Zonnestralen in School en Huis

Chapter 11

Chapter 114,183 wordsPublic domain

Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. "Ik weet het, ik ik weet het," riep hij, "eene koningin past bij een' koning. Ik breng de koolraap naar den koning!" Dat was nu heel mooi bedacht; maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand pakken en dragen, daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen, daar zouden wel twee, drie, mannen voor noodig zijn. En met optillen was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg--hoe zou de koolraap daar komen! .... Hulp vragen, dat was het eenige. 't Zou toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam.

Maar waar zou de arme aankloppen? 't Beste was misschien nog alles te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, en de boer had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst geweest was en later, toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop--toen beloofde de boer dadelijk te raden en te helpen.

Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en de boer, die bij 't verhaal van den arme zijne ooren bijna niet had kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij wezenlijk niet wist wat hij zag. "Wel verbazend," riep hij, "dat mag in de krant! Zoo'n dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich alleen gebruiken met twee paarder er voor."

En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid was. Drie mannen tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen, waar een zacht bed van stroo voor haar gespreid was. En toen ze weg reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de koningin van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de verte met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning wel zeggen zou. En de arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk toe en klapte lustig met de zweep. Zoo ging het voorwaarts van het eene dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de verte begroet met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan 't eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou.

Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen wapperden van alle huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten in lange dichte rijen, en vóór het paleis op een groot plein stonden wel vijfhonderd soldaten.

Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig gezicht het geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was alles een grapje van den koning, die veel schik had in 't geval. De arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest, hij was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, en lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden, om ernstig te blijven kijken.

De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen, dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook de heele treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden, van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen en van de hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart van den koning was vol medelijden met den arme.

"Uwe Majesteit," begon de arme, toen hij voor den koning stond, "Uwe Majesteit, ik kom...." Verder kwam de arme niet. Onderweg had hij heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit pure verlegenheid van al de mooie woorden er geen twee meer bij elkaar krijgen. Maar de koning hielp hem: 'Ik kom Uwe Majesteit de koningin van de koolrapen aanbieden, en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.'--"Was het zóó niet?" lachte de koning. "Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist zóó!" riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de verlegenheid geholpen had. "En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?"--"Wel zeker wil ik!" zei de koning. "Veel wonderlijks en vreemds heb ik in mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present gekregen, maar nog nooit zoo iets aardigs!"--De arme kreeg eene kleur van plezier.--"En zeg me eens," vroeg de koning, "uit wat voor een zaadkorrel is toch die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel geweest zijn. Of komt al je zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel een echt gelukskind, hoor!"--Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij zuchtte--_hij_ zou een gelukskind zijn! "Och neen, Uwe Majesteit," zei hij treurig, "noem mij liever een' ongeluksvogel." En toen vertelde de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist, maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf nog graag eens hooren wou.

De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk begon hij: "Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap je waard was. 't Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil _ik_ ook graag wat voor _jou_ doen--je zult niet voor niets zoo'n schat aan mij hebben afgestaan."

De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk komen, komen door de raap?

"Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn' overvloed geven, wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden."

Daar _was_ het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk op en zei lachend: "Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je gelukkig gemaakt."

En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en prachtig vee en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen.

Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en--het _bleef_. De arme was niet arm meer; maar hij _werd_ het ook nooit weer. 't Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had voor goed den voorspoed gebracht. Zelf was de raap bij den koning gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het paleis op een' reuzenschotel van kristal, dien de koning alleen voor haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap bewonderen, en iederen dag stroomde het van menschen, die uit alle streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den koning had gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap, ieder hoorde van de raap.

Ieder--dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke, die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, die nooit hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon, dat een ander even rijk of rijker was dan hij. De rijke dus hoorde ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen, werd hij boos en afgunstig in zijn hart.

"Zoo'n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een' koning, dat moet ik zeggen," spotte hij. "'t Lijkt wel, of de koning niet recht bij zijn verstand is, dat hij mijn' broer daarvoor zooveel gegeven heeft! Wat moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars, voor iets van groote waarde!"

Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten de koning _hem_ dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige rijke wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer op den neus kijken--juist goed! Wat meende die onnoozele bloed wel, dat hij met een' knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke, die zooveel meer geven kon!

Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele, kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en vurig.

Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht er niet aan, de menschen op zijn' weg vriendelijk te groeten. Wel keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel en vroolijkheid was er niet. Ieder wist, _wie_ hij was en _hoe_ hij was.

De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan 't eind van zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor 't paleis, geene muziek speelde er. 't Was doodstil in alle straten, waar de rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand keek er naar hem uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden gehad had met den arme, die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon de koning hem niet vergeven.

De rijke kwam vóór den koning. _Hij_ was niet verlegen, _hij_ wist zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en koningen had omgegaan. "Ik hoorde," zoo begon hij, "dat mijn broer zoo vrij, of ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest is, onzen geëerbiedigden koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was wel zoo vriendelijk, dat dwaze geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit gaf mijn' broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk niet verdiende. Ik kom nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen over de brutaalheid van mijn' broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige paarden. Onze geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, om de kostbaarste te vinden, die er zijn. Zoo'n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen dan...."--De koning, die alles met een strak, onvriendelijk gezicht had aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. "Je kunt heengaan," zei hij, "ik neem de paarden aan." Toen schelde de koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij zich komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei: "Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit," boog en ging weer heen.

Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem niet eens laten uitpraten--de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar--toen de bediende met hem meeging en hem bracht bij een grooten overdekten wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de bediende zei: "Dit geeft Zijne Majesteit U in dank voor de paarden," toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer schelen, hoe de koning tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer oogen opzetten, als hij te weten kwam, wat de koning _hem_ vereerd had!

De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? In zijne gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, die hij er voor zou laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden droeg, als hij een juweelen knop aan zijne zweep en aan zijn' stok liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare oorbellen en broches, ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn' zak, als hij kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En--hoe armoedig vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen had!

Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel schatten borg. Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien--toch raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, in zijn eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters, van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, de zakken en de kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en--hem benijden, dat was zijn lust en zijn leven.

Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die uit nieuwsgierigheid met hem meeliepen.

Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, die allen naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen, die om den wagen stonden. "Vrienden," begon hij, "een groote eer is mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet alleen mijn geschenk in genade aan, maar gaf mij tot dank veel kostbaars. Hieronder," en de rijke legde de hand op het dekkleed van den wagen, "ligt geborgen, wat mijne eigen oogen nog niet gezien hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!"

De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof hij zelf een koning was, keek hij voor 't laatst nog eens trotsch in 't rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen, om vooral goed te kunnen zien.

En nu--daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd van schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen voor 't gezicht, vliegt in huis en gooit de deur achter zich toe....

Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn' broer!

En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig gefopt was.

WEER VAN EENE FEE.

Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school gaan--allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle dag terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn: 't is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, zoo denk jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er heel anders over dacht.

Dat ongelukkige kind kon 's morgens, als ze op zou staan, nooit hare kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór 't bed, in 't bed, rechts, links, aan 't hoofdeneind, aan 't voeteneind, onder de dekens--alles onderst boven gehaald. Eindelijk--één gevonden onder 't kussen, een poosje later nummer twee onder 't ledikant.

Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, je kunt nooit weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij--in een' hoek van de vensterbank!

Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu achter!

Dan aan 't plassen. Een druipnat gezicht--geen handdoek, om het af te drogen. Een pretje, hoor! Waar--kon--dan--toch--die--handdoek--zijn? Al pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over een' post van 't ledikant.

Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor 't grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. Niets! Op tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk!

De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning, hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer, 't Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig weer wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan.

Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?--'k Hoop voor jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen en knoopsgaten, haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind, schenen wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten, konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver van af zaten. De stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel knoopen en haken, die er heelemaal "voor spek en boonen" bij zaten.

Vraag ook niet naar Ida's vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten verdeelen in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht een dun, schraal strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop.

Maar--hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te ontbijten, dat wil zeggen--om staande haastig een paar happen brood te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden als je bij 't aankleeden zóó geplaagd en opgehouden wordt!

Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg, als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. Nu, ze had ook geen tijd meer om te zoeken--dan maar zonder de straat op. Flap, de voordeur dicht.--Een oogenblik er na: tingelingeling! Ida terug hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet verstopt achter de kelderdeur, die open stond?--Waren de boeken en schriften, was alles, wat ze noodig had er wel in? In de vlucht even in de tasch gerommeld, een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om een boek half afgescheurd. Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik tijd meer: 't was toch al zoo laat.

Ja, Ida was _te_ laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest schoolblijven, om 't verzuimde weer in te halen.

Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?--"Ida," vraagt de juffrouw, "waarom begin je niet te schrijven?"--Juffrouw, mijn pennenhouder is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn vak."--"Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, moet hij er nu nog zijn. Zoek nog eens goed."--Ida aan 't scharrelen in de beide vakken, in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen heelemaal niet werken. Ida's werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig.

"Leesboeken op de tafel!"--"Juffrouw, 't mijne is er niet." Weer moet het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. Nooit heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, 't is wel om te zuchten.

Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van binnen: schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat, klosjes garen en zij--alles had er zijne eigen plaats, en toch bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er in voor 't grijpen. 't Was, of de schaar riep: "Zoeken behoef je niet, hier lig ik en blijf ik."--De naaldenkoker, hoe rond hij was, dacht aan geen wegrollen, en de naalden bleven rustig in haar donker kamertje.--De klosjes stonden als soldaten in 't gelid, klaar om hun' draad te presenteeren.--De spelden op het kussentje keken met hunne schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: "Zitten we hier niet mooi, hier kun je ons altijd vinden."

Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En--zóó zou het stellig ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over geweest was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: alle dingen maakten het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was veranderd. "Waar is mijn vingerhoed?"--Maar de vingerhoed had zijn' post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug, platgetrapt, onder 't karpet!--"Waar is mijne schaar?" Maar de schaar liet naar zich zoeken. 's Avonds bij 't naar bed gaan zag Ida het ongehoorzame ding pas terug--op de tafel in de slaapkamer.--"Wat nu, maar ééne naald meer in mijn' naaldenkoker en dan nog wel zoo'n dikke, die ik niet gebruiken kan!" Overal onder en tusschen gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan de wandeling. Later wou Ida iets van den grond oprapen: daar----"au, au! prikte ze zich aan eene naald, die in 't vloerkleed stak.--De spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze gebruiken moest.--En de klosjes, die hun' draad zoo prettig klaar hielden? "Nooit kan ik een' draad loskrijgen, alles zit altijd in de war," zuchtte Ida. Ja, de klosjes lagen al lang holderdebolder door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo verward door elkaar heen geslingerd, dat er geen weg in te vinden was.--Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast tusschen de draden.--Of er nog plaats was voor een handwerkje? Och, vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen deksel en doos geklemd en hing half over den rand. De stumper had zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die heelemaal niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek, die in Ida's zak, en een haarlintje, dat om Ida's vlecht behoorde te zitten; een' inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger, die uit het leesboek verdwaald was.

Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei snuisterijen in bergen mocht.--Heerlijk, zoo'n eigen kastje! Alle planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes neergevlijd; de kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de plooi, alles glad en zonder kreuk.--En dan de bovenste planken! Daar berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de Cologne- en odeurfleschjes, aardige doosjes en mandjes--ik kan het niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan weet je nog wel meer.--En dan plooi en schik je, je zet en verzet al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast niet mooier kan. Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en binnengluren, zoo'n schik heb je er aan.--Met je oogen dicht weet je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in 't midden, en dat staat in dien of dien hoek.

Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met beî haar open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet eens vinden, wat ze noodig had.--'t Leek wel, of 't linnengoed op zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen ging op plaatsen, waar het in 't geheel niet behoorde. Rokken hadden zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen verdwaald, zakdoeken speelden verstoppertje zoowat overal tusschen 't goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms, gedeukt in een' hoek. 't Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over gespeeld hadden met de stapels goed--dat ze daarbij soms losgegaan waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls ze iets uit haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden!