Zonnestralen in School en Huis
Chapter 16
Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar--heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen--ze wist het nog heel goed--toen vond ze 't in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maar kom--ze had nu zoo'n mooi leventje--ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar 't was raar, soms was 't, of ze 't lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar--ze kon immers ook wel eens een handwerkje doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan 't breien en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo'n lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht--ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar--neen--'t was waar ook--dat kon niet--ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu--ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou Vader in zijn' schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen--handwerkjes maken, daar had Nellie geen' zin meer in.--
Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met den gulden.
Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar wat dan? Och, Nellie wist het niet--ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar--hoe kan ze ooit weer in huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En--zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?
Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze--de fee.
"Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?" vroeg de fee.
"Neen, o, neen, beste fee," riep Nellie. "Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes."
"Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee...."
"Niets wil ik meer, niets!" riep Nellie: "Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen, die ik lief heb."
Toen zwaaide de fee den tooverstaf: 't was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. 't Was, of ze met kasteel en al in een' afgrond stortte--ze hoorde en zag niets meer.....
Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze--in de lieve trouwe oogen van hare moeder.
"O, Moeder, lieve Moeder," zei Nellie met een zwak stemmetje, "waar ben ik toch?"
"In je eigen bed, liefje," zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. "Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons zoo angstig gemaakt."
"Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?"
"Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben je onder een' boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al."
't Was of Nellie een steen van 't hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de koorts had ze alles--gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest--o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had aangedaan.
Daar stak Theodoor zijn' krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: "Slaapt ze nog, Moeder?"
"Ze is wakker en al een beetje beter," zei Moeder, "maar st! rustig blijven, hoor!"
Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang: "Nellie is wakker, Nellie is wat beter!"
Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: "Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?"
"Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief," zei Moeder. "Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer."
Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. "Kom," zei de dokter, "eindelijk de oogen open. En wat kijk je vroolijk." En toen den pols voelende: "nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo'n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na 't inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en--vooral niet lezen! Geene boeken geven!"
"Nooit boeken weer!" riep Nellie. "Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden."
"Ho, ho, wat," zei Vader, "beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, 't gaat er net mee, als met de mooie roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel willen missen. Maar 't zou dom zijn op een' akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou 's zomers een prachtig veld hebben; maar 's winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in 't vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker."
Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.
Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn' krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: "Mim geven!"
Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo naar verlangd.
Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was.
Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen--ja lezen deed ze veel, maar niet _te_ veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leeren kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.
Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.
HET BETOOVERDE HORLOGE.
Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.--O, dan had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of--ze was te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of--nog mooier--dat ze geen' mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen, maar, nu moet ik lachen!
Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat--het haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles--niet wanneer het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd te laat op. Ze treuzelde bij 't aankleeden. Ze kwam te laat aan 't ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.--En nooit dacht ze: "O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: daar doe ik Vader of de juffrouw of mijne vriendinnetjes plezier mee." Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten werken. Zoo had hij geen' tijd, om veel op zijn kind te letten, geen' tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en--dom ze deed.
Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.--Waar had ze bleeke wangen van? Wel, van 't late opstaan en 't late naar bed gaan.--Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!--Op de visite lachten de vriendinnetjes haar uit en noemden haar "Juffertje Te Laat."--En als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal: "Foei, wat een onbeleefd kind! 't Is te hopen, dat ze die leelijke gewoonte nog afleert, eer ze groot is."
Ja, 't was te hopen; maar--het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, maar ze bleef "Juffertje Te Laat!" Toen ze al geen jongejuffrouw meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min aan de klok.
Hilda's vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!
Als iemand haar nu gezegd had: "Hilda, denk toch aan dien armen koetsier en die stumpers van paarden," ja, dan zou ze zich uit medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar--er was niemand, die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke dingen nooit.
Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, als ze lust had, en daarmee uit.
Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te gaan, dan treuzelde ze 'k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes, waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
Soms zei ze wel eens: "Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo erg niet. 'k Heb ook zoo'n slecht geheugen, 'k vergeet altijd op de klok te kijken."
Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je wel begrijpen.
Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er met Juffertje Te Laat gebeurde.
Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. "Ik wou toch," dacht de fee dikwijls, "dat ik Hilda kon leeren begrijpen, hoeveel verdriet en last ze een ander doet en--hoeveel verdriet ze er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat."
De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders, dat onaardig was. Maar dat op 't laatst iedereen haar petekind "Juffertje Te Laat" noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene minuut te vroeg of te laat. "Twaalf uur," zei ze dikwijls, "dat is niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf uur is twaalf uur." Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon evenmin verdragen, dat iemand haar wachten liet.--Daarom noemden de menschen haar voor de aardigheid "Mevrouw Op Tijd."
En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.--Op een goeien dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: "Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
"Je je liefhebbende peettante."
De volgende dag kwam, en 't werd twaalf uur, dat was in dien tijd voor de meeste menschen het uur van 't middageten, 't Werd twaalf uur--en bij den eersten slag stond ook al 't rijtuig van de fee "Op Tijd" voor Hilda's deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte tafel--daar had de knecht voor gezorgd--maar geene Hilda, om hare peettante op te wachten en te verwelkomen!
"Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat," bromde de fee. "'t Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen." En verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, en ze wist toch, dat de fee komen zou!--
Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.--Nelly wist niet wat ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.
"Heerlijk, dat je komt," riep ze vroolijk, "nu kun je me meteen helpen uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we samen de doozen open."
Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!--Het duurde geene tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en deksels, vol hoeden en mantels.
Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen en Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te denken. 'k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur en tijd bij 't mooie spelletje vergat. 't Werd elf uur, 't werd twaalf uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante, die zou komen eten.--'t Werd half één, kwart voor één, en nog waren de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.
Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: 't was etenstijd.--"O wee, al één uur!" riep Hilda, "en wij eten om twaalf en...--'t is waar ook: mijne peettante zou komen eten."--Toen gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor stilstaan. Te laat was het toch--wat kwam het er eigenlijk ook opaan, of nog 't een kwartiertje later werd!--
Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, dat Hilda's peettante er al lang was.
De goede fee was van 't lange, vervelende wachten op 't laatst in slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda's vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.--Daar op eens ging de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.
"Dag, mijne lieve, beste peettante," riep ze, "o, ik durf U haast niet aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat zult U toch wel van me gedacht hebben!"--Nu, de fee was te goedhartig om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: "Nu, als 't je maar spijt, kindlief, dan is 't ook goed.--Maar zeg eens: hoe laat is 't eigenlijk, ik heb een poosje geslapen."
De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. "O, lieve peettante, vraag me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken," zei ze.--"Meisje, meisje," dacht de fee, "'t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben."
Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.
Na 't eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd vloog om: 't was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt open en--Hilda's vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in de hand roept hij: "Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, om mee te gaan?"
Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne oogen haast niet gelooven. "Maar heb ik nu van mijn leven," riep hij, "heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?"--"Uw briefje, beste Papa?" zei Hilda met een onschuldig gezicht. "Zeker heb ik dat gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!"--Neen, dat had Hilda's vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd boog hij nu voor de fee en zei: "Ik hoop maar niet, dat U 't me erg kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo'n verdriet heb ik van haar."
"Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?" vroeg de fee.--"Ik zal 't U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik graag zijn' raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.--U kunt denken, hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten en--zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: 't rijtuig kan ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen' raad."
"Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?" vroeg nu Hilda heel bedaard, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
"Wat?" riep de vader, rood van boosheid, "alleen gaan? Nu wordt het nog mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf ik....." Op eens hield Hilda's vader op. Bleek van schrik riep hij:
"O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!"
Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante om den hals en knikte: "Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan niet meer klaar komen en 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!"--