Zonnestralen in School en Huis

Chapter 13

Chapter 134,165 wordsPublic domain

Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet, hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht zette, als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog veel minder, hoe menigmaal ze wel had willen roepen: "Neen, neen, ik wil niet, 't is zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!" Maar die verdrietige buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht.

In 't begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een plezier wou doen, en ook wel--omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida het _zelf_ prettig te vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek het veel aardiger en vriendelijker. En dan: nooit behoefde ze nu meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd mee heen, en wat maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat ze noodig had, lag nu voor de hand. "'t Is net," zei Ida soms, "of ik wel tweemaal zooveel tijd heb als vroeger."--"De dagen zijn zeker langer geworden," zei 't vrouwtje dan lachende. En dan--op school was 't ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer te zeggen: "O, dat vak van Ida," of "o, die tasch, o, die boeken en schriften, o, dat werk!" Of: "Alweer te laat" en meer zulke leelijke dingen.--Strafkrijgen, schoolblijven--dat was allemaal vroeger.

Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida's slordige kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag en heel veel andere goede dingen meer. En toen kreeg Ida ook weer vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen en--die ook bij haar mochten komen.

Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig goed had, dat haar het leven lastig maakte.--"Wonderlijk", zei het vrouwtje eens, "hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit hoor ik je er meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-, je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt me, gebeterd, alles is gedwee en gehoorzaam geworden."--"Neen, neen," riep Ida, en met eene kleur als vuur viel ze het vrouwtje om den hals. "Neen, _ik_ heb me gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, slordig kind, dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom er bij. Ik gaf mijn goed in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch niet helpen, dat ze overal omslingerden en altijd te zoek waren. 't Was alles mijne schuld, mijne schuld!"--"O, kind, wat ben ik toch blij, dat je 't eindelijk zelf begrepen hebt, zonder dat ik het zei," riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. "Maar ik wist het wel, dat je nog eens zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust hart van je weggaan, ik weet...." Verder kon het vrouwtje niet komen, want bij het woord "weggaan" was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel bleek werd en toen in schreien uitbarstte. "Niet weggaan," snikte ze, "ik hou' zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat, zal alles weer anders worden."

Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar naast zich op een' stoel, sloeg den arm om haar heen en zei: "Kom, lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me blijven houden, al ben ik ook niet meer bij je--en ook aan me blijven denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit weer. En gelukkig, tevreden, dat ben je nu ook wel zonder mij. Je zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat zul je ook niet weer, daar ben ik zeker van."--"Maar o," riep Ida, "waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te zijn."--"Alleen zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al met je besten vader gepraat en--is het niet heerlijk: je lieve tante, die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!--En waarom _ik_ niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die mij noodig hebben, nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.--Ik heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk wel ben. Een heel gewoon oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.--En nu--de oogen even dicht... Open!..."

Vóór de verbaasde Ida stond--geen gewoon oud vrouwtje meer met een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie, lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere, verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. En dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde ze zeggen: "Ik ben--de fee Netheid! En nu, lieve kind, de fee gaat _weg_; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft, dat weet ik." Nog een kus van de fee en--Ida was alleen.

En 't gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was eene nette, ordelijke, gelukkige, tevredene Ida.

KALIF-OOIEVAAR.

Heel ver hier vandaan, eerst ver naar 't zuiden en dan naar het oosten ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad heet. In die stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat land. De Koning dus? zul je vragen. Ja en neen. Hij had hetzelfde te doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette--Kalif. Dat is zoo raar niet, want de menschen praatten daar in dat land heelemaal anders dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen.

Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den Kalif, doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte zeker heerlijk, want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich weltevreden met de hand langs den baard. 't Was duidelijk te zien, dat de Kalif goed in zijn humeur was.

De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls spreken moest.

De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan juist altijd naar het paleis om' met den Kalif te praten. Want--ik houd meer van een goed, dan van een slecht humeur, dacht de grootvizier. Dezen middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond anders dan anders. De Kalif nam dan ook zijne pijp uit den mond en zei: "Wat nu, waarom zet je zoo'n betrokken gezicht?"

De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte eene diepe buiging voor zijn' heer, zooals daar in dat land de mode is en antwoordde: "Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik niet, maar het kan wel zijn; want voor de deur staat een marskramer, die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig, omdat ik geen geld over heb om iets van hem te koopen."

Nu, de Kalif had zijn' grootvizier al lang eens een pleziertje willen doen, en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. 't Was een klein, dik mannetje, zwart-bruin in 't gezicht en armoedig in de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden laatjes, en in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden vingerringen bij met zilver beslagen pistolen en gouden drinkbekers bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles van a tot z, en eindelijk kocht de Kalif voor zich en Manzor, dat was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor de vrouw van den grootvizier een mooien haarkam. Voor zijne eigen vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw.

Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei: "O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin hebben we nog niet gezien, is daar ook nog iets moois in?" De marskramer trok het laatje open en zei: "Och, neen, daar is niets bijzonders in, alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters, die ik niet lezen kan." De Kalif vouwde het papier open en zei: "Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. 'k Mocht wel eens weten, wat die letters beduidden. Hoe kom je er aan?"--"O", zei de marskramer, "ik heb doos en papier van een anderen marskramer gekregen, en die had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier in hebt, geef ik U de beide dingen present."--"Graag", zei de Kalif, "ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, of dat niet ook op het papier te lezen is."

De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van pure nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. "Ik moet weten, wat er op te lezen staat", zei de Kalif, "eerder heb ik geene rust."--"Ik weet raad", zei de grootvizier, "naast de kerk woont een man, dien de menschen Selim, den Geleerde noemen, omdat hij zooveel geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan."--"Laat hem dadelijk hier komen", riep de Kalif. De grootvizier vloog de deur uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug.

"Selim", zei de Kalif, "als je dit papier kunt lezen, geef ik je een mooi pak, maar kun je 't niet lezen, dan krijg je vijfentwintig klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet geleerd bent."

Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. "Uw wil is mij een wet, o heer," zei hij. Toen bekeek hij het papier en zei: "Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is."--"Zeg, wat er in staat," zei de Kalif.

En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond:

Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: "Mutabor," verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft ge maar driemaal naar het oosten te buigen en "Mutabor" te zeggen. Maar--pas op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan zult ge het tooverwoord vergeten en moet ge dier blijven.

Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap in de handen. "Ziezoo, Selim," zei hij, "dat was knap gedaan; nu krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor ieder ander. Beloof dat." Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem denzelfden avond de mooie kleeren te zenden, en Selim ging heen.

"Nu, Manzortje," zei de Kalif, "dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten komen. Kom nu morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten, waar niemand ons kan zien, en snuiven van het poeder. Ik heb mijn heele leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat alle dieren op de aarde en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog nooit ben ik zoo in mijn' schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus, tot morgen!"

Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling af te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, en toen de deur uit. Al de voorname heeren, die anders altijd den Kalif moeten volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd menschen bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen, kregen een' wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen met zijn' grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze ook een of ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen eene slak voor hunne voeten, maar--eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes van eene slak gaven ze ook niet veel.

"Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas," zei de grootvizier. "Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de weide; laat ons daar eens gaan kijken."--"Mij best," zei de Kalif en ze stapten verder.

Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een' ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend een praatje in zich zelf. Op 't zelfde oogenblik kwam er nog een ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere ooievaar stond.

"Ik wed om mijn' baard, edele heer," zei de grootvizier, "dat die twee daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van, als we eens ooievaars werden?"

"Uitstekend!" zei de Kalif. "Maar laat ons nu eerst nog eens goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen, dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen."

Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif greep een, twee, drie, de doos uit zijn' gordel, presenteerde haar ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen hadden. "Mutabor!" riep de Kalif en "Mutabor!" riep de grootvizier ook.

Toen--toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en zijn' grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, de hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.

De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk riep de Kalif: "Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!"

"Als ik het zeggen mag," riep de grootvizier, "ziet Uwe Hoogheid er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als 't Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal verstaan kunnen."

Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn' snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:

"Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe gaat het?"

"Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad, of een kikkerhammetje?"

"Dank je zeer, 'k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje te oefenen."

Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als eene jonge dame.

De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: "Eene kostelijke grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we anders ook nog geen liedje gehoord hadden!"

Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: "O, Vorst, wat hebben we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo'n dwaze langpoot te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je 't al! Ik weet het woord niet meer, Uwe Hoogheid!"

"Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: Mu--Mu--Mu."--De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu--Mu--Mu!

Geen van beiden kon zich het woord herinneren en--de Kalif en de grootvizier waren en bleven--ooievaars.

Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif was! En--ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven wilden, wie zou dan nog een' Kalif willen hebben, die ooievaar was?

Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de lucht, en 't allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett'en ze zich op een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.

In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen, waar hun Kalif met zijn' grootvizier gebleven waren. Maar toen ze zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: "Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!"

Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de Kalif-ooievaar zei: "Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd ben! Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn' vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft mij eens gezegd: 'Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig maken!' Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, 't is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien, dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats."

Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer uit. "Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo rijk en zoo gelukkig was," zei de Kalif.

Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het vliegen was nog zoo'n ongewoon werkje. "O wee, o wee," zuchtte de grootvizier, na een uur vliegen, "ik kan niet meer. Neem me niet kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het begint al mooi donker te worden." Ja, dat vond de Kalif toch ook wel zoo verstandig. "Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, de overblijfselen van een oud kasteel," zei de Kalif. "Laten we eens zien, of we daar niet in kunnen komen."

Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde: "Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een' grootvizier en nog meer voor een' ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand diep zuchtte."

De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een dier kon het niet zijn: 't was sprekend het geluid van eene menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de grootvizier hem met den snavel bij den vleugel en bad en smeekte: "Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer wachten. Ik bid U, blijf toch hier!" Maar bidden en smeeken hielp niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn' ooievaarsvleugel; hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge beenen eene duistere gang in.

Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op den vloer van die half verlichte kamer--een grooten nachtuil. Nu was het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas had de nachtuil den Kalif met zijn' grootvizier, die toch stilletjes zijn' meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:

"Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik door een' ooievaar gelukkig zou worden!"

Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne lange beenen eene sierlijke buiging en zei: "Lieve nachtuil, het komt mij voor, naar de woorden, die 'k van u gehoord heb, dat gij, evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is, zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen."

"O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel belang in."

En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.

Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: "Ik dank u. Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder ongelukkig is, dan het uwe.