Zonnestralen in School en Huis

Chapter 12

Chapter 124,384 wordsPublic domain

Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo'n rommel wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun' kop stonden of omgebuiteld waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor de grap alles, wat er in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats--o, 't was om er kriebelig van te worden.

Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen, scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren ging, hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, dat is heel niet te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door al die onrust en al die tegenspoeden. Och, wat had ze weinig plezier in haar leven.--En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame, eigenzinnige, onwillige goed! Ja, 't was wel om te zuchten.

Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: "t Kan zoo niet langer, 't is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn goed, ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden."

Toen ging ze met de hand onder 't hoofd zitten peinzen eene heele poos. Wat had ze al dikwijls bij 't haastige zoeken boeken, schriften, kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw aan getrokken. "Naar ding!--Vervelend ding!--Plaag je me weer?"--Wat had ze 't dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, 't werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met haar goed praten, dat zou beter zijn.

Toen--niet lachen, hoor--toen zocht Ida al haar goed bij elkaar: kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles werd uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. En dat heele rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen ging ze met een strak gezicht deftig midden in dien kring staan en zei: "Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je praten. Het moet uit zijn met die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in 't vervolg stil op zijne plaats, tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me geen schrift meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, wie de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn' dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn' plicht, begrepen? In 't vervolg, als ik vraag: waar is mijn' pennenhouder? dan vertoont die zich dadelijk, alsof hij zeggen wou: hier ben ik! Heb ik een klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof het roepen wou: tot uw' dienst, Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet anders. Wie onwillig of voorbarig is, krijgt het met mij te doen."

Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd, dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of 't was, alsof 't goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden een stijf gestreken kraagje, dat bovenop hem lag. 't Kraagje wipte van den borstel af en rolde in vroolijke sprongen over den vloer. Een fleschje, dat juist in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van 't lachen, had maar een klein duwtje noodig: daar lag het al languit op den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den vloer.--Boeken en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven liggen, zoo'n plezier hadden ze. Rrrrt--daar gleden ze uit elkaar, tegen een' maasbal aan. De maasbal vroolijk aan 't rollen--boems, tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten de pennen op hun twee voetjes de doos uit.--Eene pret van belang, hoor! 't Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: "Praat maar toe, we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. Denk je den baas over ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!"

Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig, teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen van spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, dat ze het toch maar niet weer zien zou!

Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. Ze kon er nu heelemaal geen baas meer over worden.

Eens op een' morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar 't bosch gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze zoo eens mee wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar--Ida zag er altijd zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf--neen, de moeders van de meisjes vonden het maar beter, dat ze buiten de school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe het zoo kwam, dat de meeste meisjes altijd bedankten, als zij ze op visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze ééns bij een meisje geweest was? Waarom moest ze toch altijd alleen zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot verdriet voor Ida.--En terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door 't bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan dat andere verdriet--aan al 't verdriet, dat ze zoo al had in haar jong leventje. 't Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette niet op al dat moois,--en vroolijk kon ze ook niet zijn. Ze keek heel bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten en--begon bitter te schreien. Daar voelde ze opeens eene hand, die zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk zei: "O, o, wat een dikke tranen! Is 't verdriet zoo groot?"

Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere, verstandige oogen en o zoo'n lief, goedig gezicht. Maar niet alleen 't gezicht, neen, 't heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles aan haar was even proper en net: van 't hagelwitte mutsje met de fijne plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of plooi, geen band of knoop, die niet op zijne plaats zat. Geen kreuk, geene vlek of scheur te zien. 't Heele vrouwtje met alles, wat ze aan had om- door een ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen.

"Nu, meisje," vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord gaf, "wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien kan ik je helpen."--Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór ze het wist, was ze al aan 't vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe 't kwam, maar het vrouwtje leek haar heelemaal geene vreemde: 't was net, of ze praatte met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze dacht niet: wat is dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk, dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van alles, wat haar op 't hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe ze nu niet wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, vroeg ze: "En is er thuis nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?" En toen heel zacht: "Heb je geene moeder?"--"Neen, neen," barstte Ida schreiende uit, "eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven vragen. Ik zie hem ook haast nooit, hij zit altijd te studeeren. En dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg, en de juffrouw van de school is altijd ontevreden op me. Niemand, niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, 'k hou' nu al zooveel van je, help jij me!"--Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze trok haar naar zich toe. "Arm kind," zei ze, "zeker wil en kan ik je helpen, vertrouw gerust op mij.--Kom, we wandelen samen naar je huis, en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje bij je. Mij dunkt, we zullen dan samen dat groote verdriet wel op de vlucht jagen. Droog nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn' arm. Maar wacht eens, je manteltje is scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen, ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een' band, die zoo brutaal onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen we zijne plaats eens.--Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan den binnenkant van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je--ze zouden lachen om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. 't Lintje op den loop? Wacht, 'k heb er juist een in mijn' zak.--Hè, dat lijkt toch wat beter dan zoo straks." Ida keek al lang niet bedrukt meer: het vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een beetje door haar te worden "opgeknapt." Er was anders nooit iemand, die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag.

Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar haar vader was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer stonden, klopte Ida aan; maar geene stem had nog "binnen" geroepen, of ze was ook al weer de trap af.

Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida's vader, en weer een oogenblik later zat ze in een' leunstoel tegenover hem en waren ze samen druk aan 't praten. Over wie, dat kun je wel dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies kunnen vertellen. Wel weet ik, dat Ida's vader bij het weggaan het eenvoudige vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet ik, dat Ida, die beneden met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: "Nu, wat zegt Vader?" en dat het vrouwtje toen antwoordde: "Alles is in orde, kindlief, ik blijf bij je."--Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen van blijdschap.

Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida praatte al dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien met de heldere, verstandige oogen, dat deed ze des te meer. Eens nam ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend aan. "O, uit mijn geschiedenisboek!" zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam het blad en lei het op een' stoel. Maar het vrouwtje nam het weer van den stoel en liep er mee naar de boekenplank. "We moeten het, dunkt me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats leggen," zei ze. "Ja maar," riep Ida, "hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och, 't kan later ook wel."--"Samen zoeken," hield het vrouwtje vol. En of Ida al wat ongeduldig keek--ze kon toch niet goed anders doen dan meezoeken. Toen ze 't boek eindelijk had, wou ze 't blad er gauw even instoppen. "Ho," zei 't vrouwtje, "laat eens zien: bladz. 34, die heeft 35 tot buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier vast, we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen."--Ida keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen durfde ze niets.

Op de trap naar Ida's kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel, maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield het ding in de hoogte. "Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk," zei Ida, "hoe komt die hier!"--"De ceintuur wou zeker eens zien, of ze wel alleen den weg naar Ida's kapstok kon vinden," zei 't vrouwtje. Ida lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. Gauw nam ze de ceintuur uit de handen van 't vrouwtje en mompelde zoo iets van: "meteen meenemen en ophangen." 't Leek wel, of ze zich wat schaamde.

Ida's kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur stond Ida even stil. 't Was, of ze er eigenlijk een beetje tegen opzag, haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame goed eens laten zien.

"Kijk," begon ze, luid en druk pratende, "kijk me dien boel hier eens aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is te zoek, als je 't hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden, zie maar! En...." Verder kwam ze niet, want ze merkte: het vrouwtje luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat van een' stoel of van de tafel, daar wat van 't bed of van den grond en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang, tot de kamer er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist niet recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje begreep best, wat Ida dacht, en daarom zei ze: "Toe maar, kindlief, ik zal het je wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw je de kunst van mij afkijkt."

Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een' stoelpoot haast door 't behang, ze lei haar nachtzak in een' hoek op 't bed, en bij alles, wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje bijna onderste boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en vriendelijk wees ze Ida telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter was en netter leek. Zie, als je zooveel kleeren op elkaar hing, dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en leelijke plooien in.--En een' stoelpoot, daar moest een stoel toch zeker op staan. "Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en 't behang mogen ze niet aanraken."

De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in 't midden op het bed te pronken, dat paste beter voor hem.

Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, toen eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om er in te wezen.

"Met het kastje wachten we liever tot morgen," vond het vrouwtje, "je zult wel moe zijn van 't ongewone werk." Maar neen, daar had Ida geen ooren naar: ze was in 't geheel niet moe, en morgen zou er misschien weer wat anders te doen zijn.--Daar waren de kastdeuren al open, en roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. "Ho, ho," riep het vrouwtje, "dat gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee, drie, het kleed van de tafel--netjes opvouwen, hoor--en dan op de leege tafel alles uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk, zóó: plat en--geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen uitsteken.--Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg het er maar op--knap--je zult het wel leeren.--Dit voor de volgende plank.--Weer een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.--Nu de twee bovenste nog."

Ida keek met een' zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge vrouwtje was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar paste.--"Pennenhouder--op zij, je behoort hier niet.--Kleerborstel: pak maar eens aan--in de tafellâ.--Nagelschaar: op je plaats in 't laatje van de waschtafel.--Nu dit, en dat en dat nog weg. Hè, dat ruimt op.--Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast schikken."--Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk niet, dat ze zooveel mooi goed had.

"Kant en klaar!" roept eindelijk het vrouwtje. "O, wat ben je toch knap!" zei Ida, en ze gaf haar een' kus. "Niets knapper dan mijn meisje over eene korte poos ook wezen zal."

's Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje had? "Ja wel, maar--maar...."--"O, 'k begrijp het al", lachte het vrouwtje, "je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat gerust eens zien, hoor!"--Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en--dralende haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje was wel nooit boos en zei nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig, alweer met iets aan te komen, dat er zóó uitzag. En wezenlijk--waar Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon zonder een woord te zeggen den warboel van klosjes en lint en band en wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij de klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar, hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. Van het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje stak met eene speld de einden vast.--Alles kreeg eene beurt: alles in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er ook weer ruimte voor den ongelukkigen zakdoek, 't Was wezenlijk eene aardigheid om te zien.

"En waar zal de doos nu staan?" vroeg het vrouwtje. "Och", zei Ida, "dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden."--"Kom, kom", lachte 't vrouwtje, "dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats, hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten we de boeken ook eens in 't gelid en de schriften en.... nu, niet zoo'n benauwd gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, en je weet, hoe prettig dat gaat."

De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar mee naar boven, dat vond ze gezellig.--Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef, als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te liggen, en daar wat--'t duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde het hoofd. Bedaard zocht ze al de stukken weer bij elkaar, hing de jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig stapeltje van op den stoel vóór Ida's bed. Kam en borstel werden weer in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: "Waar is dat nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk weer aan." Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida's oogen gelezen, want toen ze haar een' nachtkus gaf, zei ze: "Waarvoor? Dat vertel je me zelf morgen aan 't ontbijt wel eens."

"Nu?" vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida guitig aan. "O", zei Ida, "'t was heerlijk. Ik behoefde naar niets te zoeken. Al mijn goed lag voor 't grijpen--ik was in een' wip klaar."--"Ook wat _te_ gauw?" vroeg 't vrouwtje, en ze bekeek Ida van boven naar beneden. "Misschien wel", zei Ida zacht, en ze kleurde. Een poosje later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. "Ziezoo", riep 't vrouwtje, "nu is 't morgen gauw _en_ goed, is 't niet, kind?"

Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en tegen het middageten was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens keek ze weer heel bedrukt, en met een' zucht kwam het er uit: "Ja, 't is nu alles wel heel mooi, maar...."--"Maar het blijft niet zoo, wil je zeggen.--Wees gerust, kindlief, daar heb ik ook een middeltje op, dat ik je leeren zal. Netjes _maken,_ daar begin je nu al eene heele bolleboos in te worden, netjes _houden,_ daar zal ik je nu knap in maken."

En Ida _werd_ knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst, die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze 't nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig: het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en een prijsje op te vroolijken.

En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?--Luister maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, en er viel eene speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, dat liet ze rollen. "Ida," zei 't vrouwtje, "er is iets gevallen."--"'k Heb het toch dadelijk niet noodig," had Ida dan dikwijls op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.--Was 't naaien gedaan, dan werd werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De doos dicht--weg er mee. "Kom," zei 't vrouwtje den eersten keer, dat Ida de naaidoos weer gebruikte, "nu zal 't me toch benieuwen, of je er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag." Ida had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier "den boel," zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen lachje de hand terug en begon stuk voor stuk zorgvuldig te bergen.

Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan, en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering bleef hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee naar school moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken, die ze op school niet noodig had, kwamen in de tasch terecht.--Met de schriften ging 't al niet veel beter.--De eerste maal nu, dat Ida werk maakte en lessen leerde, terwijl 't vrouwtje er bij zat, zou het al weer denzelfden weg langs gaan. Maar 't vrouwtje deed den inktkoker dicht, veegde de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in de hand. "Daar," zei ze, "zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je te helpen bij je werk.--En nu, waar behoort dit boek thuis? Moet je dat schrift meehebben? Hier is de tasch--ziezoo, alles netjes er in voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. Klaar is 't."

Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze 't maar uit de handen kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja, 't was er niet van zelf zoo'n rommel geworden. Maar nu kon dat zoo gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo haastig bezig bij haar kastje, zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze 't wist, het vrouwtje naast haar en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats van dit of dat niet meer wist. 't Zou jammer zijn, als 't kastje niet netjes bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En--al vond Ida het nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken.

Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken en knoopen? Dat het vrouwtje Ida's kleeren al lang allemaal keurig in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida's goed nu niet meer scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje voor. Maar ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, dan zei 't vrouwtje: "'t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet, eer ze naald en draad te pakken hebben. Dat gaat jou zeker ook zoo, is 't niet?"--Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en--aan 't werk gaan!

Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel, hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te _houden._