Part 6
Bram, z. n. v. -- of Bramzeil, z. n. o. -- Het zeil boven het marszeil: vroeger het hoogste zeil op een mast, dat men by stil weer opzette. "Daer by compt nog, dat men de schepen maekt mars boven mars, bramseyl boven bramseyl, alles streckende alleen om syraet en oppronck, ende nyet tot bequaemheyt, jae streckende tot groote onbequaemheyt, alsoo hierdoor de schepen soo rank worden gemaeckt, dat het onderste geschut nyet en kan gebruyckt worden daer mede het meeste, jae alle het gewelt moet gedaen worden." Memorie ende Aenwysinge hoe dat Lants schepen best souden dienen gebout om den vyant den meeste afbreuck te doen. Men voert heden niet alleen B--zeilen, maar ook BovenB--zeilen. De B--zeilen worden gevoerd tusschen de B--raas en de Marseraas. Zy worden onderscheiden in 1o. Voor B--zeil, dat aan den fokkemast, 2o. Groot B--zeil, dat aan den grooten mast, 3o. Grietjen, dat aan den kruismast gevoerd wordt.
Spreekwijze: Hy voert B-- boven B-- (hy maakt veel uiterlijke vertooning).
Hy is een rechte B-- (hy is een windmaker, een bluffert).
Bramsteng, z. n. v. -- De mast van het Bramzeil, en alzoo verlenging van de steng.
Bramzaling, z. n. v. -- De mars van de steng.
Bramzeil, z. n. o. -- Zie Bram.
Bramzeilskoelte, z. n. v. -- Een matig windtjen, waarby de schepen Bramzeil kunnen voeren.
Bramzijgertjen, z. n. o. -- of Brandezijgertjen: naam, dien de visscherslieden geven aan de fosforieke dampen, die nu en dan uit zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien.
Brandaris, z. n. m. -- 1o. Groote lantaren, hangende onder de mars van het Amiraalschip.
2o. Vuurtoren. De B-- van ter Schelling. Zie Kustlicht.
Branden, b. w. -- Een schip met brandend riet zengen om den worm te verdrijven.
Branden, o. w. -- Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy schuimende over droogten en klippen heenrolt.
Brandrol, z. n. o. -- Lijst van hen, die, aan boord, tegen Brand moeten waken.
Brander, z. n. m. -- Een vaartuig, toegerust met buskruit en andere ontvlambare stoffen, 't welk op de vyandelijke bodems wordt afgezonden om die in brand te steken of te vernielen.
Spreekwijze: Een B-- aan boord krijgen (in groot gevaar verkeeren).
Het is een B-! hou af (laat u niet met hem in).
Brandhaken, z. n. m. mv. -- Haken, waarmede men Branders afweert.
Branding, z. n. v. -- of Barning. Het op- en nedergaan der woelende golven, waar zy tegen het strand of de banken breken, en daardoor het landen bemoeilijken.
Spreekwijze: Hy geraakt in de B-- (in verlegenheid). B-- in lij! (dadelijk wenden, 't gevaar ontwijken!)
Brandstof, z. n. v. -- Al wat tot verwarming of verbranding dient.
Brandijzer, z. n. o. -- Haardijzer, of Wolfsklaauw: IJzer, waarmede men aan de buitenhuid van een schip, by 't Branden, haar fatsoen geeft.
Bras, z. n. m. -- Men geeft dien naam aan twee touwen, die, elk aan een der beide uiteinden eener ra gehecht, dienen om deze om de masten, waar zy aan hangen, te doen draaien, ten einde aan de zeilen zoodanige richting te geven als de omstandigheden vorderen. Groote B--sen (der groote raas). FokkeB--, MarseB--, BramB-- enz. LoefB-- (die aan de windzijde is) LyB-- (die aan de tegenovergestelde) Stuurboords of BakboordsB-- (die rechts of links is. Looze B-- (die uit voorzorg nevens een anderen gesteld wordt). Een B-- aanhalen, vastmaken, beleggen. Den LoefB-- stijf aanhalen.
Spreekwijze: Hy heeft er den B-- aan (Hy wil er niet meer aan doen;--omdat als men de zeilen zoo na mogelijk by-de-wind gezet heeft en de B--sen dus "aanstaan"; men, te dien opzichte althands, het mogelijke verricht heeft).
De B--sen vastzetten (In de richting blijven).
Een wilde B-- (Een wildzang: omdat een B--, die los is, in 't wilde hangt, en heen en weêr wappert).
Brasklamp, z. n. m. -- Zie Stootschaal.
Brasschenkels, z. n. m. -- Enden touw, die aan den kop van den mast hangen en waaraan het blok is gesplitst, door 't welk Brassen loopen.
Brassen, o. w. -- Zie Aanbrassen, Opbrassen, Breedtuigen.
Breêboeg, z. n. m. -- (veroud.) Schip met een breeden Boeg.
Breed, bw. -- Zijlings, van ter zijde. B-- liggen (De zijde bieden, 't zij aan een ander schip, 't zij aan den wind).
Breede wimpel. -- Zie Wimpel.
Breedte, z. n. o. -- of Poolshoogte. Noorder- ZuiderBreedte.
Breedte der kiel, z. n. v. -- De afstand tusschen de zijvlakken in het midden der kiel.
Breedtuigen, bw. -- Of Vierkant Brassen: De zeilen zoodanig uitzetten, dat zy zich in 't vierkant aan den wind blootstellen.
Breêfok, z. n. v. -- Een groot zeil van licht doek, dat, op kleine vaartuigen, gebezigd wordt om voor-de-wind te zeilen.
Breêgang, z. n. m. -- Dat gedeelte van de buitenhuid by linieschepen, 't welk tusschen het bovenbarghout en onderbarghout begrepen is.
Breekbeitel, z. n. m. -- of Steekbeitel. Een werktuig, bestaande uit een plat, smal en gekromd ijzer, aan een staaf gehecht, en waarmede het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken gekrabt wordt.
Breekstoppers, z. n. m. mv. -- of Springstoppers. Halfsleten Stoppers, die by harden wind op het ankertouw worden gezet, om het geweld van den eersten schok te breken, als het schip voor zijn anker opdraait.
Breekwater, z. n. o. -- Waterkeering: Een hoofd, waar de golven op breken en de sloepen dus veilig achter kunnen liggen.
Breekijzer, z. n. o. -- Schietbeitel of Fermoirbeitel. Soort van grooten Beitel, dienende om keepen te maken.
Breeuwen, b. w. -- Kalefaten: De reten, naden, spleten en voegen met werk dicht stoppen.
Breeuwer, z. n. m. -- Die met het Breeuwen of kalfaten belast is.
Breeuwhamer, z n. m. -- Zie Hamer.
Breeuwstoel, z. n. m. -- Een plank, die buiten boord hangt, en waar de Breeuwer op zit als hy zijn werk verricht.
Breeuwijzer, z. n. o. -- Zie IJzer.
Breken, o. w. -- Wordt van de golven gezegd, als zy tegen klippen of rotsen stuiten en uit elkander spatten. De zee, de golven B-- op die rots.
Breker, z. n. m. -- voor Golf. De B--s slaan over de hooge rotsen heen.--Een B-- aan boord krijgen. (Een golf, die boven het boord Breekt en op het schip stort).
Bridsen, b. w. -- of Laarzen. Iemand met een eind touw op de natgemaakte broek kastijden.
Brieven van schadeverhaling, z. n. m. mv. -- Brieven, waarby door den Soeverein het recht gegeven werd, om den vyand afbreuk te doen op zee.
Bries, z. n. v. -- Koelte, wind. Het waait een stijve B-- (Er waait een frissche wind).
Briesjen, z. n. o. -- Een klein windtjen. Dat B-- was juist genoeg om ons in de haven te brengen.
Brigantijn, z. n. m. -- Italiaansch vaartuig, oorspronkelijk een roofvaartuig, gelijk de naam (Briganten-schip) aanduidt; doch later voor alle kleine onoverdekte vaartuigen genomen.
Brik, z. n. v. -- Met Brigantijn verward; doch verkeerdelijk. B-- is van 't Fr. barrique, "last" en beduidt dus oorspronkelijk Lastschip. Thands geeft men dien naam aan een groot vaartuig met twee vierkant getuigde masten. Groote B--, B-- van 18 stukken. AdviesB--, B-- van 8 stukken.--SchoenerB--, KanonneerB--, OorlogsB--, KoopvaardyB--, KorvetB--, B-- met barkstuig.
Brikzeil, z. n. o. -- Voornaam zeil, 't welk de Brikken en andere vaartuigen achter den grooten mast aan een gaffel en boom voeren.
Bril, z. n. m. -- (veroud.) Uitgesneden hout op den overloop, ter plaatse alwaar de kolderstok droog of in den draaiklos staat: Ook wel de klos zelf.
Britsen, b. w. -- Zie Laarzen.
Broek, z. n. v. -- of Twil. 1o. Stuk hout, dat de vrangen van een schip kruist, wanneer deze uit twee tegen elkander gestelde stukken bestaan.
2o. of Broeking. Zeildoeksche bekleeding.
Broeking, z. n. v. -- 1o. Een zwaar touw, dienende om het terugloopen van een stuk geschut te voorkomen.
2o. Zware takel, met een katrol aan het einde, en in het midden vastgehecht aan den achtersteven van een op de werf liggend schip, en dienende om dit by 't van stapel loopen naar 't water te doen glijden.
3o. Zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten. B-- van den mast, van het roer, enz.
4o. Zeildoeksche zoom, die tegen den vlaggestok aankomt, om de vlag te versterken.
Broekstuk, z. n. o. -- 1o. Dat gedeelte van een kanon, dat zich achter de tappen bevindt. Zie Bodemstuk.
2o. 't zelfde als Broek: zie ald.
Broodkamer, z. n. v. -- Waar het scheepsbrood (de beschuit) wordt bewaard.
Broodwinder, z. n. m. -- Vinnetjen, achtergaffelzeil. Zeil, dat achter de bezaan wordt geheschen.
Bruischen, o. w. -- Geraas, dat de golven maken, wanneer zy door wind of storm bewogen worden.
Bugalet, z. n. o. -- Klein tweemast-vaartuig, dat op de kusten van Finisterre de dienst van lichter en transportschip doet. Het heeft een fok en een groot vierkant zeil, daarboven een marszeil en voert een of twee kluivers.
Bui, z. n. v. -- Vlaag, slecht weer. Een regenB--, een hagelB--, een stormB--.
Spreekwijze: Een kwade B-- hebben, (Norsch, gemelijk, driftig zijn).
Een goede B-- hebben, (Opgeruimd vriendelijk zijn).
Buiig, b. n. -- Ongestadig, regenachtig, winderig. 't Is B-- weer.
Spreekwijze: B-- weer, klein zeil, (In onzekere zaken moet men niet te veel wagen).
Buik, z. n. v. -- Ronding. De B-- van een zeil (de bolvormige gedaante, welke het aanneemt, wanneer het door den wind is opgezet: ook de ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra. De B-- van een schip (de ronding van een schip). Op zijn B-- zeilen (op zij zeilen).
Buikdenning, z. n. v. -- Zie Weger.
Buikgording, z. n. v. -- Gording of touw, op een derde van het lijk vastgemaakt en dit aan de ra verbindende.
Buikseizings, z. n. v. mv. -- Breede en platte touwen, die een dichtgerold zeil tegen de ra vastklemmen.
Buikstukken, z. n. o. mv. -- Naam, die op sommige plaatsen aan de vrangen gegeven wordt. Zie Vrang. Meer algemeen echter noemt men B-- of Oplangers die verlengstukken, welke by den aanbouw van een schip op de uiteinden der halve vrangen geplaatst worden. Zy onderscheiden zich in Onder en BovenB--
Buikweger, z. n. m. -- Zie Weger.
Buis, z. n. v. -- 1o. Geleibuis, koker.
2o. Kleedingstuk: rok zonder panden. Een duffelsch B--. Een matrozen B--.
3o. Vaartuig, dat meer in 't byzonder gebezigd wordt tot de haringvangst. Zie Haringbuis.
Buisch, b. n. -- Dampig, nat, en donker. B-- weer.
Buisharing, z. n. m. -- Haring, die met buizen gevangen wordt.
Buislichter, z. n. m. -- Groote lantaarn op het hek boven de kampanje.
Buisman, z. n. m. -- Zeeman, die op een Buis ter haring vaart.
Buit, z. n. m. -- Roof, op den vyand behaald.
Spreekwijze: Of B-- of slagen.
Buiten, bw. -- Naar buiten: in zee. De schepen zijn naar B-- gezeild. Zij zijn B-- de haven gebracht.
Buiten gaats, bw. -- In volle zee: het zeegat uit. De schepen zijn B-- G--.
Buitenkluiver, z. n. m. -- Driekant zeil, waarvan de eene zijde langs den leier gaat, die van den kop der fokkesteng naar het kluishout loopt. Zie Kluiver.
Buitenloods, z. n. m. -- of Kustloods. Loods, die de schepen over de buitenwateren brengt. Zie Loods.
Buitensteiger, z. n. o. -- Steiger, die aan zee of aan de haven ligt.
Buitenvertuining, z. n. v. -- Gedeelte der buitenhuid, tusschen het potdeksel en den uitgang van het rahout.
Bulkhoofden, z. n. o. -- (veroud.) Schotten, welke men dwarsscheeps in het hol zette, op dat de ingeladen waren òf de ballast niet verschieten zouden.
Bulletouw, z. n o. -- Los end touw, van een haak voorzien, en dienende om tijdelijk de fokkehals op den kraanbalk te bevestigen, ook om den bezaans-brik-kotterboom, by het overslaan van het zeil, tegen den schok te behoeden.
Bultzak, z. n. m. -- Bed van kaf, door de zeevisschers gebruikt.
Bun, z. n. v. -- Zie Beun.
Bunschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede de zeevisch levend vervoerd wordt.
Burghaak, z. n. m. -- Soort van Stuik. Zie ald.
Bus, z. n. v. -- 't Zelfde als Bos, Buis, Koker; doch meer bepaaldelijk:
1o. Een blikken doos, dienende tot bewaring van licht aan bederf onderhevige waren, of proviand, by lange zeereizen.
2o. De oude benaming van alle soort van schietgeweer en soms ook
3o. Het schietgeweer zelf.
Bushuis, z. n. o. -- (veroud.) Zeemagazijn, Arsenaal.
Buskruit, z. n. o. -- of alleen Kruit of Buspoeder. Licht ontvlambaar mengsel van houtskool, salpeter en zwavel, en aldus genoemd naar zijn voormalige bestemming, om door zijn ontploffing den kogel door een bus voor hem uit te drijven.
Spreekwijze: Hy vliegt op als B-- (hy is licht in drift ontstoken).
Busschieter, z. n. m. -- (veroud.) Iemand die met een Bus schiet. Voorheen aan boord dezelfde als de Konstabelsmaat.
By, bw. -- B-- laten komen (meer daarheen zeilen, waar de wind van daan komt).
By-de-wind, bw. -- Wordt gezegd, wanneer de raas gebrast en de zeilen uitgezet zijn en met de kiel een scherpe hoek maken. Dicht B--, scherp B-- zeilen (wanneer die hoek zoo scherp mogelijk is). B-- brassen, opheven, opsteken. Zie Brassen, enz.
Bydraaien, o. w. -- 1o. Onder den wind draaien, met een marszeil vol en een tegen, ten einde het schip langzaam te doen voortgaan.
2o. Gedwongen naderen: Wy noodzaakten hem by te draaien. Dat schip wilde het klaringsvaartuig ontzeilen; maar een schot met los kruit bracht hem tot andere gedachten en deed hem B--.
3o. In 't gevecht B-- is: zich overgeven.
Spreekwijze: Hy draait by (hy drijft zijn opzet niet door, volhardt niet in zijn meening, geeft het op.)
Voor de nacht B--, om den wal niet te na te komen (tijdige voorzorg nemen).
Byhalen, b. w. -- of Byzetten. 1o. De zeilen bybrengen en ter windvang stellen.
2o. Losjens overschilderen. Een sloep buiten om te laten gaan, ten einde de kale plekken met teer of verf te laten B--. Binnen boord der oorlogschepen is het gebruikelijk, des Saturdags aan boord de kale plekken te laten B--, om 's Zondags mooi te zijn.
Byhaven, z. n. v. -- Zie Haven.
Byhouden, b. w. -- Op dezelfde hoogte blijven. Dat schip is een luie zeiler: het kon de vloot niet B--. Ook 2o. Naderen. Een schip doen B-- (het doen naderen).
Bijl, z. n. m. -- Timmermansgereedschap, bestemd om er mede te houwen en te kappen; doch ook aan boord bovendien in gebruik, zoo als wapentuig. (Zie Enterbijl), als om, in geval van nood, en wanneer spoed vereischt wordt, kabels, stengen of masten mede door of om te hakken. Zie Kappen.
Den Bijl voor den kop krijgen (afgekeurd worden). Zie Afkeuren.
Spreekwijze: Hy hakt er met een breeden of groven B-- in (hy maakt veel verteering: ook wel: hy snijdt geweldig op).
Den B-- voor den kop geven (afkeuren).
Bijl, z. n. m. of Bijltjen, z. n. o. -- Bynaam, waarmede de timmerman aan boord door het volk wordt geroepen of aangesproken. Het Bijltjens oproer (bekende oploop der Kattenburgers, die voornamelijk uit scheepstimmerlieden bestonden).
Bylander, z. n. m. -- Platboomd vaartuig, voornamelijk voor de vrachtvaart bestemd en byna als een snaauw getuigd.
By laten komen, b. w. -- 't Schip aan den wind laten komen.
Bijlbrief, z. n. m. -- Zoo werd, naar het oude recht, de akte genoemd, waarby hy, die een schip kocht, en de kooppenningen niet geheel kon voldoen, het schip voor het overige verbond.
Byleggen, o. w. -- Onder klein zeil met dichtgereefde zeilen en aangebraste raas het schip zoo dicht mogelijk aan den wind houden, om het tuig van het schip met stormweer niet te vermoeien; daar anders het tuig van boven neder, of het schip uit elkander, zoû werken.
Van top en takel B-- (met aangebraste raas B--). Men gaat B-- (wanneer men het, voor-de-wind zeilende, met achteroverstaande zeeën niet meer houden kan, of dat men het in-de-wind heeft). Voor het groote zeil B--. Onder groot-stagzeil B--. By blijven liggen.
Bylegger, z. n. m. -- 1o. Schip, dat bylegt. Het is een goede B-- (het kan goed Byleggen).
2o. Schip, naar elders bestemd, met hetwelk men uit zee binnen valt uit nood of om te overwinteren: of ook een schip, dat geen bepaalde bestemming heeft en waarmede men een zeehaven aandoet om nader last te ontfangen. De bepalingen omtrent de B--s vindt men in de Alg. wet, van 26 Aug. 1822, vierde Hoofdst. art. 25-29.
Spreekwijze: Hy is een B-- (hy draait by. (Zie Bydraaien) ook: hy speelt op zien komen).
2o. Tegenwind, die belet zeil te voeren.
Bystaan, o. w. -- Wordt van de zeilen gezegd, als zy op hun plaats geheschen en gespannen zijn. Dat schip heeft geen enkel zeil B--.
Bysteken, b. w. -- Het schip met den kop aan den wind laten komen om by te draaien of by te gaan liggen.
Bijt, z. n. v. -- Wak, opengehakte plaats in het ijs.
Spreekwijze: Als een eend in de B-- vallen (ergends by ongeluk inraken).
Bijten (in of uit), b. w. -- Een schip, dat buiten of binnen de haven in 't ijs bezet is, door het hakken van bijten of sloppen in 't ijs, weder brengen waar het wezen moet.
Byvieren, b. w. -- Laten schieten. Zie Vieren.
Byvoet, z. n. m. -- (veroud.) of Smeerrak; touwrak tot onderra.
Byzaadhout, z. n. o. -- Stukken hout, aan den voet van den grooten mast, evenwijdig met het Zaadhout geplaatst, en dienende tot steun voor het spoor van den grooten mast.
Byzeilen, z. n. v. mv. -- Hulpzeilen.
Byzetten, b. w. -- Uitspannen. Een zeil B-- (het op zijn plaats brengen en spannen) alle zeilen B--.
Spreekwijze: Alle zeilen B-- (spoed maken).
De zeeman zet gerust dan alle zeilen by En troost zich met de gonst der winden en 't getij.
Vondel.
C.
Zoek de woorden met Ca, Co en Cu gespeld op Ka, Ko, Ku.
Chebek, z. n. m. -- Soort van vaartuig, in de Middellandsche zee in gebruik, even als een feloek met latijnzeilen getuigd.
Cherteparty, z. n. v. -- of vrachtbrief. Akte van overeenkomst tusschen den vervrachter en de bevrachters opgemaakt, en waarin vermeld worden: de naam en de grootte van het schip: de naam van schipper, vervrachter en inlader: de plaats en de tijd, tot lading on lossing bepaald: of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt: eindelijk, de bedongen schadeloosstelling ter zake van vertraging. Zie art. 454, 455 Wetb. v. Kooph.
Cirkel, z. n. m. -- Kring, koers, omtrek, door een kromme lijn beschreven, wier punten alle even verre van het middelpunt verwijderd zijn.
Cingelgrond, z. n. m. -- Bodem of grond van de zee, die noch zand noch slijk bevat, zoo als die onder den Engelschen wal by de Cingels.
D.
Daagsch anker, z. n. o. -- Het Anker, dat het meest gebruikt wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart.
Daagsch Touw, z. n. o. -- Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker gebruikt wordt. Zie Legger en Volger.
Dag, z. n. m. -- 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het heeft den gandschen D-- geregend: eerst met het opkomen der maan is de lucht opgeklaard.
2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen by D--en. Er is nog voor tien D--en water. Er is niet meer dan voor vijf D--en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz.
Dag, z. n. v. -- Wordt genomen voor het end touw, waarmede de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends Bilderdijk zoû 't woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel, dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is 't hetzelfde woord als degen en 't werd in 't Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend, waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt, heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen te worden afgestraft.
Dagboek, z. n. o. -- Zie Dagregister.
Dagen, o. w. -- Dag, worden, licht worden. Het begint te D-- (de schemering breekt door).
Dagge, z. n. v. -- (veroud.) Entertouw voor de matrozen.
Dagregister, z. n. o. -- of Journaal. Register, hetwelk de schipper verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: "de gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen: de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven." Zie Wetb. v. Kooph. art. 358.
Dagseinen, z. n. o. -- Zie Sein.
Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. -- De manschap door trommelslag opwekken. De D-- wordt in de Dagwacht geslagen.
Dagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord, die van 's morgens 4 tot 8 uur duurt.
Daling, z. n. o. of Pompdal. -- Een koker of buis, die van boven tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten.
Dam, z. n. m. -- 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt.
2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te stuiten. 't Is in zijn oorsprong 't zelfde als Toom. Hiervan
Damlooper, z. n. m. -- Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.
Dammen, b. w. -- Met een Dam sluiten.
Geweld van ketenen en krammen, Noch palen om de zee te dammen, Noch zeekasteelen op de strand, Vol solferblakend ingewand, Zijn machtig om den Leeuw te temmen.
Oudaen. De Leeuw bevredigt.
Damp, z. n. m. -- Alle wasem, doch in 't byzonder de rook door het geschut veroorzaakt.
Davids, z. n. m. mv. -- IJzeren standers aan de zijden van het achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen.
Deelen, z. n. o. mv. -- Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald.
Deelbalie, z. n. v. -- Zie Loodlijnbalie.
Deining, z. n. v. -- Golvende beweging die, na het ophouden van den wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er staat D--. De D-- is zeer zwaar, de D-- gaat hoog.
Deinzen, o. w. -- Afloopen, teruggaan. Het D-- der golven (het stooten der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee, Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D-- van het schip (het teruggaan van het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en 't schip niet doordraait).
Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan boord--draait men het op de andere zijde--(als het niet gelukken wil wendt men het uiterste middel aan).
Deinzig, b. n. -- Dampig, nevelachtig. Een D--e lucht.