen maar, dat gezeur is niet om uit te staan," riep Hilda nu. "Zóó laat ik niet den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende horloge maar in Uw' zak. Misschien houdt het zich dan stil." Maar ja wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, en toen Hilda's vader even op de stoep van den winkel ging staan, om een' vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge uit de verte toch nog met eene zware stem: "tak, tak, tak, tak!"

Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel niet anders doen, dan heengaan en 't horloge zijn' zin geven. Daarom deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk werd het horloge zoo stil als eene muis.--

Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat gebeurde--'t wees juist even vóór twaalven. "O, heden," dacht Hilda, "al zoo laat! 'k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je wat: ik breng 't horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te vertellen, dat ik op mijn' tijd moet passen, en 'k heb nu eens geen' zin, gestoord te worden!"--Ze nam dus het horloge van de tafel, ging er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la van eene kast.

Maar--pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. "Tok, tok, tok, tok!" klonk het door de kamer, 't Was net een geluid, alsof er vlak bij gehamerd werd. "Hé, wat is dat toch, Juffrouw?" riep de naaister. "O, niets," zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. "Hebben we deze stalen al gezien?"

"Tok, tok, tok, tok...."--"Maar Juffrouw," riep de naaister angstig, "zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?"--"Och kom," zei Hilda bedaard, maar hare vingers beefden, "'t is heusch niets. Wil U me die plaat nog eens aangeven?"

"_Tok, tok, tok, tok...._" Het horloge--je hebt natuurlijk evengoed als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan kwam--het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. 't Werd zóó erg op 't laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan de naaister laten gaan.

Verdrietig, dat ze was! "Lastig, naar horloge," pruttelde ze, "hoe kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van en kan heelemaal niet meer doen met mijn' tijd, wat ik wil." Maar al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het leven in de kast op. 't Horloge was tevreden.

De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al aan tafel kwam. "Wel, meisje," riep hij: "zoo mooi op tijd! Dat is lief van je: 'k heb erge haast vandaag." Hilda kreeg weer eene kleur: ze wist wel, dat ze 't prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze dacht ook: "Als ik Papa er zoo'n groot plezier mee doe, wil ik toch later uit mezelf beter op den tijd letten." Van de geschiedenis met het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.--

Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude man. Bedelen deed hij niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen was, nog wel eens bij haar aankloppen.--Maar nu kon ze toch moeilijk van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. "Laat hij straks om twee uur maar terugkomen," zei ze daarom tegen den knecht.

Toen 't maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene hoofdstuk na het andere, totdat ze aan 't mooiste gedeelte van 't verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. "Hè, wat is lezen toch heerlijk," dacht ze, "'k zou wel al door kunnen gaan. En, nu krijg ik 't mooiste nog. 'k Hoop maar niet, dat iemand me storen komt. Zou 't al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee, dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan 't praten is, is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben--'k wil mijn boek uitlezen." Gauw schelde ze het kamermeisje en zei: "Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor hem te spreken ben. Morgen, hoor!"

Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets te binnen schoot, "'t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef," riep ze, "dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?--O, 'k weet het al!" En vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap af en zóó in eenen door, tot ze--in den kelder was. Daar stopte ze het horloge in een donkeren hoek en wip--weg was ze weer. Een paar minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de hand. "Ziezoo," dacht ze, "roep me nu maar, ik hoor je toch niet."

Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat de juffrouw niet voor hem te spreken was. "Och, och," zuchtte hij, "wat spijt me dat!" Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. "Paf, paf, paf, paf!" ... 't was, of er geweren afgeschoten werden.

Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. "Paf, paf, paf, paf..." in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de spiegels dansten aan den muur.

Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. "Hoort U 't wel, Juffrouw?" riep ze. Nu, òf Hilda 't gehoord had: ze was ook van schrik opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.

"_Paf, paf, paf, paf ....!_" 't Geluid werd nog harder. Een mooi beeldje op de schrijftafel viel en brak. "O, Juffrouw, wat zou het toch zijn," schreide Roosje met de handen voor 't gezicht.--Hilda gaf geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar 't geluid vandaan kwam. 't Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den kelder toeriep: "Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!"

"Goed, goed, ik ga al," zei Hilda, zonder dat ze 't wist, hardop. En pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan, of--de slagen hielden op.

En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere, bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde te lijden.

'k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man was en--hoe'n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn weg was. Boos op het horloge was ze in 't geheel niet meer: ja, ze schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje in den kelder en nam het mee naar hare kamer. "Ziezoo," dacht ze, "nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen."

Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te kleeden. Toen 't rijtuig voor de deur was, stond "Juffertje Te Laat" wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.

Maar--juist op 't oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan--wie komt me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om den hals en kust haar op beide wangen.

Wie was dat dan toch wel!--Ik zal 't je vertellen. Die boerenvrouw had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.--Later was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam ze "haar kind," zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En dan--'t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar Hilda woonde. Maar ze was op 't laatst zoo naar haar "kind" gaan verlangen, dat ze 't niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!--

Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in 't rijtuig stappen, om naar 't bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven en--den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: "Och, och, wat spijt me dat! En 't zal wel voor de laatste maal zijn, dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me zóó op verheugd had!"

Je begrijpt: 't was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na zoo'n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had--en dat wil wat zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch moeilijk van 't bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.

"Hoor eens," zei ze vriendelijk, "ik weet wat! Ik zal maar een paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?" Ja, ja, dat was heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar een' kus op de rimpelige wangen en wipte in 't rijtuig. Flip, flap, ging de zweep, en voort draafden de paarden.--

Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze dat ook werkelijk. Maar nu ze in 't rijtuig zat, begon ze zich hoe langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En--ze begon het jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar dansen maar en--ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw al weer naar huis te gaan!--Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als 't horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. "Juist goed," dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen, het niet hoorde, stak de hand naar buiten en--daar lag het horloge aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.--"Hè, dat is gebeurd," dacht Hilda tevreden, "nu ben ik er voor goed af."