Zonnestralen in School en Huis

Chapter 10

Chapter 104,401 wordsPublic domain

"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul, "en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd te vergeefs."--"Neen, ik zelf niet," zei het oude vrouwtje, "maar misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren, die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan wijzen." Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op een bed van eikeblaren te rusten.

Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen: alle vroegen, wat de koningin beliefde. "Is er iemand onder jullie," vroeg de koningin, "die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?"--Toen volgde er een overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: "Je ziet, dat ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je dat niet te ver?"--"O, neen," riep Paul, "niets is me te ver, als ik maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden raad en stap nu maar dadelijk verder."--"Goede reis!" riep het oude, oude vrouwtje, "en hou' maar moed!"

Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: "wie volhoudt, moet winnen!" En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam weer op een' avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde.

"Nu zal ik er zijn," dacht hij, "maar waar moet ik nu wezen?" Daar zag hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja--daar stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen--de andere oude vrouwtjes zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is.

"Dag, oud, oud, oud, Moedertje," zei Paul. "Hoe is het toch wel met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters, de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen."

"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude vrouwtje. "Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak."

"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik zoek het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt, het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen, lief Moedertje?"--"Ik? neen!" schudde het oude vrouwtje, "maar ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je helpen."--"Dat hoop ik van harte," zei Paul. "Maar mag ik hier één' nacht uitrusten?"--"Zeker," zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker door het luiden van eene groote klok.

In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars--te veel om te noemen en alle vroegen: "Wat beveelt Uwe Majesteit?"--"Ik heb jullie hier geroepen," zei de koningin, "om te vragen, of een van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?" De vogels bedachten zich eene heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude vrouwtje boos. "Wat!" riep ze; "jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt, weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar--ben jullie er wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!" Neen, de vogel Phoenix was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. "Maar, dat is ongehoorzaam," riep de koningin boos. "Daar komt hij! daar is hij!" riepen op eens alle vogels. En ja--daar kwam de vogel Phoenix aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos: "Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?" De arme vogel had eerst eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: "O, Koningin, wees niet boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver, heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt."--"Zoo," zei de koningin, "nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts."

Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul zette zich op zijn' rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie, dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel."--"Dat is het land, waar we naar toe moeten," zei de vogel. En weer ging het verder, altijd verder.

't Werd avond. Weer vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," zei Paul, "ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als de zon zelve." De vogel zei: "Dat is het paleis, waar we naar toe moeten." Weer verder, altijd verder.

Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: "Zie je niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie een groot paleis, dat glanst van goud en zilver."--"Nu zijn we er!" riep de vogel, en hij zweefde naar beneden en liet Paul van zijn' rug stappen. Paul wist niet, hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls oogen verdwenen.

't Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde, waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. "Ga toch eens kijken," zei ze tegen eene van de hofdames, "wie daar zoo laat nog klopt." Toen nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul vlug een' van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot vallen en vloog naar de prinses. "O," riep ze, "die allerbeste vriend is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold, dien ik hem vroeger heb gegeven." De prinses kon niet gelooven, dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te kijken. Weer rolde Paul een' gouden appel door de kier van de deur; 't was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar eigen appel en vloog er mee naar de prinses. "O," riep ze "daar is die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb gegeven." Nog kon de prinses het niet gelooven. "Hoe zou die ooit hier kunnen komen!" riep ze. "Wacht, ik ga zelve kijken." Voorzichtig deed ze de deur op eene kier en vroeg: "Wie is daar?" Toen reikte Paul haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal, dat hij zoo'n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.

"Maar hoe nu verder," zuchtte de prinses. "Als de reus, die zoo'n booze toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars, die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten."--"Laat mij maar begaan," riep Paul, "ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!" De prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.

Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte, om. Hij riep met krachtige stem: "Waar is de reus, die de lieve prinses gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!" De reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets; maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie het hoofd af. En Paul riep maar weer: "Waar is het leger, dat de reus wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen, zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!"

Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de prinses. "Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk vrij?" riep de prinses! "O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of--of het moest wezen, dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn."--"Waar zijn ze begraven?" riep Paul. "Kom, ik wil zien, wat ik met mijn tooverzwaard kan doen."

Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en--de eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde, die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning moest worden. "Ja," riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den troon en allen riepen: "hoera!" En de drie oude vrouwtjes werden op den rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.

En nu mag jullie zeggen: "Die Paul!" En dan zeg ik: ja, van "die Paul" kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden wel zoo ver komt in de wereld--wel zoo ver als het paleis ligt ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun je vast op rekenen.

JUIST GOED!

Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een' stal er bij. Het had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk, de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen werden leeger en leeger.

Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte, dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer minder te bergen hadden.

Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde er van.--Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen, het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet, het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.

Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker: alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer: alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier, hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn' dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den morgen tot den avond--het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had, verkoopen. 't Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en--ze stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond, waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was, uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.

De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken, om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed; maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld en goed; maar rijk aan liefde en medelijden.

Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn' rijkdom niet. De rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat het zijn' broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte de rijke.--Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd, verheugde de arme zich in 't geluk van den rijke.

Nu hoor, wat er gebeurde.--Het stukje grond, dat de arme bij zijn huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte, om den grond los te maken; maar 't hielp alles niets. 't Was, om er heelemaal den moed bij te verliezen.

"Eéns wil ik het nog probeeren," zuchtte de arme, "en als het nu niet lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen." Wat zou het zijn voor 't laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij, 't moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging, of hij er ook nog niet van verkoopen kon!

Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen, of het opkomen zou.

En het _kwam_ op. Maar hoe! Och, 't was dezelfde treurige geschiedenis van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: "kon je ons in geen beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?" Treurig schudde de arme het hoofd. "Er komt niets van terecht," zuchtte hij.

Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was, dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag, werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder, dat er gebeurde op zijn' akker.

Eens op een' morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets kon groeien op _zijn'_ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, 't moest toch zoo zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. "En," dacht de arme met vreugde, "als de bladeren en stengels zoo forsch zijn, wat zal er dan eerst voor een' wortel aan zitten!" Ja, hoe groot zou toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? 't Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben, uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet: de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde te nemen. Maar kijken naar zijn' schat, dat mocht, en dat deed de arme dan ook trouw, 's Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw, onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot de oogen hem dichtvielen. 's Avonds, als hij moe van 't werk kwam, zette hij een' stoel op den akker en rookte er zijn pijpje.

En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag _zag_ groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte, hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart van hoop en verlangen.

Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd, hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze _moest_ hem geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het: het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu omhoog. "Wat zou er toch gebeurd zijn?" dachten de menschen. Niemand wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.

Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade bekeken. En hij had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast aangedraaid. Toen was hij gaan slapen en had gedroomd, dat er maar een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene vuist. Verschrikt was hij wakker geworden. Gelukkig--'t was maar een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef en groef, tot hem het zweet van 't gezicht druppelde. Niet dat het werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller en sneller ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven, dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang, dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar altijd niet aan 't einde. Op 't laatst was de kuil zoo wijd, dat hij er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er rechtop in stond, nog maar even met zijne handen den rand raken kon.

Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den arme glinsterden van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en, keek naar de raap, alsof hij nog nooit in zijn leven zoo iets moois gezien had of zien zou.

Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol doen zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was en dat ze groeide, zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het groeien kon hij nu niet meer hebben. De aarde was eenmaal losgewoeld, daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de hoogte van den knol mee. Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te weten. Maar wat te doen met zijn' schat!

Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben: hij was maar alleen, 't zou een heele voorraad voor hem zijn. Maar neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem te lief.

Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen zeggen: "Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met zoo'n heele groote, waar we haast geen' weg mee weten!" Neen, zóó zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken.

Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat willen? Als de menschen op' het dorp hoorden, wat er te doen was, wel, dan liepen ze vanzelf naar zijn' akker, om ongevraagd te kijken, en hij kon ze toch niet wegjagen.--Neen, neen, dat was alles het geluk niet.

De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij van moeheid na de groote inspanning in slaap. En weer had hij een' droom. Hij droomde, dat zijne raap een gezicht en armen en beenen gekregen had en, dat ze nu zat op een' troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden staf in de hand. Om den troon stonden in een grooten kring eene heele menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke raap. De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf, en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: "Leve onze koningin, hoera voor de koningin van de koolrapen!"