Part 31
Zwieping, z. n. v.-- Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.
Zwin, z. n. o. -- Wad, droogte tusschen het water.
Zijde, z. n. v. -- Boord, rechter- of linkerkant van een schip. De vyand de breede Z-- bieden (hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.) Een schip op Z-- leggen (om het te kalfaten.) Haal de sloep op Z-- (langs boord.) "Kregen de viktualiekaag op Z--, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over" (oud Rapport).
Zijperken, z. n. mv. -- De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eene Zijperk ligt tusschen den schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord--het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.
AANTEEKENINGEN
[1] Ik schrijf woordeboek, geen woordenboek, om redenen die ik elders heb ontwikkeld. 't Is geen "boek van woorden" maar een "boek met woorden," of "tot verklaring van woorden dienende."--Hooft, die 't woord het eerst gebezigd heeft, noemt het dan ook: Woordtboek. "Ik heb," schrijft hy van Justus Baak (183) "mijn voornaamst Woordtboek oft Woordenaar hoe men op 't Duits heeten wil, niet hier."
[2] De volledige tytel is: Handleiding tot de kennis van onze Vaderlandsche Spreekwoorden en Spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder van de Scheepvaart en het Scheepsleven ontleend, door J. P. Sprenger van Eyk, Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, by Mensing en van Westreenen 1835--en: Nalezingen en Vervolg op de Vaderlandsche Spreekwoorden enz.--1836.