Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 4

Chapter 43,939 wordsPublic domain

2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B--), het in het dichtst mogelijk bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden.

3o. Laten vallen: een vlag B--, die nederhalen en wegsluiten.

4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen B--. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph.

Berger, z. n. m. -- Hy, die gestrande goederen helpt Bergen.

Berghout, z. n. o. -- Zie Barghout.

Berging, z. n. v. -- Ruimte. Er is weinig B-- in dat schip.

Bergloon, z. n. o. -- Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het B-- wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van Kooph. vermeld. De B--en behooren in de eerste plaats onder de bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts art. 547, 548, 750, 757.

Berkhout, z. n. o. -- 't zelfde als Barghout. Zie ald.

Berkoen, z. n. m. -- 't zelfde als Barkoen. Zie ald.

Beschadigd, b. n. -- Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van goederen, door 't zeewater B--.

Beschadigen, b. w. -- Schavielen, wrijven, schade aanbrengen.

Beschieten, b. w. -- 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B--.

2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten.

3o. Met geschut bevechten.

Beschouwen, b. w. of met den deel hebben -- voor "zijn deel ontfangen" is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst, en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half, drie kwart of volle man.

Beslaan, b. w. -- 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B--.

2o. Al de zeilen zijn Beslagen.

3o. In beslag nemen. Zie Beslag.

Beslag, z. n. o. -- Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B-- genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende Mogendheid). Zie Embargo.

Beslagbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat.

Beslagen, b. w. -- met ijzer bekleed.

Beslaglijnen, z. n. v. mv. -- Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan- en stagzeilen Beslaat.

Beslagseizings, z. n. v. mv. -- Gevlochten enden touw, tot vasthechting der zeilen aan de raas.

Besloten, b. n. -- Dicht. Een B-- reê (waaruit men de volle zee niet zien kan.

Besmeeren, b. w. -- Insmeeren, met smeer bestrijken.

Besneden, b. n. -- Gevormd. Een fijn B-- schip (een schip dat een fijne Snede heeft).

Bestek, z. n. o. -- 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden heeft. Met het B-- voor- of achteruit zijn, zijn B-- vooruit loopen, achter zijn B-- zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats, waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich in zijn B-- vergist. Gegist B--: bevonden B--: verbeterd B--: B-- opmaken: B-- zetten.

2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten.

Bestemd, dw. -- wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat schip is naar Java B-- (het moet naar Java). Die goederen zijn tot geschenken B--.

Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. -- Plaats, waarheen iets Bestemd was. Dat schip heeft zijn B-- bekomen.

Bestevenen, b. w. -- Den steven ergends heen wenden, waar men met goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te veranderen.

Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt niet altijd wat men verlangd had).

Bestier, z. n. o. -- Zie Scheepsbestier.

Betakelen, b. w. -- Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen te beletten.

Betanen, b. w. -- Tanen, met Taan bestrijken.

Beting, z. n. v. of Betings mv. -- Naam van twee sterke staanders, door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen. 't Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).

Betingsbalk, z. n. v. -- Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting.

Betingsbout, z. n. m. -- Een der zware ijzeren bouten, die in de Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen te bewaren.

Betingskop, z. n. m. -- De enden van de stijlen, waar zy boven den Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd.

Betingleggen, o. w. -- De ketting of het touw om den Betingsbalk Leggen.

Betingsknie, z. n. v. -- De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent en tegen omslaan bewaart.

Betingsslag, z. n. m. -- De Slag, dien de ketting of het touw over de Beting neemt.

Betingsspenen, z. n. v. mv. -- Zie Betingskop.

Betingsspoor, z. n. o. -- Een stuk of stukken houts, waarop het vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten.

Betingsstopper, z. n. m. -- De eerste Stopper, dien men achter de Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten.

Beetingsstut, z n. o. -- De recht opstaande Stut, waaraan de Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient om het zwaar touw daarom te leggen.

Betingsstijl, z. n. m. -- Zie Beting.

Betonnen, b. w. -- Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B-- van dat vaarwater heeft vrij wat gekost.

Beugel, z. n. m. -- Band, hoepel. De B-- van het kompas (koperen ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij in beweegt.

Spreekwijze: Dat kan niet door den B-- (dat kan er niet door).

Iemand door den B-- jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe en moeilijke plaatsen heenslepen).

Beugelarm, z. n. m. -- Bevestiging van den Beugel aan het hout.

Beugtijd, z. n. v. -- De tijd van November tot February, wanneer de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd.

Beuling, z. n. v. -- Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang.

Beun, z. n. v. -- of Bun, is de plaats in het schip waar de visch levendig gehouden wordt, welke daarvan B--visch genoemd wordt.

Beurtman, z. n. m. -- Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf genomen. De B-- op Zwol is afgevaren. De B-- ligt aan den steiger.

Beurtschip, z. n. o. -- Hetzelfde als Beurtman. Zie ald.

Beurtschipper, z. n. m. -- Schipper van een Beurtschip.

Beurs, z. n. v. -- Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars, reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B-- komen: Ik heb hem op de B-- gesproken.

Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B-- komen (hy mag er gerust mede in 't openbaar, in 't gezelschap van menschen, komen).

Beursvaatjen, z. n. o. -- Benaming van een vaatjen met buskruit, dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat er geen vonken in zouden vallen.

Bevaarbaar, b. n. -- Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee mijlen van haar monding niet langer B--.

Bevaren, b. w. -- Al varende of zeilende over een water gaan. De zee B-- (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door niemand was B--.

Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren.

Antonides, Ystroom.

Bevaren, b. n. -- Die gewoon is te varen. B-- volk. Een B-- matroos (die zijn roergang verstaat).

Bevrachten, b. w. -- Laden. Het woord B-- wordt echter niet gebezigd voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.--Een schip, door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht.

Bevrachter, z. n. m. -- Hy, die een schip bevracht, of huurt om te Bevrachten--in tegenstelling van Vervrachter. Zijn verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. II. art. 464-498.

Bevrachting, z. n. v. -- De daad van Bevrachten. De overeenkomst van B-- wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I art. 453-463 en Afd. III. art. 499-506.

Bevrijden, b. w. -- Vrij maken. Een schip B-- (van water, of van den vyand).

Bewaking, z. n. v. -- Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading geheel of gedeeltelijk in 't geheim en zonder aangifte zullen lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153-156.

Bewateren, b. w. -- met water vullen. De pomp B--.

Beweerd, bw. -- Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De schepen lagen daar B--.

Beweging, z. n. v. -- Zie Manoeuvre.

Bewesten, bw. -- 't Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B-- de Kaap van een storm overvallen.

Bewimpelen, b. w. -- Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden worden masten en stengen Bewimpeld.

Spreekwijze: Zijn opzet B-- (met bedriegelijken schijn omkleeden,) Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder tooisel voordragen).

Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een oorlogs- of transportschip.

Bewindhebber, z. n. m. -- Naam, die vroeger gegeven werd aan hem, die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische maatschappy.

Bewoelen, b. w. -- Vast en aan alle kanten omwinden: 't geen voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt.

Bewoeling, z. n. v. -- De daad van Bewoelen.

Bezaan, z. n. v. -- 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De B-- op haar gat zetten (de schoot der B-- sterk aanhalen).

2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een driemastschip.

3o. Groote B-- die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek vervaardigd is.

Bezaanmast, z. n. m. -- De achterste Mast op een driemastschip.

Bezaansmars, z. n. v. -- Zie Mars.

Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. -- Touwen, waarmede de Bezaan wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen.

Bezaanspispotten, z n. v. mv. -- De brassen van de bezaansra, nu door een gaffel vervangen.

Bezaansroede, z. n. v. -- of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast, die thands niet meer in gebruik is.

Bezaansrusten, z. n. v. -- Zie Rusten.

Bezeild, b. n. w. -- Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig is voor den koers. Zie Wind.

Bezeildheid, z. n. v. -- Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip wint in het in B-- van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft zijn B-- verloren of terug bekomen.

Bezeilen, b. w. -- Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten die haven zien te B-- (al zeilende bereiken).

Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).

Men kan geen haven met hem B-- (men kan met hem niet te recht komen).

Men kan niet altijd zijn koers B-- (het loopt wel eens tegen).

Bezem, z. n. m. -- gebruikelijk in de

Spreekwijze: den B-- in den mast voeren (de zee schoon vegen).

Toen 't Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien, Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien, Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt, De korenvloot van 't Y, en rooft ze met gewelt, Dorst Amsterdam (hoe klein 't zich toonde voor twee eeuwen) Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen Te samen rukte, in zee begeven, en het strant Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken, Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght, Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.

Antonides Ystroom.

Bezet, bw. -- Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in 't ijs B--: op de kust B-- zijn: op lager wal B-- zijn.

Bezuiden, bw. -- 't Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag B-- het eiland.

Bieden, b. w. -- Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand de breedzijde te B-- (om hem te beschieten namelijk). De kapitein deed het fregat de breede zijde B-- aan het fort.

Biezetouw, z. n. o. -- Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche zee wel gebruikelijk.

Bil, z. n. v. -- Ronding van het achterschip.

Billen, z. n. v. mv. -- De uitpuilende deelen van het achterschip.

Binden, b. w. -- Vastmaken met touw of andere wringbare zelfstandigheid.

Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).

Bindgaren, z. n. o. -- Bindtouw. Zie Garen, Touw.

Bindsel, z. n. o. -- De uitkomst van het Binden. Een B-- leggen. Zijn voor B--. Plat B--. B-- van een ankersteel. KruisB--. NokB-- enz.

Binnen, vz. -- 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats, waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen zijn B-- (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B-- (binnen scheepsboord).

Spreekwijze: Hy is B-- (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die, hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en nooit meer verliezen kan.

2o. Voor "B-- bereik van": de schepen zijn B-- Schot.

Binnenachtersteven, z. n. m. -- Beplanking, die van Binnen aangebracht is en tot steun dient van den achtersteven.

Binnengaets, bw. -- Binnen de monding van een zeegat of stroom.

Die wel ervaren maets En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.

Vondel.

Binnengeschutgang, z. n. v. -- Naam, op geschutdekken, aan de tusschenwegers gegeven.

Binnenhaven, z. n. v. -- Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam en Dordrecht zijn B--s.

Binnenkiel, z. n. v. -- of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.

Binnenkomen, b. w. -- Uit zee in de haven komen. Binnengekomen: de vrouw Maria, uit Riga.

Binnenlandsch, b. n. w. -- Wat zich binnen de grenzen van het Rijk bepaalt. Hy drijft alleen B--en handel. Dit schip is alleen voor de B--e vaart gebouwd.

Binnenlek, z. n. v. -- Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte der zee tusschen het strand en de Breêveertien.

Binnenloods, z. n. m. -- Loods, die zijn ambacht uitoefent op de binnenwateren.

Binnenloodsen, b. w. -- of Inloodsen. Zie Loodsen.

Binnenloopen, b. w. -- Inzeilen. B-- wordt meestal gezegd, wanneer het uit nood geschied.

Binnenrahout, z. n. o. -- of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de geheele lengte van het schip doorgaande.

Binnensteven, z. n. m. -- De binnenkant van den Steven. Zie Steven.

Binnenvaart, z. n. m. -- De vaart op de stroomen en wateren van het Rijk.

Binnenvoorsteven, z. n. m. -- Het verlengde van de binnenkiel, loopende van het slemphout tegen den voorsteven op.

Binnenwegering, z. n. v. -- Een langsscheeps-verband, loopende tegen de spanten van den voor- naar den achtersteven.

Binnenzeilen, b. w. -- Uit zee binnenkomen.

Bit, z. n. o. -- Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of snede genaamd. Zie ald.

Bitstuk, z. n. o. -- Zie Loefhouder.

Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. -- Enden van kabels. Deze, als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren gebezigd.

Blaasbalg, z. n. m. -- Vulling van hout, die onder de slooiknieën wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten, dat de zee er te veel kracht op oefene.

Blaauw inzetten, b. w. -- (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.

Blaauwschuit, z. n. v. -- Oude, echt Hollandsche benaming voor scheurbuik. Zie ald.

Bladstil, bw. -- Geen windtjen.

Blafteren, o. w. -- (veroud.) Een schip werd gezegd te B-- als het met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen.

Blad, z. n. o. -- Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B--. B-- van een riem (het platte en breede end van een riem). B-- van een anker (Zie Ankerblad.)

Blaken of Blakeren, b. w. -- Wordt men gezegd een schip te doen, wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van den worm te bevrijden.

Blakeren, -- Zie Blaken. B-- is meer in gebruik.

Blank, b. n. w. -- Zie Zeil.

Blakhol, z. n. o. -- 't Eng. black hole, een donkere kerker aan boord.

Blazen, b. w. -- (veroud.) Een schip B-- noemde men, wanneer het op zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was.

Blekhel, z. n. o. -- Zie Hel.

Blikken, o. w. -- of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker weer van andere schepen ontdekt te worden.

Bliksem, z. n. m. -- Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring.

Blikvuur, z. n. o. -- Seinvuur. Zie Blikken.

Blikvuren, o. w. -- Zie Blikken.

Blind, z. n. o. -- (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste droeg den naam van: het groote B--: het tweede of bovenste dat van: het kleine B-- De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht, dat de B-- de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men "een blinde muur" zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is.

Blind, b. n. w. -- Zie Klippen, Ra, Steng, enz B--e Ra (die onder den boegspriet hangt.)

Blinden, z. n. v. mv. -- Luiken.

Blink, z. n. m. 1o. -- Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het licht, dat een streep wolken of dampen by 't opstijgen tusschen zich en den gezichteinder laat.

2o. Wit, onbegroeid duin.

Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer D'aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, 't gevaer Van 't varen overzien.

Bloedvlag, z. n. v. -- of roode vlag.

1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B-- te hijschen.

De bloetvlag uitgesteken Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken.

Antonides, Ystroom.

2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen.

Blok, z. n. o. -- In 't algemeen een klompvormig stuk houts: op schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent dan zoodanig Blok, 't welk van eene of meer keepen is doorsneden, binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in 't mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.--Enkel B-- (dat maar een schijf heeft). Dubbel B-- (dat er twee nevens elkander heeft). GeinB--, JijnB-- (groot B-- dat er onderscheidene nevens elkander heeft). Drieschijfs B-- Drieschijfs GeinB-- Dubbele B--s voor geschuttalies. VioolB--s (die uit twee nevens elkander geplaatste B--s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB--s (die uit twee boven elkander geplaatste B--s bestaan) KatB-- (dat drie schijven heeft.) Plat B-- (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is met de B--s aan de hoofden der masten, en met de hanger B--s voor de marse-draai-reep). KinnebaksB--s (waarvan de zijde opengesneden is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft, om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B--s (die men voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige B--s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen doorloopen). WartelB--s, DraaiB--s (die, in groot aantal en vertikaal geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B--s voor de buik- en dempgordings. VoetB--s (die alleen dienen om een gespannen touw een andere richting te doen nemen). LeiB--s (die geplaatst zijn om een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB--s (die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB--s (die in 't midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB--s (waar de toppenants door moeten). StengelwindreepB--s (die men bezigt om een mars op te brengen). StagB--s (die aan het einde der stags geplaatst zijn). GordingB--, DraaireepB--, GeitouwB--, TalieB-- enz. TopreepB--s (dienende om een schip dat by 't kalefateren op zijde ligt, weder op te heffen). DrilB--s (zware en lange B--s, waarmede men de schepen in of uit de dokken trekt). KielB--s, (dienende om de masten op een schip te brengen). StraatB--. HaakB-- enz. (waarvan de strop met een zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-, tot achtschijfsB--s.

Spreekwijze: Het schijfjen in 't B--jen (de zaak is in orde).

Blokhout, z. n. o. -- Hout, waar Bloks van gezaagd worden.

Blokkenet, z. n. o. -- Net, dat in 't kabelgat hangt tot berging van de kleine Bloks.

Blokschijf, z. n. v. -- Schijf, die in het Blok zit.

Blokstrop, z. n. m. -- End touw, dat men om een Blok splitst om het ergends aan te bevestigen.

Blokwangen, z. n. v. mv. -- De zijden van een Blok.

Blijven, o. w. -- Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in dezen storm.

Bocht, z. n. v. -- 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B--en doen opschieten.

2o. De ronde kant van eenig voorwerp.

3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B-- van Guinea, de B-- van Frankrijk.

4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B-- gehaald.

5o. of TouwB-- die, welke men voor de Beting heeft, als men ten anker komt.

6o. Ontuig, drek. Ik kan die B-- niet drinken.

Spreekwijze: Een B-- achter den arm houden--'twelk een noodzakelijke voorzorg is by het vieren--(gepaste voorzorg nemen).

Een ander aan de B-- springen (een bekwamer man by het B-- vieren zetten).

Bochtsteek, z. n. m. -- of Engelsche Kink. Een soort van Steek, gebruikelijk by het vastmaken van Bloks.

Bodem, z. n. m. -- 1o. Grond, vloer. De B-- van de zee; de B-- van het schip.

2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B--s verloren (voor vijf schepen) 's Lands B-- (het schip).

Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren Die moeten over zee op eenen bodem varen.

Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam.

Bodemery, z. n. v. -- Overeenkomst tusschen een geldschieter en een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl, wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden.

De bepalingen omtrent B-- zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II. Tit. VIII. art. 569-591.

Bodemerybrief, z. n. m. -- Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie daarover art. 273 Wetb. van Kooph.

Bodemstuk, z. n. o. -- 1o. Zool van een rolpaard.

2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit vroeger een stuk geschut bestond.

Bodemstukken, z. n. o. mv. -- of Fundatiebalken: de zware balken, waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt.

Boeg, z. n. m. -- 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het voorste gedeelte van 't schip, 't Beteekent "kromming" even als boog en buiging. Een vette, ronde, holle B--. Een magere, scherpe B--. Met den B-- in den wal liggen.

2o. Boord. Over beide B--en. Van B-- veranderen, (over een anderen B-- gaan liggen (wenden)). B-- tegen B-- loopen.