Zonnestralen in School en Huis

Chapter 15

Chapter 154,000 wordsPublic domain

Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem: "Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar--ik wil voor een jaar je zin doen--we zullen zien, of de staf je 't geluk brengt, waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en--. je wensch is vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen _zichtbare_ dingen wenschen. En--mondje dicht--niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb." Toen de vriendelijke fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie's oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg, maar--het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes dus--neen--ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had 's middags zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. "Een chocolâpudding dan!" riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; 't werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.

In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. 't Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. "Kom, Nellie," zei Clara, "hier is je bordje," maar Nellie had geen' lust meer in zure melk na 't eten van den pudding: ze bedankte. "Hoe is 't mogelijk," riep Clara, "lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!"--"Ik heb er van avond geen' lust in," zei Nellie. "Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee," zei Theodoor. "Ja, jongetje," dacht Nellie, "je moest ook maar eens weten, wat ik weet!"

Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. "Kom, Nellie," zei Moeder, "help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!" Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: "Niet met Nellie!"--"Ik met Clara!"--"Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden," bromde Nellie. "Dat komt, doordat je ze bij 't helpen nooit eens aardig aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken," zei Moeder.

Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon.

Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu--ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje op den grond. "Chocolade met beschuitjes!" riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan 't smullen, toen het negen uur sloeg--de kop verdween gelukkig--de overige beschuitjes stopte ze in de schooltasch, en toen--ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar--daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleen _zichtbare_ dingen--dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de feeën, die voor haar eigen gebruik een' tooverstaf had, die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen--nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen en haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam--met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.

Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk vragen: "Hoe kom je aan die jurk?" of "hé, wat heb jij daar voor een' hoed op?" Eens had ze zoo'n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het rechte plezier niet van--ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was 't misschien uit met de heerlijkheid. Ook--'t was zoo vervelend--Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.

Soms--ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel "onzichtbaars" was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe--ze had altijd een of ander boek te lezen, dat "zoo noodig" uit moest. Dan dacht ze wel eens: "ik wil toch ook beter leeren;" maar een oogenblik later was het weer: "och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later ook niet." En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. 't Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meer met hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.--Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.

Eens op een' avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo'n mooi, hij wilde er zoo graag ook een. "Neen, mijn jongen," zei Vader, "zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag." En toen Frits een' pruilmond zette, zei Vader: "Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw 't plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven." De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar--dat zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en--ja, wat niet al. En van dat alles niets te nemen, als je 't maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!

Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar--dan zou Frits zeggen: "Hoe kom je aan dat mes?" en als Frits het niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.

Eens op een' Zaterdagavond--'t was juist Nellie's beurt, om het brood naar 't arme huisgezin te brengen--kwam ze niet ver van het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen--ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een' gulden in de hand. "Ziezoo," zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, "arme jongen, dat is voor jou."

"Voor mij?" vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan.

"Ja," zei Nellie, "daar kun je eens een prettigen dag voor hebben."

"Hoera!" riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel.

Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. "Dat doe ik eens weer," dacht ze. "Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen gelukkig maken."

Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!

Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, 't Was de vader van Jacob. "Ach, lieve Mevrouw," zei hij, "U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch een vriendelijk verzoek aan U. Als U ons weer zoo'n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf. Jacob ...." meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien.

"Ik begrijp U niet," zei Nellie's moeder, "een groot present in geld--en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!"

"Ja," zei de man, "gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een' gulden gegeven."

"Dat kan niet waar wezen," zei Nellie's moeder, "zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens."

"Dat is toch vreemd," zei de man, "en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: 'Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.'--'Ja,' zegt mijn jongen, 'daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.' En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, 't is zonde van 't geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo'n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman haalt er een' agent bij en zegt: 'Hoe zouden die jongens aan zooveel geld gekomen zijn!' En toen, o, Mevrouw," snikte de arme man, "toen werd me de jongen door een' agent thuis gebracht, ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd is." Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.

Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die arme Jacob voor een' dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in 't geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan--de fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een' tooverstaf gegeven hebben, en in huis was 't, of niemand haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed genoeg. "Maar--wat ben ik toch dom!" dacht Nellie op eens. "Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar--Moeder en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben--dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets om mij geven.--Ik doe het--ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn."--Met die gedachte ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder 's avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een' nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aan ging doen. "Maar--kom," dacht ze, "Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen--morgen zal er een heerlijk leventje beginnen."

't Was morgen--Nellie's broertjes en zusjes gingen naar school--Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu, om onder den feeënboom te komen. "Ik moet gauw wezen," dacht ze, "anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken." Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: "Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan."

Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, 't was, of er een sluier voor Nellie's oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel--nu kon ze ook bijna niet meer hooren--ze wist niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte--toen kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn--eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen--o, dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon--vlak vóór haar aan 't eind van de groene weide tusschen de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In 't midden eene breede marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.

En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.--En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest blijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan 't bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja--van alles wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!--Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! 't Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd hoofdkussen en gordijnen--rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.--Een verder allerlei mooi speelgoed. En--'t laatste 't beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze--lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: "Zit je daar al weer met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!"

Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen in een kanapeetje aan 't lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de vogels. Toen 't middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed--o, wat een heerlijk bed! 't Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar--ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van 't genieten van al die heerlijkheden.

Den volgenden morgen ging 't weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstem gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar--wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie--daar stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. "Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en Lena," zeiden ze. En toen: "O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!" Toen liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten en lezen en spelen--o, 't was een kostelijk leventje.

En zoo ging het nu dag aan dag! "Heerlijk!" riep Nellie. "Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen." Neen, mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben--geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen 's avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een' nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo'n leventje van plezier, dan had Nellie geen' tijd om aan iets anders te denken.

Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar 't eene was toch ook al weer even mooi, als 't andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: "'t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei," dacht Nellie, "als je altijd lekker eet, proef je op 't laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je 't op 't laatst niet meer." En Nellie dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals Vader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu mocht ze 't altijd, en nu verveelde 't spelen haar wel eens.--En als er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in den winter--dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan 's avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!--En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in 't bosch voor zoo'n enkelen keer.--Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar 't was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen--en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar 's morgens in bed een' krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar--een cadeautje met liefde gegeven--dat vond Nellie toch heel wat anders.--En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist--Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, 't Was net, of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk--Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was 't weer vrede; maar nu was 't altijd zoo saai lief en zoet. Soms--ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis--soms wenschte ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.