Part 5
3o. 't Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich bevindt, en 't welk is afgescheiden van den ziekeB--.
Spreekwijze: Iemand dwars voor den B-- komen (iemand in zijn gang stuiten, tegenhouden).
Op één B-- zeilen (eene streek houden).
Het op een anderen B-- wenden (van koers veranderen, iets op een andere wijze doen dan te voren).
Het moet over dien B-- gaan, of gewend worden (die streek moeten wy houden, op dien voet moet het beproefd worden).
Het over alle B--en wenden (alle middelen by de hand nemen).
Wy krijgen al het geld op een B-- (gelijktijdig, niet by gedeelten).
Een mensch met een breeden B-- (een deftig mensch).
Dan scheen zy met een breeden boeg Het vlot voor uit te trekken.
Bilderdijk. Elius.
Boeganker, z. n. o. -- Een der vier of vijf ankers aan boord.
Boegband, z. n. m. -- Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg, dienende tot steun der dekken.
Boegen, o. w. -- (veroud.) Varen, zeilen.
Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost.
J. de Marre.
Boeghouten, z. n. o. mv. -- Die lengten van het Barghout, die niet gebogen worden.
Boegkruisen, o. w. -- Het water met den Boeg kruisen, alzoo Laveeren. Zie ald.
Boeglegger, z. n. m. -- (veroud.) De schipper of het schip, dat het eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet.
Boegmal, z. n. m. -- De Mal of vorm van den Boeg.
Boegpomp, z. n. v. -- Pomp om zout water te slaan, gebruikt by 't schoon schip maken.
Boegseerboot, z. n. v. -- Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet wordt.
Boegseeren, b. w. -- Met behulp van sloepen van plaats doen veranderen. De sloepen zijn aan het B--. (zy trekken een schip aan touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen dan met behulp van sloepen, die hen B--.
Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half dronken) binnen gekomen).
Boegseertros, z. n. v. -- Tros, waar de sloepen by 't Boegseeren aan gespannen zijn.
Boegslag, z. n. m. -- Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg.
Spreekwijze: Met een B-- (met een slingerslag, met een gelukjen.)
Boegspriet, z. n. m. -- Spriet of lange mastboom, die voor op den Boeg uitsteekt en waarvan de bestemming is de zeilen verder buiten boord te kunnen brengen: ook dient hy tot voornamen steun van het tuig: waarom hy ook wel "sleutel van het tuig" wordt geheeten. Met den B-- over het hek liggen (wordt gezegd van een schip, welks B-- niet verder dan het dubbel zijner lengte van den achtersteven eens anderen vaartuigs verwijderd is). Met zijn B-- in het want van een ander schip onklaar raken.
Boegsprietbanden, z. n. m. mv. -- IJzeren Banden, die om den koning en de schalen van den Boegspriet heensluiten.
Boegsprietkam, z. n. m. -- Klampen, dienende om het verschuiven der kragen van de fokkestags te beletten.
Boegsprietkussen, z. n. o. -- of spoor van den Boegspriet. Zie Boegsprietspoor.
Boegsprietspoor, z. n. o. -- of Oven, z. n. m. -- Twee staande stukken houts, waar het ondereinde van den Boegspriet op rust.
Boegsprietsprong, z. n. m. -- De hoek, dien de Boegspriet met de waterlijn maakt.
Boegsprietstijlen, z. n. m. mv. -- De Stijlen, die tot stut van den oven of het spoor van den Boegspriet dienen.
Boegsprietviolen, z. n. m. mv. -- of Vioolstukken. Platte stukken houts, tegen het vooreinde van den Boegspriet aangebracht.
Boegsprietwoeling, z. n. v. -- Najing of Sjorring. Touw, waarmede de Boegspriet omwoeld of verbonden is aan dat gedeelte onder de scheg, 't welk den naam draagt van Woelingknie.
Boegstag, z. n. o. -- Touwwerk, dienende om den Boegspriet zijdelings te steunen.
Boegtouw, z. n. o. -- Wanneer een schip gemeerd ligt met een anker vóór en achter, wordt aan het voortouw de naam van B-- gegeven.
Boei, z. n. m. -- Drijvend stuk hout of kurk, takkebos of ledige ton, in den regel een ovaal waterdicht vat, met groote hoepels beslagen, en dienende om de gevaarlijke plaatsen, klippen, wrakken, enz. of de plaats, waar een anker gezonken is, aan te wijzen. Houten B--, Kurken B--, AnkerB--, TonneB--. Klare B--, (die gereed gehouden wordt om in 't water geworpen te worden op het oogenblik dat het anker zinkt). ReddingB-- drijvend lichaam van kurk, wasdoek enz., dat men aan een man, die in 't water valt, toewerpt, opdat hy het aangrijpe en er zich mede boven houde tot dat een sloep hem hulp brengt.
Spreekwijze: Hy heeft een kop als een B-- (een hersenloozen kop).
Boeien, z. n. m. mv. -- De ijzers, waarin een matroos wegens misdrijf gesloten wordt. Iemand in de B-- sluiten.
Boeien, b. w. -- of Opboeien. Het scheepsboord met planken hooger maken. Zie Geboeid, Opboeien.
Boeier, z. n. m. -- Klein lastschip, dat voor en achter is Opgeboeid, van waar het zijn naam heeft. Het komt in vele deelen met een Smak overeen. De Hollandsche jachten zijn onder dien naam beroemd.
Spreekwijze: Een B-- is een zeeknoeier:--om dat een B-- minder geschikt is om zee te bevaren; maar daarentegen zeer bekwaam voor de binnenvaart.
Boeiketting, z. n. v. -- Ketting, die een Tonneboei aan zijn anker verbindt.
Boeiklamp, z. n. v. -- Plank, die op de naden van een schip gespijkerd wordt, om het binnendringen van het water tegen te gaan.
Boeireep, z. n. v. -- Touw, dat den Boei met het anker verbindt. Zie Reep.
Boeireepknoop, z. n. m. -- Knoop, waarmede de Boeireep op het anker bevestigd wordt.
Boeisel, z. n. o. -- Planken, waarmede een schip wordt opgeboeid.
Boeitang, z. n. v. -- Tang, waarmede planken als aan elkander vastgeboeid worden.
Boekanier, z. n. m. -- Naam, die vroeger door Z. Amerikaansche zeeroovers gedragen werd.
Boekhouder, z. n. m. -- Naam, door de visschers onzer zeedorpen aan den reeder gegeven, als zijnde hy het uitvoerend bewind in alle zaken, de vangst betreffende.
Boelijn, z. n. v. -- Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante zeilen meer aan den wind te halen als men by-de-wind zeilt. Men zegt in 't mv. niet Boelijnen maar Boelijns.--LoefB-- (die aan de windzijde staat). LyB-- (die onder den wind is). Vaste B--s (die zoo stijf staan als zy kunnen). Haal uit de B--s! (komm.). Met de B--s uitgehaald zeilen (scherp by-de-wind zeilen). Zie Magerman.
Boelijnspruiten, z. n. v. mv. -- of Leuvers. Touwen, die in den vorm van een hanepoot het loeflijk van de zeilen met de Boelijn verbinden.
Boeri, z. n. v. -- Soort van riviervrachtschip in Bengalen.
Boeten, b. w. -- Verbeteren, gelijk Boete "betering" beteekent. Netten B-- (de gescheurde mazen herstellen).
Boevenet, z. n. o. -- Vroeger heette B-- een net, van traliewerk gemaakt, dat over de opening van een schip geplaatst werd en bestemd om af te weeren hen die opkwamen om te enteren of met andere slechte voornemens; thands is het een bynaam voor het Enternet, 't welk by nacht rondom het boord van een brik of ander laag vaartuig tegen het overrompelen geheschen wordt.
Boezem, z. n. m. -- Zie Waterboezem, Zeeboezem.
Boezeroen, z. n. o. -- Soort van korte zeemanskiel.
Bogen, z. n. m. mv. -- Ronde houtjens, waarin zich gaatjens bevinden, door welke men het touwwerk kan laten gaan.
Bohei of Boha, z. n. o. -- Geschreeuw. B-- maken (geweld maken). Geen B-- aan boord! (geen rumoer, geen geschreeuw!) Dit woord is oorspronkelijk maleisch. Wanneer men, met de sloep over den modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen: 't welk uithoofde der menigvuldige kaaimans, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op den modderbank visschen, een sloep zien vastzitten, roepen zy aan de Ekipaadje toe: bohaya; 't welk in 't maleisch "Kaaiman" beteekent, ten einde men hun de sloep doe sleepen en zy er wat aan verdienen. Uit dat herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, rumoermaker een B--maker noemen.
Bok, z. n. m. -- 1o. Vaartuig, waar men schuiten of pramen, die aan den grond zitten, mede boven water haalt: hetwelk niet kan geschieden, zonder dat het vooreind meer en meer naar het water zakt en den kop buigt als een bok, die stooten wil.
2o. Twee aan de boveneinden verbonden rondhouten, barkoenen, windboomen, waaraan een blok hangt, en wier onderste einden ter wederszijden op het dek rusten: dienende tot het lichten van masten of andere zware lichamen.
3o. Of Zagersbok. Werktuig, ten gelijken einde dienende, doch bestaande uit drie stutten of pooten, die in een driehoek uitstaan en zich in den top piramidaalvormig vereenigen.
Bokkebeenen, z. n. o. mv. -- In den top vereenigde en vorksgewijze opgerichte spieren of staken, met katrollen voorzien en dienende om masten uit te lichten of op te zetten, of om, by den aanbouw van een schip, de stukken op hun plaats te brengen.
Bokshoorn, z. n. m. -- of Boksoor. Hieronder verstond men vroeger een ijzeren haak, die ter wederzijden van de rampaarden werd vastgehecht om de touwen daaraan te beleggen. Hy had zijn naam van zijn gedaante, daar de pen van dit werktuig achterover lag, even als de hoorn van een bok. Tegenwoordig zijn de B--s van voren rondgebogen ijzeren bouten in het boord der schepen, aan welke bouten de Broekings der stukken gebonden worden om het inspringen te beletten. Zie Hoornen.
Boksoor, z. n. o. -- Zie Bokshoorn.
Bolkvanger, z. n. m. -- Bolk, of bolg beteekende oudtijds bui: een B-- was dus een kleed, dat tegen buien beschutte. Vondel noemt, in zijn Lof der Zeevaart, de matrozen 't Bolckvangerdragend gilt. Zie Baaivanger, Wolkvanger. In 't zelfde gedicht noemt Vondel het:
Een draght, die sterven zal wanneer de schipvaert sterft.
Bollen, b. w. -- Korten, inkorten. De bezaan B-- (het zeil van de bezaan minderen of minder ter windvang stellen).
Bolster, z. n. v. -- (veroud.) Klos, of kussen, waar de boegspriet op rust. Zie Boegsprietkussen.
Bolwerken, b. w. -- (veroud.) Men noemde Een schip in zee B-- (de goederen op last in een schip verleggen).
Bom, z. n. v. -- Kogel, met brandbare en tot ontploffing bestemde bestanddeelen gevuld.
Spreekwijze: De B-- is losgebarsten (de zaak is uitgekomen).
Als een B-- ergends invallen (als een onwelkome gast ergends verschijnen).
Bom, z. n. v. -- Visschuit.
Bombalon, z. n. m. -- Zeetrompet, by de negers in gebruik.
Bombarde, z. n. v. -- Bombardeergaljoot, z. n. v. -- Bombardeerschip, z. n. o. -- Vaartuig, dat voor den grooten mast een paar mortieren voert, bestemd om een havenmond te verdedigen, een ontscheping te beschermen of een stad van de zeezijde te Bombardeeren.
Bombardeeren, b. w. -- Met Bommen beschieten.
Bombardement, z. n. o. -- Het beschieten met Bommen. Het B-- van Koppenhagen, van Algiers.
Bonnet, z. n. v. -- Lyzeil, broodwinder. Strook zeil, die aan de zeilen kan geregen worden om ze te verbreeden of te verlengen. De B-- aanrijgen, de B-- ontrijgen, afdoen.
Boog, z. n. m. -- 1o. Straal, kromming. Zie Boeg. Ook strook, neêrbocht.
2o. (Veroud.) Lang hout, daar men het spil mede omdraait.
Booi, z. n. m. -- 't Eng. Boy, jongen.
Spreekwijze: B-- is kaptein (de knecht is baas).
Boom, z. n. m. -- 1o. Lange stok of spier, die op de binnenvaart gebezigd wordt om de vaartuigen voort te duwen, en die zijn naam daarvan ontleent, dat hy van een geheelen boom gemaakt wordt.
2o. Spaak van een spil.
3o. Spier, dienende tot het uithalen van eenig zeil. Briksboom, kottersboom.
4o. Sluitboom, balk, waar de havens of het vaarwater mede afgesloten worden. Met den avond wordt de B-- gesloten.
5o. Huisjen, waar de Beämbten zitten, die op het openen of sluiten van den B-- of op de in- en uitgaande goederen te letten hebben.
Boomdirk, z. n. v. -- Boomreep. Het touw, dat het achtereinde van den Boom steunt.
Boomen, o. w. -- Met een Boom voortduwen.
Hy boomde met een vlot langs d'oevers.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Boomgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan den Boom voor 't ontsluiten betaald wordt. Zie Havengeld, Sluisgeld.
Boomklerk, z. n. m. -- Koopmansbediende, die voor zijn kantoor de verklaringen voor de In- en Uitgaande Rechten der binnen- of aan den Boom komende schepen doet.
Boomschoot, z. n. v. -- Het touw of de takel, waarmede de Boom bedwongen wordt.
Boomstag, z. n. v. -- Boventouw, Loefstag, Knoopspar. Touw op groote vaartuigen, even als de Boomschors op kleinere, tot beteugeling dienende van den Boom. Zie Bulletouw.
Boomtouw, z. n. o. -- Touw, dat door de gaten van de Boomen (spaken) van het gangspil wordt rondgeschoven om ze te verbinden, en zoo te beletten dat ze er niet uitvliegen, wanneer, door 't breken van den pal, het spil rondvliegt.
Boon, z. n. v. -- (veroud.) Platbodemd schuitjen; van waar het spreekwoord dat in Spieghels Byspraex-Almanak voorkomt:
Bonen by de kant, Houdt het schip midden waters.
Boor, z. n. m. -- Houten werktuig, met een ijzeren, van onder scherpe halve buis voorzien, welke, op een vast lichaam geplaatst en snel omgedraaid, daarin ronde gaten maakt.
Boord, z. n. m. -- Rand of zijde. De B--en van den Aemstel. Als ScheepsB-- genomen is het o. Met het B-- tegen den wal liggen. -- Het B-- wordt echter meestal genomen voor het schip zelf. Aan B-- komen. Naar B-- gaan. Het B-- verlaten. Iemand aan B-- nemen, of onthalen. Van B-- gaan. Over B-- vallen of, beter nog, over B-- dwalen (in 't water vallen). Iemand aan B-- leggen (by iemand aan boord komen).
Zy leggen ons aan boord, die welervaren maets.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Hier gelt bulderen, noch stampen, Noch geen borstweer van een mijl; Rustigh boort aan boort te klampen Is der Batavieren stijl.
Vondel. Scheepskroon.
Spreekwijze: Aan hooger B-- zijn (van toestand verbeterd zijn) uit het Fr. ontleend is, waar de capitaine de frégate tot capitaine de haut-bord (van een linieschip) bevorderd werd.
Zich aan hooger B-- houden (zich houden met hen, van wie men het meeste voordeel verwacht).
Iemand aan B-- klampen (zich aan iemand vastklampen, iemand op 't lijf vallen).
Iemand aan B-- komen (iemand toespreken, lastig vallen).
Iemand met een voorstel aan B-- komen (iemand een min welkom of althands onverwacht voorstel doen).
Het B-- kwijt raken (zijn middel van bestaan verliezen).
Een man over B--, een eter te minder (een verlies lijden, waar men minder om geeft en even luchtig over denkt als sommige kapiteins over hun matrozen).
Daar is veel over B-- (daar is veel verloren, of in de war.) (Zie Overstuur).
Achter de puttings over B-- raken (Zie Puttings).
Boorder, z. n. m. -- of Scheepboorder: de man, die met het boren belast is.
Boos, b. n. en bw. -- Wordt van den wind, van het weer enz. gezegd, als het ongunstig is. Wy hebben B-- weer op reis gehad. Wy hebben het B-- te verantwoorden gehad. Het heeft B-- gewaaid.
Boot, z. n. v. -- Grootste roeivaartuig op een koopvaarder, dat by gelegenheid dient om ankers op te winden of uit te brengen, watervaten in te nemen enz. Groote B-- (Zie Barkas): deze wordt meest op koopvaardyvaartuigen gebezigd.
Spreekwijze: Eerst in de B-- keur van riemen (wie eerst komt, die eerst maalt: of wie er 't spoedigst by is, mag kiezen).
Iemand in zijn B-- krijgen (iemand in zijn belang of tot zijn denkwijze overhalen).
Van de B-- komt men in de schuit (men komt van kwaad tot erger, of van 't kleine tot het groote).
De HuwelijksB-- of 't HuwelijksB--jen (is een gewone samenstelling voor 't Huwelijk).
Bootklampen, z. n. v. mv. -- De mikken, waarin de Boot op het dek staat.
Bootkrabbers, z. n. m. mv. -- 1o. Touwen, met een haak en een kous voorzien, en bestemd om Booten aan een vaartuig vast te maken.
2o. Touwen, waarmede de Boot op het dek is vastgesjord.
Bootschoen, z. n. m. -- Plaat, die buiten boord wordt gehangen, en tegen welke de Boot rust als zy tegen het schip uit het water wordt geheven, om gebreeuwd, geteerd enz. te worden.
Bootsgezel, z. n. m. -- 't Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat die met het roeien in de Boot belast is.
Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel. Kees was eerst bootsgezel, nu is 't een boos gezel.
Jan Vos.
Bootsleper, z. n. m. of -- Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt.
Bootsman, z. n. m. -- Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op zeil en treil van den grooten mast. By de manoeuvres blijft hy op het dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen is hy de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier.
Bootsmansgasten, z. n. m. mv. -- De matrozen, die onder den Bootsman staan en met hem aan denzelfden bak eten.
Bootsmansmaat, z. n. m. -- De onderofficier, die op den Bootsman in rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast.
Bootsmansstoel, z. n. m. -- Een plank, die tegen den mast hangt, en waarop een matroos zit, als hy werk aldaar te verrichten heeft.
Bootsvolk, z. n. o. -- De Bootsgezellen in 't algemeen: oudtijds meer bepaaldelijk de bemanning eener Boot.
Bordig, b. n. -- (veroud.) Plat, als een Bord. B--e zeilen (platstaande zeilen).
Bording, z. n. v. -- Benaming van zeker Pruissisch vaartuig.
Bordgeld, z. n. o. -- Soort van verval, dat uit de beschouwing (de opbrengst) der vischvangst voortspruit.
Boren. b. w. -- Een gat, een opening maken door middel van een Boor.--'t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels gemaakt. Een schip in den grond B-- (zoodanig beschieten dat het lek wordt en te gronde gaat).
Borg, b. n. -- of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is te vervangen, en dan als 't ware Borg blijft, dat er geen ongerief ontstaan zal. B--schoot, B--touwen (schoot, touwen, die, nevens de andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen).
Borrel, z. n. m. -- Letterlijk, een belletjen, dat uit den grond komt opborrelen; doch by toepassing, een glas geestrijk vocht.
Borst, z. n. v. -- Wordt somtijds, by toepassing, voor het voorste gedeelte van het schip, of den boeg, genomen.
Bos, z. n. v. -- Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op den overloop en verder.
Bosbank. -- Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden.
Bossenwerk, z. n. o. -- Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede een oud schip geblakerd wordt.
Bot, z. n. v. -- Vooreind, 't Fr. bout. Het touw heeft geen B--. Het touw heeft niet B--s genoeg. Men moet het touw B-- geven. B-- vieren, (laten schieten).
Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.
zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want wanneer men de zeilen B-- viert, gaat de wind er uit.
Spreekwijze: Zijn lusten B-- vieren (er aan toegeven).
Bos, z. n. v. -- Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait.
Boterland, z. n. o. -- Land, dat men waant te zien, doch 't welk alleen uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by 't naderen.
Botloef of Botteloef, z. n. m. -- De balk, waar de fokkehals op vaart. Zie Loef.
Botstouwgat, z. n. o. -- Oude benaming van het gat, waar het ankertouw doorloopt.
Bottelary, z. n. v. -- Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn spijs bewaart en uitdeelt.
Bottelier, z. n. m. -- Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in 't algemeen het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan den kok uit te leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede den drank aan de manschap ronddeelt.
Spreekwijze: Als de kok en de B-- kijven, dan weet men, waar de boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn, twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan 't licht).
Botteliersmaat, z. n. m. -- of Onderbottelier. Behulp van den Bottelier.
Botteloef. Zie Botloef. B--krabbers, B--Schenkel of Strontstagen (touwen, die bestemd zijn om den B-- te steunen).
Botter, z. n. m. -- Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden, Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker gebouwd.
Bout, z. n. m. -- IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel dienende. Stompe B--en (die geen punt hebben, als alle spantbouten.) Blinde B--en (die van welke, na het indrijven, alleen het einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B--en verschillen hierin van de spijkers, dat zy overal even dik zijn en niet verdunnend toeloopen. Zy worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt: de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB--, NaaiB--, KoppelB-- enz. enz.
Boutdrevel, z. n. m. -- Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats gedreven worden.
Boutjens, z. n. o. mv. -- (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen sterkte noodig heeft.
Bouts, z. n. o. mv. -- (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te voorzien als 't verbroken is. 't Woord is 't Fr. bouts (enden).
Boutkogels, z. n. m. mv. -- of Kneppelkogel: twee kogels, door een Bout verbonden.
Bouw, z. n. m. -- 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B--.
2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw.
Bouwen, b. w. -- 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B--.
2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, by toepassing, Zee B-- (de zee bevaren, omdat men die als 't ware met het schip beploegt). Antonides noemt in zijn Ystroom Amsterdam:
De grootste zeevorstin, die alle watren bout.
Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen.
Jan Vos.
Bouwlood, z. n. o. -- Zie Lood.
Boven, byw. -- 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in 't schip bevinden. Een jongen naar B-- zenden (in den mast). Roep den Luitenant eens B-- (op het dek).
2o. De oppervlakte der zee. De man was gezonken: gelukkig kwam hy nog even B--, zoo dat men hem grijpen kon.
Waarom koomje boven drijven Jonghe bliecken, kleyne vis? Ghy mocht beter onder blijven, Daer u eyghen wooningh is.
Cats. Emblem.
Boven (te) zijn. Een hoek, klip, punt T-- B-- zeilen (die bovenwind te loefwaarts omzeilen).
Spreekwijze: Hy is dien klip T-- B-- (hy is dat gevaar ontkomen).
Bovenbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout.
Bovenblind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat vroeger gevoerd werd boven de Blinde ra.
Bovendek, z. n. o. -- Het bovenste Dek op een schip.
Bovenhalen, b. w. -- (veroud.) Te boven zeilen.
Bovenkajuit, z. n. v. -- De kajuit, welke de geheele breedte van het achterschip beslaat en tusschen de kampanje en het bovendek begrepen is. Op de koopvaardyschepen, die geen kampanje hebben, is somtijds achterop een groote hut getimmerd, die de B-- wordt genoemd.
Bovenkruiszeil, z. n. o. -- of Grietjen, welke laatste naam de meest gebruikelijke is: het zeil, dat tusschen de Grietjensra en Kruisra hangt. Zie Grietjen.
Bovenlijk, z. n. o. -- of Ralijk, Het touw, dat aan de bovenzijde van een zeil is vastgehecht en het door banden aan de ra verbindt. Zie Lijk.
Bovenrabanden, z. n. m. mv. -- Enden touw, dienende om de bovenhoeken der zeilen aan de Raas vast te binden. Zie Nokbindsels.
Bovenschip, z. n. o. -- Huizing of Doodwerk: het gedeelte van het schip, dat zich boven water bevindt.
Bovenspil, z. n. o. -- Het spil, dat op het dek staat, ter onderscheiding van het Onderspil. Zie Spil.
Boventuig, z. n. o. -- Tuig der Bovenmasten.
Spreekwijze: Zijn B-- is in de war (hy is niet wel by 't hoofd).
Bovenzeilen, z. n. o. mv. -- Zie Zeil.
Braadspit, z. n. o. -- Rolspil, verdraagbaar windas op de koopvaardyschepen.
Brabbelen, b. w. -- Opborrelen, koken. De zee begint te B--.
Brak, b, n. -- Ondrinkbaar. B-- water, (zoet water, met zout water of andere bestanddeelen vermengd).
Reeds lang zagh ik myn naam en grootheit aengebeên, Eer nog uw brakke poel van visschers wert betreên.
Zegt de Seine tegen 't Y in Antonides. Ystroom.