Zonnestralen in School en Huis

Chapter 14

Chapter 144,109 wordsPublic domain

"Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte, betooverde ook mij. Eens op een' dag kwam hij bij mijn' vader, om te vragen, of ik de vrouw van zijn' zoon Mizra mocht worden. Mijn vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een' toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, trok een paar dagen later de kleeren van zijn' bediende aan en wist zoo in dienst van mijn' vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een' uil veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene harde, booze stem riep hij: 'Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader, die mij niet goed genoeg voor je vond.

"Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen 's avonds en 's nachts kan ik goed zien."

Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de vleugels de tranen uit hare ronde oogen.

Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij zijn hoofd en zei: "Wonderlijk, wonderlijk; 't is ons haast net gegaan, als u. En hoe vreemd, dat _wij_ u nu juist hier moesten vinden."

"Ja," zei de uil, "maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.

"Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elke maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent."

"O, beste prinses!" riep de Kalif, "zeg me, wanneer komt hij en waar is die zaal?"

Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, dralende stem: "Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij--gij kunt mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen...."--"Ja, ja," riep de Kalif ongeduldig, "dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het graag."--"Beste Kalif," zei de uil, "ik hoop het; maar ik ben er nog niet zoo zeker van. Ik--ja, ik durf het u haast niet te zeggen--ik kan alleen weer mensch worden, als--als gij, of de groot-vizier mij--wilt trouwen."

Daar was het er uit! Arme prinses-uil. 't Had haar zooveel moeite gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif liep verschrikt achteruit en trok zijn' grootvizier stilletjes aan den vleugel om ook mee te gaan.

Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: "Dat is een leelijk ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar tot vrouw nemen, Manzor!"

"Ik!" riep de grootvizier, "maar dat kunt gij niet meenen, edele heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog eene tweede vrouw thuis kwam! En dan--ik ben een oud man en gij, edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene mooie jonge prinses tot vrouw nemen!"

"Ho, ho! dat is het juist," zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de vleugels hangen. "'Jong en mooi!' wie zegt je, dat ze jong en mooi is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!"

Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te komen, zei de Kalif: "Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen."

De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. "En weet je wat," zei ze, "jullie bent op een gelukkig oogenblik hier gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht vergadering houden zullen."

's Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan 't eind van de gang door de reten van een ouden muur licht. "Nu doodstil," fluisterde de uil. "Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is vergadering!"--Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel honderd gekleurde lichten. In 't midden stond eene gedekte tafel, met kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een' gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer, die hem de snuif gegeven had.

En nu aan 't luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na, vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen geweest waren. Eindelijk riep er een: "En nu ik! ik heb zoo'n prachtige geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van Bagdad en zijn' grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst werd ik zelf marskramer en toen--neen, maar ik weet mij niet te houden van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn, waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!"--"Wat was het voor een woord?" vroeg zijn buurman. "O, een moeilijk Latijnsch woord, dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!"

Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. "Lieve redster van mijn leven en dat van mijn' vriend," zei hij "ik geef u de verzekering, dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!"

Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon af--eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk ja, daar kwam de zon boven den horizon. "Daar is de zon, daar is het oosten!" riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: "_Mutabor!_" O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier, die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? "Hoe is het nu, kent ge mij niet meer, prinses-nachtuil?" vroeg ze met eene lieve stem. Toen was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een' uil zoo'n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif de trouwbelofte gedaan had! "O!" riep hij, "nu zou ik voor geen geld van de wereld willen, dat ik _geen_ ooievaar geweest was!"

Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de Kalif in zijn' broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif, maar wat beter was--zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het in vliegende vaart naar Bagdad.

Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett'en, toen hun lieve Kalif daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos, dat ze waren op dien valschen Kalif--dien Mizra! Ze joegen hem en zijn' vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif: "Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet in ooievaars, neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'--"Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'" riepen alle menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. "Nu naar het oosten buigen en zeggen: 'Mutabor,'" klonk het van alle kanten.--En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen zooveel menschen beginnen! "Ziezoo," zei de Kalif, "nu zijn jullie een levend voorbeeld van het spreekwoord: 'Die voor een ander een' kuil graaft, valt er zelf in!'

De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als de grootvizier hun 's middags aan de thee een bezoek bracht. Dan babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve beenen de kamer op en neer, maakte met zijn' mond een klepperend geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed den grootvizier na, zooals hij naar 't oosten boog en vergeefs: Mu--Mu--Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn' grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu--Mu-geroep, dat de grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: "Pas op maar, pas op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil woonde." Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje, want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.

ONDER DEN TOOVERBOOM.

't Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een' vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes. "Klaar! beginnen!" roept Frits en neemt al vast een grooten hap van zijne boterham. "Ho!" zegt Mina, "eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden." En "niet soppen Zus," zegt ze "geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven." Vader heeft de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje "boôm, boôm," wat boterham beduiden moet.

Ja, 't was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie's huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja--Nellie was er niet. Eén bordje stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. "Waar blijft Nellie?" vraagt Moeder. "Ik weet het niet," zegt Clara, "ze is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging."

"Waar zit ze dan weer," bromde Vader verdrietig, "ga eens kijken." "Nellie zoeken, Nellie zoeken!" kraaiden de jongens, en ze sprongen van den stoel op. "Neen, gekheid," zei Moeder, "jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt, klaar of niet klaar." Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en--een vertelselboek in de andere hand.

"Zoo," knorde Vader, "moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?"

"Kind, kind, weer gelezen?" zei Moeder, "wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden."

Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn "boôm" wou hebben, weg en bromde tegen Clara: "Naar kind, waarom heb je me niet geroepen!" En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.

Nu naar school. Maar--waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze 't vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even "Bij Saartje," in haar tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu 't andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. "'k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte," dacht ze. En--ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg.

De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen' zin in. En wat deed ze nu? 't Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: "Wat heb jij er uit, Nellie?"--"Twee honderd!" hoorde Nellie in de buurt fluisteren. "Twee honderd!" riep Nellie. "Wat twee honderd, waarvan twee honderd?" vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep: "Twee honderd vingers!" De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, 't was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. "Kind, kind, waar heb je je gedachten weer," zuchtte ze. "Kom eens hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent." Nellie stond op. Plof! daar viel wat. "Breng eens hier, wat daar valt!" zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, 't hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. "Zoo," zei de juffrouw, "wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is 't mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten."

Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. "Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg," dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Ze wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze 't stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze 't boek zien te krijgen.

Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. "Foei!" zei Moeder boos, "nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?" En Moeder kreeg de tranen in de oogen.

Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot vriendinnetje hadden, als--als ze maar geen "mooi boek" had, zooals ze 't noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: "hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een' koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!" En als Nellie dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: "zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen wezen, en zóó zijn ze nu voor mij." En als Moe eens zei: "Kind, kun je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?" dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een' keer te laten liggen, maar dan dacht ze: "kijk, daar heb je 't weer! Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.--Als er roovers kwamen--ik zou ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: 'die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.'" En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.

Maar--er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan--dat ééne; maar daaraan dacht ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, die ze las, en aan _wat_ ze zou lezen en _waar_ ze zou lezen. _Waar_, ja--daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: "O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?" Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo'n prachtig gedeelte was--o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst.

Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En 't mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was 's zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O, 't was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo'n bosch, als er altijd in de vertellingen was, zoo'n tooverbosch. "'t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten," dacht Nellie wel eens.

Eens op een' dag, of liever op een' zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. "Je zult het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit," had Moeder gezegd. "Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je wilt."--"Och, ja," dacht Nellie met een' zucht, "wie weet, of ik nu niet voor 't laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou' toch zoo dol veel van sprookjes. En--kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een ongelukkig kind.

"Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, 'k was juist met 'De drie wenschen' begonnen. Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als...." en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in 't rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen--stond er--neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand--dat was eene tooverfee!

Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak:

"Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een' wensch uit. Door een' slag met mijn' tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert."

Nellie, Nellie, pas op--nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een' mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo'n zin in taartjes, en net wou ze zich een' schotel met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenscht had. Gelukkig--daar kreeg ze eene verstandige gedachte. "Machtige fee!" zei ze, "geef me, als 't U blieft, Uw' tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek."